Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen
Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/11.5.3:11.5.3 (Gedeeltelijke) overdracht van beschermingsprefs aan een andere stichting continuïteit
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/11.5.3
11.5.3 (Gedeeltelijke) overdracht van beschermingsprefs aan een andere stichting continuïteit
Documentgegevens:
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS351956:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Er moet sprake zijn van een structuurwijziging, omdat afsplitsing niet mag worden aangewend met als doel het omzeilen van de leveringsformaliteiten onder bijzondere titel. Vgl. art. 2:334a lid 3 BW. Zie ook Van Solinge, Splitsing van verenigingen en stichtingen, Stichting & Vereniging 1997, p. 34.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De stichting zou ook een gedeelte van de door haar gehouden beschermingsprefs aan een andere stichting continuïteit kunnen overdragen. Zolang die andere stichting daarbij geen overwegende zeggenschap verkrijgt, hoeft zij niet aan de vereisten van art. 5:71 lid 1 onderdeel c Wft te voldoen. Omdat het door de oorspronkelijke stichting gehouden belang aan beschermingsprefs door de overdracht onder de 30%- grens zakt, hoeft ook zij niet meer aan die vereisten te voldoen.
Een alternatief zou zijn, dat het gehele door de stichting gehouden belang aan beschermingsprefs aan die andere stichting wordt overgedragen, mits die andere stichting aan de criteria van art. 5:71 lid 1 onderdeel c Wft voldoet. Omdat reeds een openbaar bod is aangekondigd, mag de tweede stichting de beschermingsprefs voor de maximale duur van twee jaar gaan houden ter bescherming van de vennootschap. Zoals ik hiervoor in paragraaf 11.4.4 al aangaf, doet het moment van het nemen van de aandelen er niet toe. De tweejaarstermijn vangt aan vanaf het moment waarop de beschermingsprefs door die tweede stichting zijn verkregen. Dat kan dus zijn op een moment dat al enige tijd na de aankondiging van het openbaar bod – bijvoorbeeld anderhalf jaar – ligt. Daarbij verdient het wel aanbeveling dat het bestuur van de tweede stichting volledig uit andere personen is samengesteld dan het bestuur van de eerste stichting. Anders bestaat het risico dat de twee stichtingen als één stichting worden aangemerkt. Zou het in feite om één en dezelfde stichting gaan, dan zou ik menen dat de tweede stichting geen gebruik kan maken van een nieuwe tweejaarstermijn en dientengevolge slechts gebruik kan maken van de tweejaarstermijn die is aangevangen nadat de beschermingsprefs werden uitgegeven aan de eerste stichting.
De overdracht van de beschermingsprefs aan een andere stichting continuïteit kan ook worden bewerkstelligd doordat de stichting een gedeelte van de door haar gehouden beschermingsprefs afsplitst naar een andere stichting continuïteit. In dat geval gaan de beschermingsprefs onder algemene titel over en hoeft er geen koopsom door de nieuwe stichting betaald te worden. De verkrijgende stichting hoeft derhalve geen lening aan te trekken bij een bank. De splitsende stichting houdt echter een schuld jegens de bank voor het volledige bedrag dat zij op de beschermingsprefs heeft gestort. Het ligt in de rede dat de splitsende stichting en de verkrijgende stichting afspraken maken over de aflossing van de schuld. Het is ook mogelijk dat een gedeelte van de schuld wordt afgesplitst naar de verkrijgende stichting. De afsplitsing kan overigens alleen plaatsvinden als de verkrijgende stichting bij de juridische splitsing wordt opgericht.1