Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/6.6.2:6.6.2 Is de onverdoofde rituele slacht een uitdrukkelijke expressie van godsdienst?
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/6.6.2
6.6.2 Is de onverdoofde rituele slacht een uitdrukkelijke expressie van godsdienst?
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS456409:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap 2011, p. 1.
Handelingen I 2011/12, 12-2, p. 12 (13 december 2011).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Thieme brengt verschillende argumenten naar voren waarom zij vindt dat onverdoofde rituele slacht moet worden verboden. Ten aanzien van het begrip godsdienst is er één argument van belang. Dit argument behelst haar opvatting dat het onverdoofd slachten geen aspect is dat kan worden aangemerkt als uitdrukkelijke expressie van godsdienst. Volgens Thieme beoogt het wetsvoorstel niet de rituele slacht an sich te verbieden maar enkel het nalaten van een extra handeling, te weten de bedwelming van het dier. In de zienswijze van Thieme is het nalaten van deze handeling niet noodzakelijk (necessary) om de rituele slacht te kunnen uitvoeren. Om die reden stelt zij dat een verbod op onverdoofd ritueel slachten niet in strijd is met de godsdienstvrijheid.
De wens om onbedwelmd te slachten kan in de zienswijze van Thieme niet worden gezien als een noodzakelijke uitdrukking van een godsdienst aangezien er volop alternatieven beschikbaar zijn die naar huidig inzicht dierenwelzijn bevorderend zijn en die stroken met de diervriendelijke intentie achter de rite.1 Dit betekent volgens Thieme dat aan gelovigen minder ruimte moet worden verschaft om zich op de godsdienstvrijheid te beroepen. Thieme betoogt:
‘dat de zogeheten interpretatieve terughoudendheid niet meebrengt dat op grond van het enkele feit dat een deel van de aanhangers van een mondiale religie stelt dat handelingen ter uitvoering van een religieuze rite slechts op één bepaalde wijze zouden mogen plaatsvinden, het recht aan de overheid moet worden ontzegd om na te gaan of die handelingen wel zijn aan te merken als een “necessary expression” van de godsdienstvrijheid.’2
Volgens Thieme mag de overheid oordelen dat het niet willen verdoven bij rituele slacht geen uitdrukkelijke expressie is van godsdienst en is een dergelijk oordeel niet in strijd met het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid.
Deze opvatting leverde Thieme de nodige kritiek op. Zo bracht het NIK naar aanleiding hiervan naar voren dat ritueel slachten behoort tot de kern van de joodse identiteit en dat er voor religieus levende joden geen alternatief bestaat voor vlees dat is geslacht door middel van een halssnede en verbloeding. Volgens het NIK is geen enkele vorm van bedwelming toegestaan, ook geen bedwelming die reversibel is.3 Deze reactie van het NIK wijst erop dat het niet zo is dat gelovigen zelf van mening zijn dat de religieuze bezwaren tegen ritueel slachten zijn weggenomen vanwege de technologische ontwikkeling van bedwelming maar dat het vooral Thieme zelf is die deze opvatting heeft. Ze maakt zich schuldig aan ‘hineininterpretieren’: ze kiest een betekenis van rituele slacht die het best past bij haar opvatting. Daarmee geeft ze blijk weinig rekening te houden met de terughoudende rol die de wetgever conform het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid hierin heeft.
De Raad van State stelde in zijn advies naar aanleiding van het wetsvoorstel dat een verbod op onverdoofd ritueel slachten de facto een verbod is op ritueel slachten. Volgens de Raad dient de wetgever zich gezien de scheiding tussen kerk en staat niet inhoudelijk uit te laten over de wijze waarop ritueel slachten volgens de godsdienst zou moeten plaatsvinden. Hij mag geen oordeel hebben over de theologische juistheid van een bepaalde opvatting hieromtrent. Aangezien een deel van de aanhangers van de religies waarin ritueel slachten plaatsvindt de overtuiging aanhangt dat onverdoofd ritueel slachten niet is toegestaan dient de staat in wetgeving de mogelijkheid te erkennen dat het onbedwelmd ritueel slachten een religieuze gedraging is, aldus de Raad. Met andere woorden, de staat zou volgens de Raad in wetgeving een subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst moeten hanteren. De staat zou in wetgeving ermee rekening moeten houden dat het niet bedwelmen bij rituele slacht is ingegeven door religie. In de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer hebben veel oppositiepartijen sympathie voor Thiemes opvatting dat het ontbreken van de bedwelming bij rituele slacht geen uitdrukkelijke expressie is van godsdienst. Zo stelt de SP in de schriftelijke behandeling van het voorstel, in navolging van Thieme, dat de religieuze bezwaren tegen bedwelming niet meer kunnen opgaan met de hedendaagse techniek van reversibele bedwelming. Daarmee lijkt de SP net als Thieme impliciet van mening te zijn dat de overheid voor gelovigen zou mogen uitmaken hoe de religieuze voorschriften ten aanzien van ritueel slachten dienen te moeten worden uitgelegd. De ChristenUnie keert zich juist fel tegen deze benadering en beklemtoont dat de wetgever terughoudend moet zijn met de interpretaties van religies en wat er allemaal wel of niet mogelijk zou moeten zijn binnen een religie.
De SGP vat in de plenaire vergadering van de Eerste Kamer het standpunt van Thieme als volgt samen: Thieme wil de onverdoofde slacht verbieden, wat volgens haar geen beperking is van de godsdienstvrijheid omdat verdoofde rituele slacht mogelijk blijft. De vraag die door de SGP, maar ook andere partijen werd gesteld, is of dit geen contradictio in terminis is. Anders gezegd, is rituele slacht wel rituele slacht wanneer wel wordt verdoofd? En wie bepaalt dit? De overheid of de religieuze groepen die drager zijn van het grondrecht zelf? Thieme lijkt van het eerste uit te gaan terwijl in de Eerste Kamer veel partijen benadrukken dat deze definiëring juist toekomt aan de religieuze groeperingen zelf.4