Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/9.4.3.2
9.4.3.2 Eigenlijke achterstelling
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186523:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 18 oktober 2002, NJ 2003/503, JOR 2002/234 (Curatoren Habo/Besix), A. van Hees 1989, p. 123 en Faber 2002, p. 146.
Zie par. 5.3.2.2.
Zie ook par. 5.3.2.2 en 5.5.4.2.
Hetzelfde geldt naar Duits recht. Zie MüKoInsO/Brandes/Lohmann InsO § 94, rn. 26, Windel in Jaeger, InsO § 94, rn. 50, HambKomm/Jacoby InsO § 94, rn. 6, Uhlenbruck/Sinz InsO § 94, rn. 3 en BeckOK InsO/Alexander Fridgen InsO § 327, rn. 19. De opmerkingen van deze laatste over § 327 InsO zijn ook van toepassing op § 94 e.v. InsO.
664. Een eigenlijke achterstelling staat op zichzelf niet in de weg aan verrekening van de achtergestelde vordering.1 Een eigenlijke achterstelling betekent immers slechts dat de rang van het verhaalsrecht is verlaagd.2 Die rang is alleen relevant bij de verdeling van een executie-opbrengst en dat gebeurt bij verrekening niet.3 Een achtergestelde schuldeiser die zijn vordering verrekent met een tegenvordering van de schuldenaar neemt economisch gezien verhaal op de vordering van zijn schuldenaar op hemzelf, maar er vindt geen executie plaats, laat staan een rangregeling. Daarom speelt de rang van het junior verhaalsrecht bij de verrekening geen rol. Dat geldt zowel voor, als tijdens het faillissement van de schuldenaar.4