Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/15.2.5.3
15.2.5.3 Het meeste stemrechten-criterium
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS368847:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Idem De Groot 2007, p. 24.
Kamerstukken II, 2005/06, 30 419, nr. 4, p. 11. De toelichting die de Minister hierbij geeft is op een aantal punten onnauwkeurig. Zo wordt er gesproken van twee “bieders” terwijl de acting in concertregeling veel ruimer is (§ 11.5.2). Bovendien is onduidelijk waarom de toelichting hier spreekt van “rechtspersonen” terwijl de regeling niet in die zin beperkt is. Ten slotte wordt verwezen naar sub i terwijl de vrijstelling – ook in het oorspronkelijke wetsvoorstel – in sub h geregeld is.
Ik merk hier vast op dat dit ook de kern is van de door mij bepleite generieke vrijstelling voor elke change of control binnen een bestaand vrijgesteld samenwerkingsverband (§ 15.3.2); omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid ligt het voor de hand de toepassingsvoorwaarden van die vrijstelling en de vrijstelling bij gelijktijdige verwerving van overwegende zeggenschap gelijk te trekken.
Daartoe Doorman 2008-2, p. 510 en een van de consultatiereacties op het Ontwerp Vrijstellingsbesluit Overnamebiedingen Wft (zie NvT, Stb. 2008/27, p. 5).
Het verbreden van die vrijstelling buiten groepsverhoudingen is al eens bepleit. De Minister wilde hier toen niet aan, zie NvT, Stb. 2008/27, p. 5.
De biedplicht rust krachtens art. 5:71 lid 1 sub h Wft enkel op degene die de meeste stemrechten kan uitoefenen. Hoewel dat er niet staat met zoveel woorden, neem ik aan dat bedoeld is: de meeste stemrechten in de doelvennootschap.1 Doorgaans zal degene die de meeste stemrechten in de doelvennootschap kan uitoefenen ook de meeste stemrechten in het samenwerkingsverband kunnen uitoefenen. Noodzakelijk is dit niet; het staat partijen vrij iets anders af te spreken.
Op het eerste gezicht is het in de vrijstellingsregeling van art. 5:71 lid 1 sub h Wft gehanteerde meeste stemrechten-criterium een helder en praktisch toepasbaar criterium. Bij nadere beschouwing echter blijkt een aantal knelpunten te bestaan (sub I). Er zijn twee alternatieven beschikbaar (sub II).
I. Knelpunten
i. Toerekening en het meeste stemrechten-criterium
Al eerder kwam aan de orde dat het meeste stemrechten-criterium moeilijk te verenigen is met het aan de acting in concert-regeling ten grondslag liggende principe van de wederzijdse toerekening (§ 12.2.3.3 sub II). Dit principe leidt tot de fictie dat alle betrokkenen exact evenveel stemrechten kunnen uitoefenen. Strikt genomen kan bij wederzijdse toerekening niemand de meeste stemrechten uitoefenen en in dat geval is de vrijstelling volgens de toelichting niet van toepassing.2 Als gezegd kan dit dilemma wel worden opgelost door twee “telrondes” te houden, een voor de vraag of een biedplicht is ontstaan (wel wederzijdse toerekening) en een voor de vraag op wie die biedplicht rust (geen wederzijdse toerekening). Maar, het is zeer de vraag of de OK daar ook aan wil (§ 12.2.3.3 sub II).
ii. De beperkte reikwijdte van het “meeste stemrechten-criterium”
Het criterium van het kunnen uitoefenen van de meeste stemrechten is niet alleen onduidelijk, maar heeft bovendien een beperkte reikwijdte. Het biedt geen uitkomst in gevallen waarin de beslissingsmacht niet is gebaseerd op een stemmenmeerderheid. Denk aan het geval waarbij twee aandeelhouders met ieder 15% van de stemrechten een stemovereenkomst sluiten en aandeelhouder A zich verplicht conform het standpunt van aandeelhouder B te stemmen. In beginsel zijn hier alle aandeelhouders biedplichtig omdat niemand de meeste stemrechten kan uitoefenen.3 Partijen kunnen dit anders regelen, maar naar mijn mening dient de wet een regeling te bevatten voor het geval dat partijen hierover niets geregeld hebben. Ik vermoed dat dit laatste in de praktijk eerder regel dan uitzondering is (vgl. § 6.3.3). Vergelijkbare problemen ontstaan in het minder gangbare geval waarbij een partij op grond van zijn deelneming in de doelvennootschap de dominante partij is in de samenwerking, maar middels een stemovereenkomst een afwijkende machtsverdeling is afgesproken.
II. Alternatieven
Om de hiervoor gesignaleerde problemen het hoofd te bieden, bepleit ik een regeling waarin niet enkel naar het aantal stemrechten wordt gekeken, zoals het meeste stemrechten-criterium doet, maar ook naar andere vormen van zeggenschap. Doorslaggevend moet zijn wie de wijze van uitoefening van het stemrecht binnen het samenwerkingsverband kan bepalen, niet op welke wijze dat gebeurt. Daarom zou moeten worden geregeld dat de biedplicht rust op degene die de meeste stemrechten kan uitoefenen dan wel degene die de de wijze van uitoefening van het stemrecht dat hij tezamen met de personen met wie hij in onderling overleg handelt kan uitoefenen, eenzijdig kan bepalen.4
De problemen rond het meeste stemrechten-criterium zouden ook kunnen worden opgelost door het aan de samenwerkende partijen zelf over te laten wie het bod uitbrengt.5 Voor die opzet is gekozen in de aanverwante vrijstelling voor gelijktijdige verwerving van overwegende zeggenschap door groepsmaatschappijen (art. 2 lid 2 Vrijstellingsbesluit; zie § 15.2.6).6