Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.4.3.2.0
3.4.3.2.0 Inleiding
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630446:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
In 2018 is door de Duitse standardsetter en de Berlijnse Humboldt universiteit een onderzoek op dit gebied verricht. Het onderzoek richtte zich op professionele beleggers. Deze beleggers beschouwen ‘mark-to-market fair value’ (gebaseerd op marktprijzen) als de beste waarderingsmethode voor liquide en niet-operationele activa. Voor niet-liquide en operationele activa maakt het ze niet uit of wordt gekozen voor historische kostprijs of fair value.
S.A. Stevens betoogt dat de directe opbrengstwaarde alleen geschikt is voor de waardering van courante vermogensbestanddelen, mits verkoop mogelijk is en in beginsel ook op termijn zal plaatsvinden. Volgens hem ligt het bij toepassing van de directe opbrengstwaarde voor de hand om de prijzen op de verkoopmarkt te hanteren. S.A. Stevens 2003.
HR 5 februari 1969, nr. 16 047, BNB 1969/63.
In IFRS 13 wordt een hiërarchie aangegeven voor het bepalen van Fair Value. 1) is er een verkoopcontract voor het vermogensbestanddeel, 2) is er een markt voor het vermogensbestanddeel, en 3) is er een markt voor vergelijkbare vermogensbestanddelen waarvan prijzen gebruikt kunnen worden om indirect de waarde van het actief te bepalen.
IVS 104 Waardegrondslagen, paragraaf 30, artikel 30.1.
IVS 104 Waardegrondslagen, paragraaf 30, artikel 30.4 en paragraaf 140. In artikel 140.5.b. staat: ‘Om te voldoen aan het vereiste van wettelijke toelaatbaarheid moet rekening worden gehouden met eventuele wettelijke beperkingen op het gebruik van het actief, bijvoorbeeld bestemmingsplannen en bestemming en met de waarschijnlijkheid dat deze beperkingen zullen veranderen.’
Zie ook Van Dijck 1963: ‘De inperking van de objectieve gebruikersmogelijkheden – ook voor het subject van belang – vindt met in het feit dat iedere aanwending, welke door de wet verboden is, buiten aanmerking blijft. Het zou immers niet juist zijn aan de belastingplichtige een waarde toe te rekenen die hij alleen door wetsovertreding kan realiseren.’
Zie ook de noot van Meussen bij het betreffende arrest. Hij is van mening dat een waarde in het economische verkeer zich alleen maar in de legaliteit kan afspelen. ‘Naar ik aanneem leidt illegale handel, bijvoorbeeld via het darkweb of andere duistere kanalen, niet tot een waarde in het economische verkeer, omdat het economische verkeer refereert aan legale handelskanalen. Men kan toch bezwaarlijk propageren dat het economische verkeer ook illegale handelskanalen omvat.’
IVS 104 Waardegrondslagen, paragraaf 30, artikel 30.2 (g).
Bij de directe opbrengstwaarde wordt uitgegaan van de fictie dat het vermogensbestanddeel direct wordt verkocht. De waarde is gelijk aan de vermoedelijke prijs die bij verkoop wordt behaald. Voor courante vermogensbestanddelen kan de vermogensmutatie die toerekenbaar is aan de onbelaste c.q. belaste periode duidelijk worden vastgesteld en is realisatie van dat voordeel mogelijk. Voor de fiscale openingsbalans zal daarom zoveel mogelijk moeten worden aangesloten bij de directe opbrengstwaarde als sprake is van courante vermogensbestanddelen.12 Voor zaken waarin geregeld handel wordt gedreven, heeft de Hoge Raad voor de vermogensbelasting in HR 5 februari 1969, nr. 16 047, BNB 1969/63 de volgende (algemene) definitie van waarde in het economische verkeer gegeven, die aansluit bij de directe opbrengstwaarde:3
‘dat voor de toepassing van artikel 9, lid 1, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 de vraag, welke waarde in het economische verkeer aan een bezitting of een schuld kan worden toegekend, voor elk geval afzonderlijk aan de hand van de daarvoor geldende omstandigheden zal moeten worden beantwoord;
dat, ingeval het gaat om de waardering van zaken waarin geregeld handel wordt gedreven, als de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend in het algemeen dient te worden aangenomen de verkoopprijs, waaronder moet worden verstaan de prijs, die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed;’4
Deze bepaling komt overeen met de definitie die wordt gehanteerd in de IVS:
‘Marktwaarde is het geschatte bedrag waartegen een actief of passief zou worden overgedragen op de waardepeildatum tussen een bereidwillige koper en een bereidwillige verkoper in een zakelijke transactie, na behoorlijke marketing en waarbij de partijen zouden hebben gehandeld met kennis van zaken, prudent en niet onder dwang.’5
Van Dijck en Meussen merken op dat de overweging van de Hoge Raad uit BNB 1969/63 geen algemene uitspraak is over het begrip ‘waarde in het economische verkeer’. De uitspraak heeft volgens hen een beperkte strekking omdat het alleen over courante goederen gaat, die in het algemeen op de verkoopprijs gewaardeerd moeten worden. Uit de rechtsoverweging valt verder op dat van drie elementen moet worden uitgegaan: (i) verkoop op de meest geschikte wijze, (ii) na de beste voorbereiding en (iii) het bedrag dat door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed.
