Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/7.2.1
7.2.1 Opschortingsrecht is een verweermiddel
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950324:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook § 5.2.
Zie ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/20-21; Valk 2017 en Hijma 2012, par. 4.
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/21 en 36 en Asser/Sieburgh 6-I 2020/287. Vgl. voorts § 2.5.4 over de functies van het opschortingsrecht.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 207.
HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7343, NJ 2002/199 (Hendrikx/Peters), r.o. 3.5. Zie ook HR 11 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7195, NJ 2009/342, m.nt. Jac. Hijma (Hartendorp/Kooij), r.o. 3.4.2.
HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7343, NJ 2002/199 (Hendrikx/Peters), r.o. 3.5.
HR 11 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7195, NJ 2009/342, m.nt. Jac. Hijma (Hartendorp/Kooij), r.o. 3.4.2.
HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8307, NJ 2012/584 (Tyco Fire Nederland/Delata), r.o. 3.4.2. Zie bijv. Hof Den Haag 13 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2671, r.o. 5.13.
Zie ook concl. A-G F.F. Langemeijer 8 maart 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD7343, par. 2.6.
Vgl. HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2541, NJ 1998/272 (Brok/Huberts), r.o. 3.4 over het beroep van de aangesprokene op de schadebeperkingsplicht als bedoeld in art. 6:101 BW. Vgl. in dat kader voorts HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3402, NJ 2011/43, m.nt. Jac. Hijma (Vos/TSN), r.o. 3.9-3.10. Zie over het inroepen van het opschortingsrecht als zelfstandig of bevrijdend verweer § 7.2.2.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 211, antwoord op vraag b.
Vgl. Gratama 1887, p. 279 (“Immers de uitoefening dier [retentie]bevoegdheid is altijd slechts verdedigingsmiddel. Eischt dus degene, tegenover wien zij kan worden uitgeoefend, geen nakoming van de verplichting door den gedaagde, het middel zal niet baten.”).
Zie over de kenbaarheid van de opschortingsbevoegdheid en de mededelingsplicht hoofdstuk 5. Zie ook § 6.3.6.
Zie § 3.8.
Als aan de vereisten van het algemene opschortingsrecht is voldaan, is de schuldenaar opschortingsbevoegd en heeft hij een opschortingsrecht op grond van artikel 6:52 lid 1 BW. Dat opschortingsrecht is tevens een verweermiddel van de schuldenaar in verband met een vordering die hij op zijn wederpartij heeft. Daarom kan de schuldenaar dat recht steeds inroepen. Het bij wijze van verweer inroepen van een opschortingsrecht is geen vereiste voor opschortingsbevoegdheid. Evenwel treden de rechtsgevolgen pas in op het moment dat de wederpartij mededeling is gedaan van de uitoefening van het opschortingsrecht. In de gevallen waarin aan de wederpartij niet kenbaar is of kan zijn dat en waarom de prestatie van de schuldenaar uitblijft, zal dat moment samenvallen met het moment waarop de schuldenaar zijn opschortingsverweer voert.1
Artikel 6:52 lid 1 BW verklaart de schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen. Aldus bestaat een opschortingsbevoegdheid als aan de daarvoor geldende vereisten is voldaan.2 De opschortingsbevoegdheid is tevens een verweermiddel van de schuldenaar in verband met de vordering die hij heeft op zijn wederpartij.3 Dat komt reeds tot uiting in de redactie van het algemene opschortingsrecht in artikel 6:52 lid 1 BW:
“Eerste lid. Bij de redactie van dit lid is rekening gehouden met de bezwaren die in het voorlopig verslag tegen artikel 6.1.6.19 lid 1 zijn geopperd. De bepaling is thans geheel geformuleerd vanuit de schuldenaar die tot opschorting van de nakoming van zijn verbintenis bevoegd is. De ondergetekende vertrouwt dat in deze opzet ook de aanhef van dit lid de Commissie niet langer raadselachtig voorkomt. Deze aanhef brengt naar zijn mening op juiste wijze tot uiting dat de bevoegdheid tot opschorten moet worden gezien als een verweermiddel van de schuldenaar in verband met een tegenvordering die hij op zijn schuldeiser heeft.”4
Ook de Hoge Raad heeft overwogen dat de bevoegdheid tot opschorting moet worden gezien als een verweermiddel van de schuldenaar in verband met een vordering die hij op zijn schuldeiser heeft.5 Omdat een opschortingsrecht een verweer is, kan de schuldenaar het beroep op dat opschortingsrecht steeds doen, ook nog wanneer de wederpartij in rechte een vordering tot nakoming instelt,6 of nadat de wederpartij een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring heeft uitgebracht,7 of nadat een betalingstermijn is verstreken.8 Het is niet vereist dat de schuldenaar reeds voorafgaand aan die procedure aan die ontbindingsverklaring of aan het verstrijken van de betalingstermijn een beroep op het opschortingsrecht heeft gedaan.9 Het opschortingsverweer kan evenwel niet voor het eerst in een cassatieprocedure worden gevoerd, aangezien de beoordeling daarvan mede een onderzoek van feitelijke aard vergt, omdat een beroep op een opschortingsrecht een zelfstandig of bevrijdend verweer is.10
Dat de schuldenaar zich op een opschortingsrecht beroept in een gerechtelijke procedure of na de ontbindingsverklaring of het verstrijken van de betalingstermijn, betekent niet zonder meer dat hij voordien niet reeds opschortingsbevoegd was of dit opschortingsrecht niet uitoefende. Het bij wijze van verweer inroepen van het opschortingsrecht is voor opschortingsbevoegdheid immers niet vereist. Evenmin is daarvoor een gerechtelijke procedure vereist.11 Bovendien is het afhankelijk van de wijze waarop zijn wederpartij zich opstelt of de schuldenaar zich met een beroep op een opschortingsrecht heeft te verweren. De kenbaarheid van een opschortingsbevoegdheid kan voor de wederpartij ook reden zijn eerst harerzijds na te komen. Zonder bijvoorbeeld een vordering tot nakoming behoeft de schuldenaar zich daartegen niet te verweren.12
Voor het intreden van de rechtsgevolgen van het opschortingsrecht is wel vereist dat de wederpartij bekend is met de uitoefening daarvan. In de gevallen waarin aan de wederpartij niet kenbaar is of kan zijn dat en waarom de prestatie van de schuldenaar uitblijft, treden de rechtsgevolgen van het opschortingsrecht pas in nadat de wederpartij mededeling is gedaan van de uitoefening daarvan. De bekendheid met de opschortingsbevoegdheid zal dan samenvallen met het moment waarop de schuldenaar een opschortingsverweer voert.13 Dat zou kunnen meebrengen dat de schuldenaar zich niet met succes kan verweren met een beroep op een opschortingsrecht, omdat hij bijvoorbeeld zelf eerst in verzuim is komen te verkeren.14