Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/0.3.2
3.2 Afbakening van de onderzoeksvraag
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 8 juni 1976, appl.nos. 5100/71 e.a. (Engel e.a./Nederland), § 82.
In EHRM 21 februari 1984, appl.no. 8544/79 (Öztürk/Duitsland), § 46-56 was een bestuursrechtelijke boete opgelegd. Het EHRM oordeelde dat sprake was van een criminal charge. Zie over fiscale verhogingen EHRM 24 februari 1994, appl.no. 12547/86 (Bendenoun/Frankrijk), § 47 en EHRM (GC) 23 november 2006, appl.no. 73053/01 (Jussila/ Finland), § 32.
EHRM 26 maart 2002, appl.no. 59580/00 (dec.) (B.H./Verenigd Koninkrijk).
In verreweg de meeste zaken waarin het EHRM heeft geoordeeld over het ondervragingsrecht, was de klager overigens veroordeeld in een procedure die naar het nationale recht van de desbetreffende verdragsstaat als strafrechtelijk moest worden aangemerkt.
Zo wordt in Nederlandse bestuursrechtelijke zaken zo nu en dan een beroep gedaan op het ondervragingsrecht. In ABRvS 3 juli 2013, AB 2013, 275 was aan een bedrijf een boete opgelegd wegens overtreding van de Drank- en horecawet. Het bedrijf ging hiertegen in beroep. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State was van oordeel dat het ondervragingsrecht van het bedrijf niet was gerespecteerd, omdat de vertegenwoordigers van het bedrijf de controleambtenaren die het boeterapport hadden opgemaakt, niet hadden kunnen ondervragen. In de meeste gevallen hebben de hoogste bestuursrechters overigens geoordeeld dat het ondervragingsrecht niet in de weg stond aan de oplegging van een boete. Zie bijvoorbeeld ABRvS 4 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN3197. Momenteel is een Nederlandse zaak aanhangig bij het EHRM waarin is geklaagd over het uitblijven van de oproeping van getuigen in een bestuursrechtelijke zaak (appl.no. 39966/09).
Zie daarover § 5.3 van hoofdstuk 1.
Uit de EHRM-jurisprudentie blijkt echter geen eenduidige opvatting daarover. Zie daarover § 5.3.2 van hoofdstuk 1.
Voor een groot deel komt de Nederlandse invulling van het begrip ‘getuige’ overeen met de Straatsburgse invulling ervan. Zie daarover § 5.3.1 van hoofdstuk 1.
EHRM 10 april 2012, appl.nos. 46099/06 & 46699/06 (dec.) (Ellis, Simms & Martin/ Verenigd Koninkrijk). Zie over de betekenis van dit arrest De Wilde 2012b en De Wilde 2013b.
Ook beperkt anonieme getuigen – die naar Nederlands recht niet als anonieme getuigen worden aangemerkt: Kamerstukken II 1991/92, 22 483, nr. 3 (MvT), p. 38 – en niet-anonieme afgeschermde getuigen vallen buiten het bereik van het onderzoek.
EHRM 4 juli 2000, appl.no. 43149/98 (dec.) (Kok/Nederland). Nederland is wel een aantal malen op de vingers getikt met betrekking tot het gebruik van anonieme getuigenverklaringen. Zie bijvoorbeeldEHRM14 februari 2002, appl.no. 26668/95 (Visser/Nederland). Dat toepassing van de regels kan leiden tot uitspraken die de Straatsburgse toets kunnen doorstaan, neemt niet weg dat rechters het ondervragingsrecht kunnen schenden wanneer zij de feiten en omstandigheden anders beoordelen dan het EHRM zou doen.
Zie daarover de noot van Borgers onder HR 20 december 2011, NJ 2012, 412 en De Wilde 2012b, p. 2337-2338.
Zie ten aanzien van de toepassing van de regelingen betreffende beperkt anonieme en bedreigde getuigen Dreissen & Nauta 2012, p. 62-63 en ten aanzien van de regeling voor afgeschermde getuigen – die in 2012 nog nooit was toegepast – Bokhorst 2012. De Hoge Raad beoordeelt tegenwoordig bovendien zelden meer klachten over anoniem getuigenbewijs, terwijl hij daarover in de jaren ’90 een groot aantal arresten heeft gewezen.
Dezelfde persoon kan zowel een belastende als een ontlastende getuige zijn. Zie daarover § 5.3.1 van hoofdstuk 1.
De rapporten van het Mensenrechtencomité kunnen worden geraadpleegd in de database van het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten (SIM): http://sim.law.uu.nl/sim/Dochome.nsf.
