Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.2.4.2
II.5.2.4.2 ‘Onmiddellijkheids’-vereiste
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623676:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Commissie Erfrecht II, p. 168. Vgl. hiermee § 2065 II BGB waarin Drittbestimmung zowel ten aanzien van het subject van de verkrijging (de erfgenamen) als ten aanzien van het object van de verkrijging (de erfdelen) wordt verboden.
Rapport Commissie Erfrecht II, p. 168.
Om willekeur te voorkomen, dient de broer dan te handelen met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid. Zie ook paragraaf 4.3.5 ‘Objectivering door redelijkheid en billijkheid voorkomt willekeur’.
Men zou eventueel kunnen betogen dat het woord ‘aandeel’, een bepaald breukdeel impliceert.
Louter gelet op de definitie van de erfstelling in art. 4:115 BW lijkt het erop dat het niet nodig is dat de erfdelen op het moment van erflaters overlijden onmiddellijk vaststaan ofwel volledig door de erflater in zijn erfstelling moeten zijn bepaald. De woorden ‘daarbij aangewezen’, waarin het ‘onmiddellijkheids’-vereiste ten aanzien van het bepalen van de erfgenamen besloten ligt, staan immers niet voor het woord ‘aandeel’. Het hoeft anders gezegd niet te gaan om een ‘daarbij aangewezen aandeel’. ‘Daarbij aangewezen’ heeft enkel betrekking op de erfgenamen. In dit verband merkte de Commissie Erfrecht in haar Rapport op dat men verzuimt af te grendelen de bevoegdheid van de erflater om de omvang van de erfstelling door een derde te laten bepalen.1 Als voorbeeld wordt door de Commissie Erfrecht vervolgens de erfstelling genoemd waarin de erflater tot zijn erfgenamen benoemt de kinderen van zijn broer ‘voor de delen van mijn nalatenschap als mijn broer zal bepalen’.2 Wilsdelegatie ten aanzien van de erfdelen zou dan zijn toegestaan.3
Anders dan het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid dat geldt voor de ingestelde erfgenamen, ligt er in de definitie van de erfstelling geen expliciet vereiste besloten dat de erfdelen onmiddellijk vast moeten staan op het moment dat erflater overlijdt.4 Maar wellicht vloeit dit vereiste wel impliciet voort uit de aard van de erfstelling, te weten een onmiddellijke opvolging in het geheel van erflaters goederen en schulden of in een aandeel daarvan. Zou in het gegeven dat het hier goederenrechtelijke belangen betreft, wellicht een bepaaldheidsvereiste besloten liggen dat geen ruimte biedt voor subjectieve elementen (vgl. paragraaf 4.4 en paragraaf 5.2.2)?