Douanewaarde in een globaliserende wereld
Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/9.6.4.2:9.6.4.2 (Non-tarifaire) belemmering om de transactiewaarde van de ingevoerde goederen toe te passen
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/9.6.4.2
9.6.4.2 (Non-tarifaire) belemmering om de transactiewaarde van de ingevoerde goederen toe te passen
Documentgegevens:
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258707:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In beginsel werpen geen van beide benaderingen een non-tarifaire belemmering op voor de vaststelling van de douanewaarde. Dit is enkel anders voor wat betreft de toepassing van het -last-sale principe indien de douanewaarde bepaald moet worden op basis van een verkoop waarbij noch de koper noch de verkoper optreedt als importeur. Dit kan zich voordoen in het geval in een ABCD-transactie, verkoop B-C wordt aangemerkt als verkoop voor uitvoer, terwijl D als importeur optreedt. In figuur 9.12 is in dat kader een voorbeeld opgenomen waarbij volgtijdelijk de facturen worden uitgereikt tussen partijen A-B, B-C en C-D. De verkopen A-B en B-C vinden plaats voordat de goederen het douanegebied van de Europese Unie bereiken, terwijl de verkoop C-D pas daarna plaatsvindt. De goederen worden door importeur D ten invoer aangegeven in het douanegebied van de Europese Unie. In een dergelijk geval beschikt D, als importeur, niet per definitie over de juiste administratieve gegevens. Dit kan leiden tot additionele administratieve lasten. Indien hij namelijk niet beschikt over de juiste administratieve gegevens – denk aan de onderliggende factuur van de verkooptransactie – zal de douanewaarde mogelijk op basis van een alternatieve waarderingsmethode bepaald moeten worden.1 Dit is onwenselijk aangezien de douanewaarde primair op basis van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen bepaald moet worden. Zoals hiervoor uitgelegd leidt een en ander potentieel ook tot hogere administratieve lasten en in die zin kan het last-sale principe een non-tarifaire belemmering opwerpen wat afbreuk doet aan de eenvoud van het douanewaardestelsel en strijd oplevert met de rechtvaardigheid en neutraliteit van het stelsel.
Figuur 9.12 – Importeur niet betrokken bij verkoop voor uitvoer
In Europees verband kon het concept domestic sale een non-tarifaire belemmering opwerpen om de transactiewaarde aan de hand van het last-sale principe toe te passen. Dit concept hield in dat verkopen tussen een in de EU-gevestigde koper en verkoper niet als verkoop voor uitvoer aangemerkt kon worden (onderdeel 9.4.4). Indien voor dezelfde goederenstroom ten tijde van de invoer geen andere verkoop voor uitvoer geïdentificeerd kan worden, moet de douanewaarde overeenkomstig een alternatieve waarderingsmethode bepaald worden. Een strikte toepassing van het concept domestic sale deed daarmee afbreuk aan het principe dat de douanewaarde zoveel als mogelijk bepaald moet worden op basis van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen. Een voorbeeld van een dergelijke situatie is opgenomen in figuur 9.13, waarbij alle partijen in de Europese Unie zijn gevestigd en handelaar X in een derde land een voorraad wijn aanhoudt. Deze wijn heeft hij aangekocht als belegging en de wijn ligt voor langere tijd in opslag in het derde land alvorens verkocht te worden aan handelaar A. Handelaar A verkoopt de wijn daarop aan handelaar B en handelaar B verkoopt de wijn aan handelaar C. Alle verkopen vinden plaats voor de fysieke binnenkomst van de goederen in het douanegebied van de Europese Unie. Nu alle partijen in de Europese Unie zijn gevestigd, diskwalificeren alle verkooptransacties bij de toepassing van het concept domestic sale principe als verkoop voor uitvoer en zal de douanewaarde moeten worden vastgesteld aan de hand van een alternatieve waarderingsmethoden. In het geval handelaar X wel buiten de Europese Unie is gevestigd, kwalificeert de verkoop tussen handelaar X en handelaar A als verkoop voor uitvoer. Zoals geschetst in figuur 9.13 is de importeur – afhankelijk van de leveringscondities handelaar B of C – dan echter niet als koper of verkoper betrokken bij de verkooptransactie die ten grondslag ligt aan het bepalen van de douanewaarde. Mutatis mutandis aan de situatie zoals beschreven in figuur 9.12 leidt dat tot een administratieve lastenverzwaring, omdat de importeur in de regel niet zal beschikken over de factuur op basis waarvan de douanewaarde wordt bepaald. Dit kan ertoe leiden dat om die reden de douanewaarde bepaald zal moeten worden aan de hand van een alternatieve waarderingsmethode. Dit verhoudt zich niet met het principe dat de douanewaarde zoveel als mogelijk aan de hand van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen vastgesteld moet worden en vergroot de kans dat de douanewaarde aan de hand van een arbitraire of fictieve waarde wordt bepaald.
Figuur 9.13 – Domestic sale
Het first-sale principe werpt in beginsel geen non-tarifaire belemmering op. Aangezien een dergelijk principe het de importeur vrijlaat om te kiezen tussen de verkopen voor uitvoer die voorafgaand aan de invoer hebben plaatsgevonden, kan hij zijn keuze afhankelijk stellen van de beschikbare administratieve gegevens, waardoor het first-sale principe niet leidt tot een administratieve belemmering en daarmee een non-tarifaire belemmering.