Dat neemt niet weg dat uitspraken van het Mensenrechtencomité invloed kunnen hebben op de beoordeling door nationale en internationale gerechten. Zie bijvoorbeeld Internationaal Gerechtshof 30 november 2010 (Guinea/Congo), C.I.J. Recueil 2010, p. 639-694, § 66. Ondanks het niet-bindende karakter van de uitspraken, is het voorgekomen dat een klacht tegen Nederland is ingediend wegens schending van het ondervragingsrecht. Zie Mensenrechtencomité 19 oktober 1993, nr. 510/1992 (P.J.N./Nederland).
Zie daarover § 2 van hoofdstuk 2.
2010/C 83/02.
Ook ten aanzien van de uitleg van EU-Kaderbesluiten die voor de uitoefening van het ondervragingsrecht relevant kunnen zijn, sluit het EG Hof van Justitie aan bij de EHRM-jurisprudentie. Zie HvJ EG 16 juni 2005, zaak C-105/03 (Pupino) en HvJ EG 9 oktober 2008, zaak C-404/07 (Katz), § 48-49 over het kaderbesluit 2001/220/JBZ inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure.
Zie daarover § 8.8 van hoofdstuk 1.
Strafzaken
Het ondervragingsrecht van artikel 6 lid 3 sub d evrm heeft betrekking op verdachten die zijn ‘charged with a criminal offence’. Niet alleen zaken die volgens het nationale recht van de verdragsstaten als strafzaken worden aangemerkt, vallen hieronder. Ook wanneer een zaak naar nationaal recht niet als een strafzaak wordt beschouwd, kan het ondervragingsrecht van toepassing zijn. Bij de beoordeling of dat het geval is zijn de aard van de overtreding en de aard en ernst van de sanctie die de desbetreffende persoon riskeerde, van belang.1 In geval van bijvoorbeeld de oplegging van een bestuurlijke boete of een fiscale verhoging kan de persoon die de boete of de verhoging opgelegd krijgt, zich beroepen op het ondervragingsrecht.2
Zelfs wanneer geen sprake is van een criminal charge, kan het ondervragingsrecht van belang zijn, aangezien het ehrm heeft geoordeeld dat dit recht ook van toepassing is in civielrechtelijke zaken.3
Dit onderzoek heeft uitsluitend betrekking op het recht getuigen te ondervragen in zaken die naar Nederlands recht als strafzaken worden aangemerkt.4 In hoofdstuk 1 zal weliswaar een iets bredere benadering worden gekozen, maar dat heeft slechts als doel om de reikwijdte van het ondervragingsrecht duidelijk te maken. Er zal niet worden onderzocht wat de betekenis van het ondervragingsrecht is voor Nederlandse niet-strafrechtelijke procedures. In dergelijke procedures kan het ondervragingsrecht zeker relevant zijn.5 Het zou daarom een vervolgonderzoek waard zijn om de betekenis van het ondervragingsrecht in niet-strafrechtelijke procedures te onderzoeken. Dat geldt ook voor de rol van het ondervragingsrecht in bijzondere procedures die wél tot het strafrecht behoren, zoals de procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het onderzoek is echter beperkt tot strafzaken waarin een rechter onderzoekt of de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.
Deze beperking is om twee redenen aangebracht. In de eerste plaats lijkt het ondervragingsrecht vooral relevant te zijn in ‘gewone’ strafzaken. Het leeuwendeel van de beslissingen van het ehrm heeft daarop betrekking. Ook in de Nederlandse rechtspraak wordt het ondervragingsrecht voornamelijk ingeroepen in ‘gewone’ strafzaken. In de tweede plaats zou het onderzoek te omvangrijk zijn geworden wanneer ook de betekenis van het ondervragingsrecht in niet-strafrechtelijke procedures en bijzondere strafrechtelijke procedures zou zijn onderzocht.
Getuigen
De term ‘getuige’ heeft in de ehrm-jurisprudentie een autonome betekenis.6 Uit de ehrm-jurisprudentie lijkt te mogen worden afgeleid dat ook personen die naar Nederlands recht als deskundigen worden beschouwd, naar Straatsburgs recht als getuige worden aangemerkt.7 In dit onderzoek wordt met de term ‘getuige’ gedoeld op personen die naar Nederlands recht als getuigen worden aangemerkt.8 Het recht deskundigen te ondervragen zal derhalve niet worden uitgewerkt.