Voor het eerste element geldt bijvoorbeeld dat een prijs welke wordt betaald bij een executieveiling niet representatief is. Dit is immers niet de meeste geschikte wijze en een dergelijke verkoop leidt veelal tot een verkoopprijs die lager is dan de waarde in het economische verkeer. De afwezigheid van een legale markt is geen belemmering om een waarde in het economische verkeer vast te stellen (HR 10 november 2017, nr. 17/00841, BNB 2018/24). In dat geval moet van de waarde op de zwarte markt worden uitgegaan. In casu ging het om de waardering van een luipaardvel dat was geschonken en waarvoor de belastingplichtige giftenaftrek claimde. De handel in luipaardenvellen is verboden, zodat het niet op legale wijze kan worden vervreemd. Belanghebbende betoogde dat bij afwezigheid van een legale markt, de waarde moet worden bepaald aan de hand van de kosten die verbonden zijn aan de enige legale manier om de voorwerpen te vervangen, te weten het zelf (laten) vervaardigen van de voorwerpen uit zelf geïmporteerde huid van een met vergunning zelf geschoten luipaard. De Hoge Raad ging hier niet in mee en overwoog dat ook bij het ontbreken van een legale markt moet worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer op een andere markt. In casu bleef alleen de zwarte markt over. Ik deel de visie van de Hoge Raad dat de door belanghebbende voorgestelde waardering te ver af staat van waarde in het economische verkeer, maar de door de Hoge Raad gekozen methode stuit ook op bezwaren. In de IVS is bepaald dat de marktwaarde het meest doelmatige en meest doeltreffende gebruik tot uitdrukking brengt. Het meest doelmatig en meest doeltreffende gebruik is het gebruik van een actief dat het potentieel maximaliseert en dat mogelijk, wettelijk toelaatbaar en financieel haalbaar is.6 Aangezien de IVS aangeeft dat het wettelijk haalbaar moet zijn, wordt de zwarte markt niet meegenomen. Stel dat een belastingplichtig museum, dat een luipaardenvel tentoonstelt, op enig moment niet meer is onderworpen aan de Nederlandse belastingheffing. Zou dit museum voor de eindafrekening dan ook moeten kijken naar de waarde op de zwarte markt? Als dit inderdaad de uitkomst is, dan zal het museum worden belast voor een fictieve transactie op een markt waarin het nooit zal en wettelijk mag opereren. Dit lijkt mij uiterst bijzonder en niet gewenst.78
Bij het tweede element gaat het erom dat er een goede voorbereiding op de verkoop heeft plaats gevonden. In de IVS wordt dit als volgt omschreven:
‘Na behoorlijke marketing” betekent dat het actief op de meest gepaste wijze op de markt is aangeboden teneinde het actief te vervreemden tegen de beste prijs die redelijkerwijs kan worden verkregen, in overeenstemming met de definitie van marktwaarde. De verkoopmethode wordt geacht de methode te zijn die het meest geschikt is om de beste prijs te verkrijgen op de markt waartoe de verkoper toegang heeft. De marketingactie heeft geen vaste duur, maar zal variëren naargelang het type actief en de marktomstandigheden. Het enige criterium is dat er genoeg tijd moet zijn geweest om het actief onder de aandacht van een voldoende aantal marktpartijen te brengen. De periode van de marketingactie gaat aan de waardepeildatum vooraf.’9
Een prijs die is overeengekomen zonder goede voorbereidingen op de verkoop, reflecteert dus niet de waarde in het economische verkeer.