Aandeelhoudersverantwoordelijkheid
Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.1:7.1 Inleiding
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.1
7.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS297698:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 5.
Zie hoofdstuk 6.
Bovendien bestaat de mogelijkheid om in een bodemprocedure voorlopige voorzieningen te verzoeken middels een incident (artikel 223 Rv).
Ook de mogelijkheid om middels arbitrage (bijvoorbeeld op grond van een aandeelhoudersovereenkomst) vorderingen in te stellen wordt grotendeels buiten beschouwd gelaten.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De aandeelhouder mag in beginsel zijn eigen belang behartigen.1 Dit uitgangspunt kan worden beperkt door de normen die voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid en misbruik van bevoegdheid.2 Daarbij heb ik verdedigd dat op het gedrag van de aandeelhouder een verantwoordingsnorm van toepassing is, een normdie omschrijft in welke mate een actor (de aandeelhouder) ter verantwoording kan worden geroepen voor zijn gedragingen. Deze norm wordt (onder meer) geschonden wanneer sprake is van een ontoelaatbare onevenredige schending van het belang van een andere belanghebbende ten opzichte van het eigen belang van de aandeelhouder. Wordt deze norm geschonden, dan kan een belanghebbende daartegen op grond van de verantwoordingsnorm actie ondernemen.
In dit hoofdstuk zullen de mogelijkheden van belanghebbenden wier belang door het gedrag van een aandeelhouder wordt geschaad om die aandeelhouder ter verantwoording te roepen centraal staan. Op welke wijze de belanghebbende kan optreden en voor welke belanghebbende welke mogelijkheden openstaan zal in dit hoofdstuk nader uiteen worden gezet. Het gaat daarbij specifiek om acties tegen het gedrag van de individuele aandeelhouder, niet om besluiten/besluitvorming binnen de algemene vergadering van aandeelhouders. Aan de orde komen: (i) de nietig- en vernietigbaarheid van stemmen, (ii) vorderingen tot het onthouden van bepaald gedrag, (iii) de herziening van (stem-)gedrag, (iv) de uitstootvordering in het kader van de geschillenregeling en (v) het aansprakelijk stellen van de aandeelhouder.
Daarbij zal ten aanzien van de onder (ii) en (iii) opgenomen mogelijkheden, een onderscheid worden gemaakt tussen de middelen die, middels voorlopige en onmiddellijke voorzieningen, liggen in het kort geding en de enquêteprocedure. Eerst wordt de aandacht gevestigd op het kort geding, de daar te vorderen voorlopige voorzieningen en het (rechts)instrument van reële executie. Vervolgens zal de aandacht worden verschoven naar de enquêteprocedure en de mogelijkheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen binnen die procedure. Ook de omstandigheden die relevant zijn voor de keuze tussen deze een kort geding en de enquêteprocedure alsmede hun relatie tot elkaar zullen nader worden beschouwd. Ook kan de vordering worden ingesteld in een bodemprocedure.3 Deze mogelijkheid wordt hier verder echter buiten beschouwing gelaten, maar wel wordt verwezen naar enige uitspraken waarin een herziening van gedrag van de aandeelhouder werd gevorderd (en toegewezen).4