Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/19.4.2
19.4.2 Selectie van leerlingen
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457630:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 22 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0151 (Maimonides).
HR 22 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0151, AB 1988, 96, r.o. 3.6, m.nt. FHvdB; zie ook Gerechtshof Amsterdam 25 juni 1987, AB 1987, 411.
Rb. Utrecht 1 augustus 2006, NJF 2006, 460.
Gerechtshof Amsterdam 24 juli 2007, JA 2007, 140; NJF 2007, 389.
CGB 7 januari 2011, oordeel 2011-2. Zie ook CGB 9 september 2008, oordeel 2008-112.
Rb. Haarlem 4 april 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ0063.
Gerechtshof Amsterdam 6 september 2011, NJF 2011, 400. Vgl. Post 2014, p. 341.
CBHO 17 april 2007, ECLI:NL:XX:2007:BA5616, AB 2007, 151, m.nt. B. P. Vermeulen.
In het onderstaande bespreek ik enkele zaken waarin in het kader van de selectie van leerlingen de kwalificatie van de grondslag van de school als godsdienstig aan de orde was. In de Maimonides-zaak uit 1988 weigerde het Maimonideslyceum te Amsterdam de aanmelding van een leerling omdat hij niet joods (genoeg) zou zijn. De school verwijst voor dit standpunt naar haar statuten (grondslag) waarin staat opgenomen dat de school een identiteit heeft die is gebaseerd op de richtlijnen van de ‘Halacha’(wetgeving gebaseerd op de Thora). In de lezing van de school was de leerling volgens deze richtlijnen geen jood.1 De ouders van de leerling waren het hiermee niet eens en stelde dat de Halacha op verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd en dat op grond van een meer liberale interpretatie hun zoon wel als jood zou moeten worden erkend. Hiertegenover stelde de school dat de Halacha slechts voor één uitleg vatbaar is, te weten de uitleg die zij daaraan gaf. De Hoge Raad kwalificeerde de grondslag van de school als godsdienstig en ging daarbij uit van de zelfinterpretatie van de school:
‘Daarbij moet worden vooropgesteld dat […] die weigering in overeenstemming is met het toelatingsbeleid van de Stichting dat steunt op haar uitleg van in haar statuten neergelegde toelatingsnormen, alsmede dat het daarbij gaat om toelatingsnormen van religieuze aard die ertoe strekken de (religieus) joodse identiteit van de school te handhaven.’
De school had volgens de Hoge Raad de vrijheid om op basis van haar godsdienstige grondslag toelatingseisen te stellen.2 Dit uitgangspunt is in 1994 met de totstandkoming van de AWGB door de wetgever in artikel 7 lid 2 bekrachtigd.3
In 2006 sprak de Rechtbank Utrecht zich uit over de weigering van een leerling tot het reformatorische Hoornbeek College. Volgens de ouders van de leerling zouden er slechts accentverschillen zijn tussen de godsdienstige opvattingen van de school en die van henzelf. De rechter oordeelde echter dat de in de statuten neergelegde toelatingsnormen die de school hanteerde, voortvloeiden uit haar godsdienstige grondslag en dat, nu de leerling hieraan op een aantal punten niet voldeed, het schoolbestuur in alle redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen.4 In hoger beroep kwalificeerde het hof de grondslag van het Hoornbeeck College eveneens als godsdienstig. Het ging echter niet verder in op de interpretatieverschillen over de geestelijke grondslag tussen de school en de ouders van de leerling maar kwam in tegenstelling tot de rechtbank tot het oordeel dat het toelatingsbeleid onvoldoende consistent en consequent was.5
In 2011 speelde de zaak van het Don Bosco-college.6 Deze katholieke school stond een islamitische leerling niet toe om tijdens de lessen een hoofddoek te dragen omdat dit volgens de school in strijd was met haar katholieke identiteit. Deze zaak werd eerst aanhangig gemaakt voor de CGB, daarna bij de kantonrechter en vervolgens in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam. Alle drie de instanties kwalificeerden de grondslag van het Don Bosco-college als godsdienstig.7 In hoger beroep stelde het gerechtshof:
‘Het gaat hier om een instelling van bijzonder onderwijs met een godsdienstige, te weten rooms-katholieke, grondslag. Daarvan blijkt voldoende uit de statuten van de Stichting, het informatieboekje, de schoolgids en het schoolreglement, uit de activiteiten van het College en uit zijn naam.’
In tegenstelling tot de CGB waren de rechtbank en het hof van oordeel dat het Don Bosco-college een consistent en consequent toelatingsbeleid hanteerde en achtten zij het onderscheid rechtmatig.8
Een opmerkelijke zaak is ten slotte de beëindiging van de inschrijving van een pedofiele student aan de opleiding pedagogiek door het college van bestuur van de Radboud Universiteit Nijmegen. De universiteit beriep zich op haar katholieke grondslag, gegrondvest in de katholieke moraal, waaraan ernstige afbreuk zou worden gedaan door de expliciete en publieke profilering van de student als pedofiel. De universiteit verwijst voor de eigen aard naar de statuten van de ‘Stichting Katholieke Universiteit’ en naar het naar aanleiding daarvan opgestelde Strategisch Plan 2005-2009. In artikel 10 lid 2 van die statuten is bepaald dat de katholieke identiteit van de universiteit (en het ziekenhuis) bewaakt en bevorderd dient te worden. Het College van Beroep voor het hoger onderwijs stelt de universiteit in het gelijk. Het is volgens het College te begrijpen dat de universiteit stelt dat de vrije opvattingen op seksueel gebied en het in het openbaar verkondigen van zijn pedofiele opvattingen in strijd zijn met de katholieke moraal. Annotator Vermeulen merkt op dat deze motivering van de rechter niet sterk is omdat de katholieke identiteit van de universiteit de laatste decennia sterk is verwaterd.9 Hij appelleert daarmee aan de in de jurisprudentie ontwikkelde eis van een consistent en consequent toelatingsbeleid.