Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.4.2.1.2
5.4.2.1.2 De totstandkoming van het opportuniteitsbeginsel in de wet
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946159:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De eerste zin van art. 4 Wet RO schreef indertijd voor: “Het openbaar ministerie is bijzonderlijk belast met de handhaving der wetten, met de vervolging van alle strafbare feiten en het doen uitvoeren van alle strafvonnissen.” Art. 22 Sv (1838) luidde: “De officieren van justitie zijn ambtshalve belast met de nasporing en vervolging van alle misdrijven, waarvan de kennisneming behoort aan de geregtshoven en aan de arrondissements-regtbanken.” Tot slot bepaalde art. 27 Sv (1838): “De officieren van justitie zijn gehouden om, zodra misdrijven tot hunne kennis komen, den procureur-generaal bij het provinciale geregtshof daarvan berigt te geven. Onverminderd hun verpligting tot vervolging, moeten zij de voorschriften opvolgen, die deze hun, tot het doen van onderzoek, of tot vervolging van e misdrijven, zal geven.”
Zie over deze discussie meer uitgebreid: Corstens 1974, p. 10-12 en Geelhoed 2013, p. 78-81.
Corstens 1974, p. 12. Een duidelijk voorbeeld van een dergelijk standpunt is bijvoorbeeld de in de vorige paragraaf omschreven zienswijze van Boot.
Geelhoed 2013, p. 118.
Zie Geelhoed 2013, p. 82 met verwijzing naar E. van Ketwich Verschuur, ‘Legaliteits- of opportuniteitsbeginsel?’, Tijdschrift voor strafrecht 1910, p. 28.
Corstens 1974, p. 12.
Bijl. Handelingen II 1913/14, 286, nr. 3, p. 54 en 103.
’t Hart 1994, p. 118.
Bijl. Handelingen II 1913/14, 286, nr. 3, p. 103.
Zie bijvoorbeeld Pieterman 1985, p. 339, Simmelink 2004, p. 192 en Frielink 2010, p. 730.
Zie Corstens 1974, p. 16-17 en Geelhoed 2013, p. 97.
Corstens 1974, p. 24 en Geelhoed 2010, p. 3.
In de 19e en 20e eeuw zijn in de juridische literatuur veel standpunten ingenomen over de wettigheid van het opportuniteitsbeginsel. Vooral na invoering van het Wetboek van Strafvordering in 1838 – ter vervanging van de Code d’Instruction Criminelle – ging aandacht uit naar de vraag of de wet toepassing van het legaliteitsbeginsel of toepassing van het opportuniteitsbeginsel voorschreef. Verschillende auteurs zagen met name in art. 4 Wet RO en art. 22 en 27 van het Wetboek van Strafvordering uit 1838 belangrijke argumenten voor wettigheid van het legaliteitsbeginsel.1 De meeste auteurs komen echter tot de slotsom dat geen van die wetsartikelen daadwerkelijk een verplichting tot vervolging van alle strafbare feiten voorschrijft. 2Aanhangers van het opportuniteitsbeginsel stelden zich hoofdzakelijk op het standpunt dat een uitdrukkelijke erkenning van het legaliteitsbeginsel dan wel opportuniteitsbeginsel indertijd in de wet ontbrak en dat daarnaast niet bleek dat de wetgever had willen breken met de vanuit de Franse rechtspraktijk ingegeven toepassing van het opportuniteitsbeginsel.3
Mettertijd was toepassing van het opportuniteitsbeginsel in de praktijk wijdverbreid en algemeen geaccepteerd. Geelhoed beschrijft dat het legistische gedachtengoed in de loop van de 19e eeuw steeds meer aan belang inboette.4 Ook auteurs die meenden dat de wet het legaliteitsbeginsel voorschreef, onderkenden het nut van het opportuniteitsbeginsel voor de rechtspraktijk.5 De acceptatie van het opportuniteitsbeginsel in de rechtspraktijk maakt dat Corstens de discussie over de wettigheid daarvan aanduidde als een discussie van louter academisch belang.6
Die discussie komt ten einde met de invoering van het Wetboek van Strafvordering in 1926. In de memorie van toelichting stelt de wetgever voorop dat het opportuniteitsbeginsel in de praktijk reeds algemeen werd gehuldigd ondanks dat de wet het niet met zoveel woorden erkent. De wetgever refereert in de memorie van toelichting aan bovenvermelde discussie in de rechtsliteratuur door vast te stellen dat de wet tot dan toe enkele bepalingen kent op basis waarvan de wettigheid van het opportuniteitsbeginsel zou kunnen worden betwist. De wetgever stelt echter vast dat de gewoonte recht heeft geschapen. De wetgever concludeert vervolgens dat niet is gebleken van de wens om toepassing van het opportuniteitsbeginsel te beperken of uit te sluiten. Om die reden blijft men dit beginsel trouw en ziet de wetgever – ter voorkoming van twijfel en verdere discussie over de wettigheid daarvan – aanleiding het opportuniteitsbeginsel expliciet in de wet te verankeren. 7De wetgever beoogde dus legalisering van de wijze waarop in de rechtspraktijk reeds invulling werd gegeven aan het vervolgingsrecht. 8In dit verband is in de memorie van toelichting meer concreet vermeld dat het opportuniteitsbeginsel geen ander doel heeft “dan om aan het legaliteitsbeginsel zijn scherpte te ontnemen.”9
Het opportuniteitsbeginsel komt sinds de invoering van het Wetboek van Strafvordering van 1926 tot uiting in art. 167 en 242 Sv. In de literatuur wordt het opportuniteitsbeginsel veelal gelezen in het tweede lid van die wetsartikelen, waarin is bepaald dat van (verdere) vervolging kan worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend.10 In de rechtsliteratuur wordt op grond van het tweede lid van deze wetsartikelen – in samenhang met de in de memorie van toelichting weergegeven doelstelling om aan het legaliteitsbeginsel slechts zijn scherpte te ontnemen – veelal geconcludeerd dat de wetgever de negatieve interpretatie van het opportuniteitsbeginsel verankerde.
Opmerking verdient evenwel dat Corstens en Geelhoed concluderen dat de wijze waarop de meeste auteurs de codificatie van het opportuniteitsbeginsel weergeven op twee punten nuance behoeft. Zij stellen vast dat veel aandacht uitgaat naar de zinsnede in de memorie van toelichting dat het opportuniteitsbeginsel slechts ten doel heeft om de scherpte aan het legaliteitsbeginsel te ontnemen. Vervolgens wijzen zij erop dat deze toelichting behoort bij het Oorspronkelijke Regeringsontwerp, maar dat de wettekst bij de nadien gevolgde behandeling in het parlement nog substantieel is gewijzigd. Dit heeft ten eerste tot gevolg dat beide auteurs het opportuniteitsbeginsel niet slechts lezen in het tweede lid van voornoemde wetsartikelen, maar dat dit beginsel volgens hen ook tot uitdrukking komt in het eerste lid van beide wetsbepalingen.11 In het verlengde hiervan stellen beide auteurs zich op het standpunt dat – hoewel de memorie van toelichting slechts rept over het ontnemen van scherpte aan het legaliteitsbeginsel – de totstandkomingsgeschiedenis van voornoemde wetsbepalingen bij nadere beschouwing niet zo eenduidig wijst in de richting van een negatieve interpretatie van het opportuniteitsbeginsel.12 Daarop wordt in de navolgende paragraaf nader ingegaan.