Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.2.a
3.2.a Art. 14 lid 5 IVBPR: achtergrond en werking
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS611940:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over (de totstandkoming en handhaving van) het IVBPR – ook wel aangeduid als het Verdrag van New York of BUPO – en de relatie met andere VN-instrumenten waaronder de Universele verklaring voor de rechten van de mens Van Dijk 1987; Van Boven 1991; Walkate 1991; McGoldrick 1994, Weissbrodt 2001; Nowak 2005; Joseph & Castan 2013;
Vgl. Medina 2014, p. 316-319 over artikel 8 lid 2, onderdeel h, van het Amerikaanse Verdrag voor de Mensenrechten van 22 november 1969 dat eveneens een recht op beroep bevat.
Zie voor de tekstvoorstellen achtereenvolgens Amendement Israël (6 november 1959), UN Doc A/C.3/L.795; Gewijzigd Amendement Israël (19 november 1959), UN Doc A/C.3/L.795/Rev.1; Gewijzigd amendement Israël (19 november 1959) A/C.3/L.795/ Rev.2; Subamendement Ceylon (20 november 1959), UN Doc A/C.3/L.818; en Gewijzigd Amendement Israël (23 november 1959), UN Doc A/C.3/L.795/Rev.3. Zie voor het Verslag van de Algemene Vergadering, Derde Commissie (19 tot 25 november 1959), UN Doc A/C.3/SR.961-967; zie over de totstandkoming De Hullu 1989, p. 139-141.
Verdrag van 16 december 1966 (Trb. 1969, 99), inwerkingtreding voor Nederland op 11 maart 1979 (Trb. 1978, 177). Zie enkele rectificaties in Trb. 2012, 69.
Zie aanvankelijk HR 14 april 1980, NJ 1981/401, m.nt. Van Veen; HR 18 februari 1986, NJ 1987/62.
Zie bijv. HR 7 mei 1985, AA 1986, p. 142-148 m.nt. Vermunt; HR 11 februari 1986, NJ 1986/61; HR 12 maart 2002, NJ 2002/317, m.nt. Schalken; HR 11 februari 2003, NJ 2003/ 275; HR 10 januari 2006, NJ 2006/66; zie tevens Heringa 1987, p. 116-117.
HR 6 januari 1998, NJ 1998/644; zo ook P-G Fokkens in zijn conclusie voor HR 31 maart 2009, NJ 2010/338, m.nt. Buruma; vgl. De Hullu 1989, p. 158-161.
Aldus ook A-G Machielse in zijn conclusie voor HR 6 januari 1998, NJ 1998/644; Krabbe 2004, p. 187; Spronken 2010, p. 2019.
Vgl. Fleuren 2004, p. 66.
Zoals HR 7 mei 1996, NJ 1996/584; HR 14 juni 2011, NJ 2013/533, m.nt. Mevis
HR 3 mei 1989, NJ 1991/167; HR 11 oktober 1989, NJ 1990/812.
Zie algemeen over voorbehouden bij mensenrechtenverdragen Lijnzaad 1994.
Zie de Goedkeuringsrijkswet van 24 november 1978 (Stb. 1978, 624); tegen dit voorbehoud is door andere staten geen bezwaar gemaakt.
Kamerstukken II 1975/76, 13932 (R 1037), nr. 1-6, p. 25, 44 en 63.
CRM 31 maart 1983, nr. 75/1980 (Fanali/Italië) waarover De Hullu 1989, p. 145-146; zie voor een volledig voorbehoud ten aanzien van artikel 14 lid 5 IVBPR voorts CRM 15 juli 1994, nr. 451/1991 (Harward/Noorwegen).
De geschiedenis van het verdragsrecht op beroep begint in 1959.1/2 Tijdens de onderhandelingen over het recht op een eerlijk proces van artikel 14 van het IVBPR stelde de Israëlische afgevaardigde Baror voor om aan die bepaling een vierde lid toe te voegen: Everyone convicted of crime – other than petty offences – shall have the right to appeal against conviction and sentence to a higher court. Na een wisseling van standpunten, een subamendement van Ceylon en een vernummering evolueerde dit voorstel tot de huidige verdragstekst.3 Vastgesteld in 1966, trad het IVBPR voor Nederland in werking op 11 maart 1979. De definitieve Engelse tekst van artikel 14 lid 5 van het verdrag luidt:4
Everyone convicted of a crime shall have the right to his conviction and sentence being reviewed by a higher tribunal according to law.
De Nederlandse vertaling luidt:
Een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld heeft het recht de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet.
De beknopte tekst van dit artikellid bevat op het eerste gezicht geen beperkingsclausule en heeft een heldere opbouw. De verschillen tussen de huidige tekst en het oorspronkelijke voorstel illustreren evenwel enkele belangrijkste twistpunten over het mensenrecht op beroep – dit komt later aan bod.
Na aanvankelijke terughoudendheid is de Hoge Raad thans van oordeel dat artikel 14 IVBPR behoort tot de een ieder verbindende verdragsbepalingen in de zin van de Grondwet.5 Aan verschillende onderdelen van die bepaling wordt in cassatie getoetst.6 In een arrest uit 1998 nuanceerde de Hoge Raad zijn oordeel over de werking van artikel 14 IVBPR ten aanzien van het recht op beroep. In cassatie werd opgekomen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hoger beroep tegen een op zichzelf staande beslissing over tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf. Volgens de Hoge Raad doet het middel tevergeefs een beroep op het vijfde lid van artikel 14 IVBPR “aangezien […] die bepaling niet een voor rechtstreekse toepassing door de rechter vatbaar voorschrift inhoudt waarbij aan de rechterlijke macht der onderscheiden verdragsstaten een grotere rechtsmacht wordt verleend dan de nationale wet haar toekent.”7 De toevoeging impliceert volgens mij dat artikel 14 lid 5 IVBPR niet rechtstreeks toepasbaar is voor zover wordt bepleit dat buiten bestaande competentieregelingen rechtsmacht wordt gevestigd, maar wél voor zover het vormgeving van een volgens nationaal recht reeds beschikbaar rechtsmiddel betreft.8 Het recht op beroep uit artikel 14 lid 5 IVBPR leent zich dus alleen ten aanzien van bepaalde klachten voor rechtstreekse toepassing door de Nederlandse rechter.9 Van dergelijke toepassing geeft de rechtspraak ook voorbeelden.10 Klachten die echter zijn gericht op het toepassen van rechtsmacht die volgens nationaal recht niet bestaat, moeten aan de wetgever worden geadresseerd.11
De werking van het recht op beroep wordt tot slot bepaald door enkele voorbehouden.12 Op artikel 14 lid 5 IVBPR maakte Nederland bij ratificatie in 1978 het volgende voorbehoud: “De Regering van het Koninkrijk handhaaft de wettelijke bevoegdheid van de Hoge Raad der Nederlanden om in enige instantie ambtsmisdrijven ten laste gelegd aan bepaalde categorieën van personen te berechten.”13 Volgens de regering wordt het gebrek aan beroepsmogelijkheden in een dergelijk geval gecompenseerd door het feit dat de Hoge Raad met tien raadsheren rechtspreekt, terwijl de vervolging door de voor het leven benoemde procureur-generaal plaatsvindt (art. 119 Gw; 483-485 Sv).14 Een soortgelijk Italiaans voorbehoud heeft het Comité voor de Rechten van de Mens geaccepteerd.15