Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.2.b
3.2.b Art. 2 P7 EVRM: achtergrond en werking
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS603455:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 17 januari 1970, nr. 2689/65 (Delcourt/België); EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/ 08 (Lalmahomed/Nederland).
ECRM 4 juli 1988 (ontv.), nr. 13135/87 (S. e.a./Verenigd Koninkrijk); EHRM 27 mei 2008, nr. 38978/03 (Sarukhanyan/Armenië); en Barkhuysen 1998, p. 91; het is overigens maar de vraag of art. 13 EVRM wel van toepassing is op een door een rechterlijke instantie begane mensenrechtenschending, zie Barkhuysen 1998, p. 89-96; Frowein & Peukert, 2009, p. 397-399; Trechsel 2005, p. 363; daarnaast wordt aangenomen dat artikel 13 EVRM slechts rechtstreeks kan werken voor zover op de voet van nationaal recht al de rechtsmacht bestaat bepaalde klachten te ontvangen, zie Barkhuysen 1998, p. 263-264 en HR 19 april 1996, NJ 1996/474.
Raad van Europa 1970.
Trb. 1985, 2, zie de herziene vertaling in Trb. 1990, 161; het Zevende Protocol is op voor dit onderzoek irrelevante onderdelen gewijzigd door het Elfde Protocol, zie Trb. 1998, 92.
Dubbink 1995, p. 446; in deze zin ook Krabbe 2004, p. 186.
Stavros 1993, p. 268.
Raad van Europa 1976, p. 9; zie gelijk in strekking, Raad van Europa 1977, p. 11.
Kamerstukken II 1988/89, 20800 V, nr. 8, p. 4-5; zie voor eenzelfde algemene aarzeling Kamerstukken II 1991/92, 22300 V, nr. 114, p. 7.
Kamerstukken II 1999/2000, 26800 V, nr. 116, p. 4; mede gebaseerd op Dubbink 1995.
Bijlage bij Kamerstukken II 2008/09, 31700 V, nr. 83, Lijst III.
Bijlage bij Kamerstukken II 2009/10, 32123 V, nr. 72, Lijst I; en voor 2011 Bijlage bij Kamerstukken II 2010/11, 32500 V, nr. 164, Lijst I.
Bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 33000 V, nr. 139, Lijst II; zie laatstelijk Bijlage bij Kamerstukken II 2015/16, 34300 V, nr. 54.
Kamerstukken II 2012/13, nr. 33400 V, nr. 146, p. 5-6.
Al is – let op de datum – wel eens een poging gedaan: ECRM 1 april 1992 (ontv.), nr. 15346/89 (M./Nederland); zie ook EHRM 26 november 2002 (ontv.), nr. 46410/99 (Üner/Nederland).
Trb. 1985, 2; volgens Köhne 2000, p. 226 is een vergelijkbaar voorbehoud bij het IVBPR gemaakt (en zou verlofbeoordeling dus (ook in strafzaken?) in orde zijn), maar ik heb het bestaan van dat voorbehoud niet kunnen achterhalen.
Het voorbehoud van Italië luidt bijv.: “The Italian Republic declares that Articles 2 to 4 of the Protocol apply only to offences, procedures and decisions qualified as criminal by Italian law”, zie Trb. 1998, 92.
Dat is althans de manier waarop ik de voorbehouden in onderlinge samenhang lees, zie voor aarzeling en meer terughoudendheid over de betekenis ervan Krabbe 2004, p. 190; De Hullu 1989, p. 156.
Krabbe 2004, p. 190-191; ECRM 19 oktober 1995 (ontv.), nr. 23037/93 (Simonnet/Frankrijk).
Het vlak na de Tweede Wereldoorlog in 1950 tot stand gekomen EVRM bevat geen recht op beroep. De Europese Commissie noch het EHRM hebben bovendien dat recht uit het recht op een eerlijk proces willen afleiden: “Article 6 para.1 of the Convention does not, it is true, compel the Contracting States to set up courts of appeal or cassation.”1 Dat geldt evengoed voor artikel 13 EVRM.2
Binnen de Raad van Europa bestond evenwel de wens om in elk geval op het niveau van verdragstekst dezelfde rechten te garanderen als die in het IVBPR waren neergelegd. Als aanvulling op het EVRM is daarom onder meer het Zevende Protocol bij het EVRM opgesteld.3 Het protocol kreeg definitief vorm op 22 november 1984 en trad in werking op 1 november 1988.4 Het Zevende Protocol EVRM bevat diverse voor het strafrecht relevante mensenrechten, waaronder in artikel 2 een recht op review van strafrechtelijke veroordelingen. In het Engels luidt deze bepaling:
1. Everyone convicted of a criminal offence by a tribunal shall have the right to have his conviction or sentence reviewed by a higher tribunal. The exercise of this right, including the grounds on which it may be exercised, shall be governed by law.
2. This right may be subject to exceptions in regard to offences of a minor character, as prescribed by law, or in cases in which the person concerned was tried in the first instance by the highest tribunal or was convicted following an appeal against acquittal.
