Einde inhoudsopgave
Grenzen aan testeervrijheid (AN nr. 178) 2023/7.3.1
7.3.1 Inleiding
1
mr. drs. M.R. Beuker, datum 10-10-2022
- Datum
10-10-2022
- Auteur
mr. drs. M.R. Beuker
- JCDI
JCDI:ADS685761:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De analyses in dit hoofdstuk gaan in op aspecten van de andere wettelijke rechten die relevant zijn voor toepassing in de praktijk en voor het opstellen van de stappenplannen. Degene die geïnteresseerd is in andere aspecten zij verwezen naar de kernliteratuur over art. 4:38 BW: W. Burgerhart e.a., Bedrijfsopvolging: civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke aspecten, Preadvies KNB, Den Haag: SDU Uitgever 2005; W. Burgerhart, Waarde en erfrecht: beschouwingen over de waarde van een onderneming in het erfrecht en enige verwante wetten (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2008; Parl. Gesch. Boek 4 BW, Invoeringswet, p. 1759-1768; G. van der Burght, ‘Erfrechtelijke bedrijfsvoortzetting’, FtV 2005, afl. 5, p. 17-19; E.W.J. Ebben & G. van der Burght, Pitlo Het Nederlands Burgerlijk Recht, deel 5, Het Erfrecht 10e druk, Deventer: Kluwer 2004, nr. 212-214; P.C. van Es, ‘De schulden van artikel 4:7 lid 1 onder f’, WPNR 2003/6531, p. 367-368; W.G. Huijgen e.a., Compendium erfrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, nr. 132-138; W.D. Kolkman, ‘De eerste stappen van de andere wettelijke rechten’, FTV 2007, afl. 7-8, p. 6-13; M.R. Kremer, in: GS Erfrecht,art. 4:38 BW; E.A.A. Luijten & W.R. Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht. Tweede gedeelte: erfrecht, Deventer: Kluwer 2008, nr. 674-680; T.J. Mellema-Kranenburg, ‘Mist artikel 4:38 BW toepassing in geval van uitsluiten van de wettelijke verdeling’, JBN 2010, nr. 53; M.J.A. van Mourik, Handboek Erfrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, XI.7; M.J.A. van Mourik & F.W.J.M. Schols, Erfrecht (Monografieën Privaatrecht nr. 1), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 72; S. Perrick, ‘Over verval, verjaring en stuiting van verjaring van de erfrechtelijke wettelijke rechten’, WPNR 2012/6923, p. 240-242 en Asser/Perrick 4 2021/393-397.
Art. 4:38 BW luidt als volgt:
1 Op verzoek van een kind of stiefkind van de erflater (7.3.2) kan de kantonrechter, mits daardoor een zwaarwegend belang van het kind of stiefkind wordt gediend en in vergelijking hiermede het belang van de rechthebbende niet ernstig wordt geschaad (7.3.3), de rechthebbende verplichten tot overdracht tegen een redelijke prijs (7.3.4) aan het kind of stiefkind, dan wel diens echtgenoot (7.3.2), van de tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende goederen die dienstbaar waren aan een door de erflater uitgeoefend beroep of bedrijf dat door het kind of stiefkind dan wel diens echtgenoot wordt voortgezet (7.3.5). Bij zijn beschikking kan de kantonrechter nadere regelingen (7.3.6) treffen.
2 Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van aandelen in een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan de erflater bestuurder was en waarin deze alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen hield, indien het kind of stiefkind, dan wel diens echtgenoot ten tijde van het overlijden bestuurder van die vennootschap is of nadien die positie van de erflater voortzet (7.3.7).
3 Het vorige lid is slechts van toepassing voor zover de statutaire regels omtrent overdracht van aandelen zich daartegen niet verzetten (7.3.7).
4 Het recht om een verzoek als bedoeld in de leden 1 en 2 te doen, vervalt na verloop van een jaar na het overlijden van de erflater.
5 De leden 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de echtgenoot van de erflater een door de erflater uitgeoefend beroep of bedrijf voortzet, ook indien de echtgenoot ingevolge deze afdeling het vruchtgebruik van de desbetreffende goederen heeft of kan verkrijgen (7.3.2).