Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.2.7.1
5.2.7.1 Indirecte ondervraging
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ECRM 22 oktober 1997, appl.no. 29309/95 (Trier/Noorwegen): ‘save in exceptional circumstances, requiring specific justification, witnesses must be heard in the presence of the accused at a hearing where both parties can present their arguments’.
EHRM 19 juni 2007, appl.no. 21508/02 (W.S./Polen), § 8, 59 en 61.
EHRM 10 januari 2012, appl.no. 315/09 (dec.) (A.G./Zweden). In deze zaak beschouwde het EHRM de ondervraging tijdens het tweede studioverhoor als compenserende factor. Zie daarover § 2.4 van hoofdstuk 7.
Zie daarover § 2.5.5.4.
ECRM 7 oktober 1991, appl.no. 17168/90 (Nemet/Zweden).
Wanneer slechts schriftelijk vragen kunnen worden opgegeven, die door een ander dan de verdachte of zijn advocaat aan de getuige worden gesteld of die schriftelijk door de getuige worden beantwoord, is sprake van een beperking van het ondervragingsrecht. In het bijzonder is de verdediging in zo’n geval niet in staat om het gedrag van de getuige tijdens een directe ondervraging gade te slaan. Dit bezwaar kan overigens enigszins worden weggenomen door de verdediging het verhoor te laten volgen vanuit een andere ruimte of door een video-opname van het verhoor ter beschikking te stellen. Desondanks is ook in dat geval geen sprake van een normale verhoorsituatie en lijkt daarvoor een goede reden te moeten kunnen worden aangevoerd.1 In de zaak W.S. was de getuige het vierjarige slachtoffer van een zedendelict. In deze zaak was geen enkele ondervragingsgelegenheid geboden. Het ehrm overwoog dat de nationale rechter had moeten overwegen of de verdediging het slachtoffer op een minder ingrijpende wijze dan een verhoor ter zitting had kunnen ondervragen. In het bijzonder noemde het ehrm het alternatief dat het kind een tweede studioverhoor zou ondergaan, waarbij de verdediging schriftelijk vragen zou kunnen opgeven en het verhoor vanuit een andere ruimte zou kunnen volgen via een videoverbinding of een one-way-mirror. In dit soort zaken, waarin een rechtstreekse ondervraging door de verdediging niet effectief en te ingrijpend zou zijn, kan het indirect stellen van vragen kennelijk gerechtvaardigd zijn.2 In de zaak A.G. was de raadsman van de verdachte in de gelegenheid gesteld om een studioverhoor te volgen vanuit een andere ruimte en om vragen op te geven aan de verhorende politieambtenaar. Het ehrm meende dat een voldoende ondervragingsgelegenheid had bestaan om de verdedigingsrechten uit te oefenen en verklaarde de klacht kennelijk ongegrond. De bescherming van de belangen van het slachtoffer leverden voldoende rechtvaardiging op voor het toepassen van een indirecte ondervraging.3
De mogelijkheid schriftelijke vragen te stellen is vooral van belang ingeval de verdediging het getuigenverhoor niet mag bijwonen. Daarvan kan niet alleen sprake zijn wanneer de belangen van de getuige aan een rechtstreeks verhoor in de weg staan, maar ook wanneer procedurele regels niet toestaan dat de verdediging bij een verhoor aanwezig is. Dat laatste geval doet zich soms voor wanneer de getuige zich in het buitenland bevindt en in het kader van een rogatoire commissie wordt gehoord door een onderzoeksrechter. Volgens het nationale recht van de desbetreffende staat kan het uitgesloten zijn dat de raadsman van de verdachte dat verhoor bijwoont.4 In de zaak Nemet bevond een medeverdachte zich ten tijde van de Zweedse appèlprocedure in een Belgische gevangenis. Naar Belgisch recht mocht de raadsman niet aanwezig zijn bij het verhoor van de medeverdachte als getuige. De raadsman had welmeer dan 70 vragen schriftelijk opgegeven.
Deze waren ook door de getuige beantwoord. De ecrm meende dat de beperking in casu niet onverenigbaar was met het ondervragingsrecht.5