Niet-anonieme getuigen
Wanneer een getuige slechts anoniem kon worden ondervraagd, is sprake van een beperking van het ondervragingsrecht. Het ehrm heeft een beslismodel ontwikkeld voor de beoordeling van het gebruik van anonieme getuigenverklaringen voor het bewijs.9 Dit beslismodel vertoont veel gelijkenis met het beslismodel dat het ehrm hanteert met betrekking tot de ondervraging van niet-anonieme getuigen. Op grond hiervan had ervoor kunnen worden gekozen om ook aandacht te besteden aan anonieme getuigen. Desondanks zijn anonieme getuigen buiten het onderzoek gelaten.10 Hiervoor bestaan twee redenen. In de eerste plaats bestaat ten aanzien van anonieme getuigen geen aanleiding om te veronderstellen dat het ehrm hogere eisen stelt dan het Nederlandse strafprocesrecht. Een aanwijzing daarvoor is dat de procedure met betrekking tot bedreigde getuigen (art. 226a-226f Sv) in de zaak Kok Straatsburg-proof is gebleken.11 Toepassing van de regel van artikel 344a lid 3 Sv lijkt bovendien in te houden dat in meer gevallen dan uit de ehrm-jurisprudentie kan worden afgeleid, anonieme getuigenverklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs.12 In de tweede plaats lijkt anoniem getuigenbewijs de laatste jaren minder vaak te worden gebruikt in Nederlandse strafzaken.13
Belastende getuigen
Artikel 6 lid 3 sub d evrm omvat twee rechten: het recht belastende getuigen te ondervragen en het recht ontlastende getuigen te ondervragen. Het ehrm beoordeelt op duidelijk verschillende wijzen of deze rechten zijn gerespecteerd, al kunnen ook overeenkomsten worden aangewezen. Het recht ontlastende getuigen te ondervragen wordt door het ehrm niet snel geschonden geacht. De jurisprudentie van de Hoge Raad lijkt ook in overeenstemming te zijn met de Straatsburgse jurisprudentie. Daarom is het recht ontlastende getuigen te ondervragen in dit onderzoek in beginsel buiten beschouwing gelaten. In hoofdstuk 1 zal er desondanks enige aandacht aan worden besteed, omdat het relevant is om vast te stellen in welke gevallen een persoon als belastende getuige moet worden beschouwd. Dat is alleen goed mogelijk wanneer ook duidelijk is in welke gevallen een getuige als ontlastende getuige moet worden aangemerkt.14
Keuze voor vergelijking met EVRM
In dit onderzoek wordt het Nederlandse recht getoetst aan het evrm en in het bijzonder aan de daarop gebaseerde jurisprudentie van het ehrm. Het ondervragingsrecht is ook in andere verdragen gegarandeerd. Een bepaling met vrijwel dezelfde inhoud komt voor in artikel 14 lid 3 sub e van het ivbpr. Ook deze bepaling heeft rechtstreekse werking binnen de Nederlandse rechtsorde en ook over deze bepaling bestaat jurisprudentie: het Mensenrechtencomité van de VN heeft zich uitgelaten over klachten betreffende de schending van deze bepaling.15 Desondanks wordt het ivbpr in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. De rapporten van het Mensenrechtencomité zijn niet bindend voor de verdragsstaten.16 Het ehrm kan daarentegen uitspraken doen die bindend zijn voor de aangeklaagde verdragspartij wanneer een schending wordt vastgesteld. Van ehrm-uitspraken tegen andere verdragspartijen gaat bovendien een res interpretata-werking uit: de interpretatie van evrm-bepalingen wordt in hoogste instantie bepaald door het ehrm.17 In de nationale procedure wordt ook zelden een beroep gedaan op het ivbpr in zaken waarin het ondervragingsrecht wordt ingeroepen. Wel wordt regelmatig rechtstreeks een beroep gedaan op artikel 6 lid 3 sub d evrm.
Een groot aantal in het evrm gegarandeerde mensenrechten is ook vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.18 Artikel 47 van het Handvest geeft het recht op een eerlijke procedure. De specifieke verdedigingsrechten die in artikel 6 lid 3evrm worden gegarandeerd, worden – met uitzondering van het recht op rechtsbijstand – niet in het Handvest genoemd. Om te voorkomen dat de uitleg door het eg Hof van Justitie van een in het Handvest opgenomen recht beperkter is dan de uitleg van dat recht door het ehrm, bepaalt artikel 52 lid 3 van het Handvest dat de uitleg door het ehrm moet worden gevolgd. Een ruimere uitleg is wel toegestaan. Tot nu heeft het eg Hof van Justitie nog geen uitspraken gedaan over het recht getuigen te ondervragen. Omdat de jurisprudentie van het ehrm leidend zal zijn voor de uitleg van het recht op een eerlijke procedure, is het eu-recht in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten.19
Voor het beantwoorden van de onderzoeksvraag is het niet noodzakelijk het recht van andere staten in kaart te brengen met betrekking tot de ondervraging van getuigen. Bij het evrm zijn 47 verdragsstaten aangesloten. De jurisprudentie van het ehrm is op hen alle van toepassing. Dat neemt niet weg dat hier en daar aandacht zal worden besteed aan bijzondere aspecten van het recht van bepaalde verdragsstaten, omdat deze aspecten van belang kunnen zijn geweest voor de beoordeling door het ehrm.20