De Nederlandse vertaling luidt:
1. Een ieder die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit, heeft het recht zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger gerecht. De uitoefening van dit recht, met inbegrip van de gronden waarop het kan worden uitgeoefend, wordt bij de wet geregeld.
2. Op dit recht zijn uitzonderingen mogelijk met betrekking tot lichte overtredingen, zoals bepaald in de wet, of in gevallen waarin de betrokkene in eerste aanleg werd berecht door het hoogste gerecht of werd veroordeeld na een beroep tegen vrijspraak.
De overeenkomsten tussen artikel 2P7 EVRM en artikel 14 lid 5 zijn onmiskenbaar, zij het dat het Zevende Protocol enkele “preciseringen”5 dan wel “hard edges”6 bevat.7 Het grootste verschil betreft de in het tweede lid van artikel 2 P7 EVRM opgenomen mogelijkheden voor staten om uitzonderingen te maken op het toepassingsbereik van het recht op beroep. Een strafrechtelijk rechtsmiddel hoeft dus duidelijk niet in alle gevallen open te staan. Ook het eerste lid van artikel 2 P7 EVRM verschilt op onderdelen van zijn evenknie in het IVBPR.
Evenals onder meer Duitsland en het Verenigd Koninkrijk heeft het Koninkrijk der Nederlanden het Zevende Protocol EVRM niet geratificeerd. Enkele jaren na de vaststelling van het protocol, in 1988, luidde het bezwaar dat de formulering van de rechten in het protocol “niet steeds even helder [is]” en het mede daarom niet vanzelf sprak dat het Zevende Protocol EVRM dezelfde garanties bood als het IVBPR.8 De “zeer zorgvuldige afweging van mogelijke implicaties” zoals de minister op dat moment wilde, heeft enige tijd in beslag genomen.
In het jaar 2000 werd de terughoudendheid concreter gebaseerd op de mogelijkheid dat het recht op beroep ook buiten het klassieke strafproces van toepassing zou zijn.9 In 2004 bracht Minister Donner als nieuw bezwaar naar voren dat de toepasselijkheid van het recht op beroep volgens hem voor lichte overtredingen moest kunnen worden beperkt. Artikel 2P7 EVRM bood daarvoor wel ruimte, maar de minister meende “dat deze bepaling gelet op de dynamische uitleg van het [EHRM] zodanig kan evolueren dat slechts in een bijzonder beperkt aantal gevallen het recht op hoger beroep kan worden uitgesloten”.10 Tot 2009 heeft het Zevende Protocol EVRM daarom op de zogeheten Lijst III gestaan, de lijst met verdragen waarvan ratificatie onder de huidige omstandigheden niet wenselijk werd geacht, maar te zijner tijd onder gewijzigde omstandigheden misschien wel.11 In 2010 steeg het Zevende Protocol EVRM naar Lijst I, de lijst met verdragen die naar verwachting dat jaar nog ter parlementaire goedkeuring zouden worden ingediend.12 De minister meende dat de bezwaren van voorheen niet meer actueel waren.13 In 2012 daalde het Zevende Protocol EVRM echter zonder motivering naar Lijst II, de lijst met verdragen die eerst op langere termijn ter goedkeuring worden ingediend of ten aanzien waarvan nog geen besluit is genomen omtrent de wenselijkheid van ratificatie.14 Sindsdien is daaraan niets veranderd. Intussen worden (nog steeds) goedkeuringsstukken voorbereid, maar heeft ratificatie geen prioriteit.15
Vooralsnog kan in (zaken tegen) Nederland dus nog geen beroep op artikel 2P7 EVRM worden gedaan.16 Omdat het voornemen tot ratificatie intussen stevig op de agenda staat, wordt artikel 2 P7 EVRM hieronder toch uitgebreid behandeld.
Wanneer tot ratificatie van het Zevende Protocol wordt besloten, komt het reeds bij ondertekening gemaakte voorbehoud weer in beeld. Dat voorbehoud luidt: “The Netherlands Government interprets paragraph 1 of Article 2 thus that the right conferred to everyone convicted of a criminal offence to have conviction or sentence reviewed by a higher tribunal relates only to convictions or sentences given in the first instance by tribunals which, according to Netherlands law, are in charge of jurisdiction in criminal matters.”17 Het nut en de houdbaarheid van dit voorbehoud zijn twijfelachtig. Het eerste gedeelte heeft dezelfde strekking als de exceptie uit het tweede lid van artikel 2 P7 EVRM voor vrijspraken in eerste aanleg en is daarom overbodig. Het tweede gedeelte vat ik, mede gelet op de voorbehouden van Frankrijk, Duitsland, Italië, Liechtenstein en Portugal,18 aldus op dat Nederland het recht op review enkel van toepassing acht op nationaal strafrecht.19 Bijvoorbeeld tuchtrecht en bestuurlijk sanctierecht vallen daarbuiten. Krabbe twijfelt aan de houdbaarheid van het voorbehoud, maar een ontvankelijkheidsbeslissing uit 1995 tegen Frankrijk doet vermoeden dat het EHRM dit aspect van het Nederlandse voorbehoud zal aanvaarden.20