Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/0.3.1
3.1 Algemeen
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Gerards & Fleuren 2014, p. 242-244.
EHRM 10 november 2005, appl.no. 54789/00 (Bocos-Cuesta/Nederland); EHRM 10 juli 2012, appl.no. 29353/06 (Vidgen/Nederland).
Voorbeelden: Jebbink 2007 over de beoordeling van getuigenverzoeken door de Hoge Raad; Franken 2006, p. 31-32 over de oproeping van opsporingsambtenaren als getuigen; Rozemond 2002, p. 1934 over getuigen die zich tijdens een ondervraging op hun verschoningsrecht beroepen; Schalken 2004, p. 239 en de noot van Schalken onder EHRM 2 juli 2002, NJ 2003, 671 (S.N./Zweden) over de beslissendheid van getuigenverklaringen. Ook hebben diverse advocaten-generaal bij de Hoge Raad geconcludeerd dat een gerechtshof het ondervragingsrecht niet voldoende had gerespecteerd, terwijl de Hoge Raad daar een andere opvatting over had. Zie bijvoorbeeld de conclusie van AG Vellinga bij HR 29 januari 2013, NJ 2013, 145 en de conclusies van AG Machielse bij HR 30 maart 2004, NJ 2004, 344 en HR 10 januari 2012, NJ 2012, 149.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk).
Het is bijvoorbeeld van belang om vast te stellen of het EHRM vóór EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk) compensatie accepteerde in geval van beslissende getuigenverklaringen, omdat de interpretatie van arresten van vóór het arrest Al-Khawaja & Tahery mede wordt bepaald door het antwoord op de vraag of het EHRM in dat arrest een andere opvatting heeft aangenomen met betrekking tot de betekenis van compenserende factoren. Het verklaart bijvoorbeeld waarom in EHRM 24 april 2007, appl.no. 14151/02 (W./Finland) een schending van het ondervragingsrecht werd aangenomen en waarom dit arrest niet meer als maatgevend mag worden aangemerkt. Daarom wordt in § 2.2.2 en 2.11 van hoofdstuk 7 aandacht besteed aan de ontwikkeling van de EHRM-jurisprudentie met betrekking tot compenserende factoren.
Een voorbeeld hiervan is de ontwikkeling van het criterium dat de Hoge Raad hanteert ter bepaling van het gewicht van de getuigenverklaring. Zie § 3.3.1 van hoofdstuk 6.
Het recht getuigen te ondervragen is vastgelegd in artikel 6 lid 3 sub d evrm. Het is een voor de praktijk zeer relevant recht. Het bewijs berust in veel strafzaken geheel of gedeeltelijk op getuigenverklaringen. Het is belangrijk om te weten in welke gevallen getuigenverzoeken mogen worden afgewezen en in welke gevallen de onmogelijkheid een getuige te ondervragen consequenties moet hebben voor de bruikbaarheid van een eerder door de getuige afgelegde verklaring.
Het ehrm heeft in omvangrijke jurisprudentie uitgelegd wat de betekenis van artikel 6 lid 3 sub d evrm is en op welke manier deze bepaling moet worden toegepast. De bepaling heeft op grond van de artikelen 93 en 94 van de Nederlandse Grondwet rechtstreekse werking binnen de Nederlandse rechtsorde. Desondanks worden de Straatsburgse regels en uitgangspunten met betrekking tot het ondervragingsrecht doorgaans niet rechtstreeks toegepast in het Nederlandse strafrecht. De wetgever en de Hoge Raad hebben daarvan een vertaalslag gemaakt.1 Dit heeft geresulteerd in Nederlandse rechtsregels die dikwijls anders zijn geformuleerd dan de regels en uitgangspunten die uit de Straatsburgse jurisprudentie kunnen worden afgeleid. Dat roept de vraag op of de toepassing van de Nederlandse rechtsregels leidt tot uitspraken die Straatsburg-proof zijn.
Nederland is in zaken met niet-anonieme getuigen tot nu toe tweemaal terecht gewezen door het ehrm.2 Dat vormt geen indicatie dat het ondervragingsrecht in Nederland op grote schaal met voeten wordt getreden. In de literatuur is echter ten aanzien van verschillende aspecten van het ondervragingsrecht betoogd dat Nederland niet in de pas loopt of liep met de jurisprudentie van het ehrm.3 Die literatuur heeft doorgaans betrekking op deelaspecten van het ondervragingsrecht en dateert dikwijls van vóór het standaardarrest Al-Khawaja & Tahery, dat het ehrm eind 2011 wees.4 In dit onderzoek zullen alle aspecten van het recht niet-anonieme belastende getuigen te ondervragen in samenhang met elkaar worden onderzocht. Het onderzoek is afgesloten op 1 januari 2015.
De volgende onderzoeksvraag zal worden beantwoord:
Is het geldende Nederlandse recht met betrekking tot de ondervraging van belastende, niet-anonieme getuigen in strafzaken in overeenstemming met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens?
Deze onderzoeksvraag is positiefrechtelijk van aard. Het beschrijven van rechtsontwikkelingen draagt niet bij aan de beantwoording van de vraag. Desondanks zal hier en daar een beknopt overzicht worden gegeven van de ontwikkeling van een bepaald aspect van het ondervragingsrecht. Hiermee kunnen twee doelen worden gediend, die wél samenhangen met de beantwoording van de onderzoeksvraag. Het eerste doel is het onderzoeken of en, zo ja, in welke mate oudere jurisprudentie met betrekking tot het desbetreffende aspect nog relevant kan zijn voor de vaststelling van de betekenis van het ondervragingsrecht.5 Het tweede doel is het bieden van inzicht in de betekenis van een bepaalde rechtsregel wanneer deze rechtsregel voortbouwt op oudere jurisprudentie.6
De onderzoeksvraag is niet normatief van aard. Ik heb niet onderzocht op welke wijze het ondervragingsrecht zou moeten worden gewaarborgd. Dergelijk onderzoek zou om een andere onderzoeksopzet vragen. Het zou bijvoorbeeld een sterker rechtsvergelijkend karakter moeten hebben. In essentie heb ik de regels en uitgangspunten die voor de toepassing van het ondervragingsrecht van belang zijn, in kaart gebracht. Deze regels en uitgangspunten heb ik geëvalueerd wanneer daartoe aanleiding bestond. Die aanleiding heeft bestaan wanneer de betekenis van een regel of uitgangspunt niet duidelijk was, wanneer bepaalde situaties niet werden gedekt door een regel of uitgangspunt en wanneer verschillende rechterlijke uitspraken niet consistent leken te zijn. Een aantal aspecten van het ondervragingsrecht die te ver verwijderd zijn van de onderzoeksvraag, maar tijdens het onderzoek wel in het oog sprongen, heb ik in hoofdstuk 8 onder de aandacht gebracht in de vorm van aanbevelingen.