Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/9.5:9.5 Verschil tussen de benadering van de wetgever van 2014 en die van 1932
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/9.5
9.5 Verschil tussen de benadering van de wetgever van 2014 en die van 1932
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS450431:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen I 1932/33, 6, p. 44.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het godsbegrip heeft een belangrijke rol gespeeld in de parlementaire geschiedenis van de afschaffing van het godslasteringsverbod. Het gaat dan meer concreet om de uitleg door de wetgever van de wettelijke termen ‘godslastering’ en ‘godsdienstige gevoelens’. We kunnen concluderen dat de wetgever van 2014 deze termen zo heeft geïnterpreteerd dat ze in strijd zijn met de gelijke behandeling van de verschillende godsdiensten. Volgens de wetgever zouden deze termen monotheïstische en met name de christelijke godsdienst bevoordelen. Gezien de wetsgeschiedenis van het godslastering-verbod (zie 8.2) is deze uitleg te beperkt. De gedachte achter het godsbegrip dat ten grondslag lag aan het godslasteringsverbod is dat dit begrip zou kunnen mee-veranderen met de maatschappij. Het is niet zo dat de wetgever beoogde uitsluitend de ‘godsdienstige gevoelens’ te beschermen zoals die aanwezig waren in de maatschappij van 1932. Het ging de wetgever erom de gevoelens te beschermen die op enig moment van inroepen van het godslasteringsverbod leven. Vanuit dit gezichtspunt zou in de huidige tijd het godslasteringsverbod ook betrekking kunnen hebben op gevoelens van gelovigen van niet-christelijke en ook niet-monotheïstische godsdiensten.
Gesteld kan worden dat het belang dat de wetgever van 2014 hecht aan een gelijke behandeling van alle godsdiensten, ook van de niet-traditionele niet-monotheïstische, past binnen een accommodationistisch politiek-filosofisch ideaaltype. Het schrappen van het godslasteringsverbod is echter een zeer rigoureuze manier om te komen tot een gelijke behandeling van godsdiensten en levensovertuigingen. De wetgever had ook, zoals voorgesteld door de Raad van State en ook in het parlement is verdedigd, een meer multiculturele benadering kunnen volgen door het godslasteringsverbod zo aan te passen dat buiten twijfel was komen te staan dat het verbod ook betrekking had op godsdienstige gevoelens van andere godsdiensten dan de monotheïstische en dan met name de christelijke. Eventueel had men dan zelfs, indien dit praktisch haalbaar zou zijn, het verbod niet alleen van toepassing kunnen laten zijn op de godsdienstige gevoelens met betrekking tot verschillende godsbegrippen maar ook op bepaalde levensbeschouwelijke gevoelens. Met een dergelijke benadering zou de gelijke behandeling van de verschillende godsdiensten en levensovertuigingen ook zijn bewerkstelligd.
Het schrappen van de bescherming van religieuze gevoelens past meer in een seculiere benadering. Godsdienstige gevoelens worden hierdoor niet meer in het publieke domein beschermd. Hieraan ligt een begrip van godsdienst ten grondslag dat veronderstelt dat het hebben van godsdienstige gevoelens een privéaangelegenheid is die niet hoort te worden beschermd door publieke middelen. Wellicht ook dat de keuze voor de seculiere benadering een optelsom is geweest van de wens om de verschillende godsdiensten en levensbeschouwingen gelijk te behandelen en de wens om een ander liberaal ideaal op een voetstuk te plaatsen: de vrijheid van meningsuiting. Dat zou passen in het tijdsbeeld waarin de de vrijheid van meningsuiting de facto, niet de jure, onder druk is komen te staan vanwege de angst voor aanslagen door moslimterroristen.1 Het gevolg is wel dat de bescherming van godsdienst kleiner is geworden, althans ten aanzien van het forum externum. Godsdienstige gevoelens ten aanzien van God worden niet meer beschermd tegen krenking in het publieke domein.