Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/2.4.2
2.4.2 Richtsnoeren EBA, ESMA en EIOPA
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268466:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Europese Bankenautoriteit, opgericht bij Verordening (EU) 1093/ 2010.
Europese Autoriteit voor effecten en markten, opgericht bij Verordening (EU) 1095/2010.
Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen, opgericht bij Verordening (EU) 1094/2010.
Art. 16 van de ESA-Verordeningen.
EBA-richtsnoeren voor het beoordelen van de geschiktheid van leden van het leidinggevend orgaan en medewerkers met een sleutelfunctie, EBA/GL/2012/06 en de EBA-richtsnoeren voor het beoordelen van de geschiktheid van leden van het leidinggevend orgaan en medewerkers met een sleutelfunctie, EBA/GL/2012/06.
Art. 13 t/m 15 EBA/GL/2012/06.
EIOPA-Richtsnoeren voor het governancesysteem, EIOPA-CP-13/08 en EIOPA-BoS-14/253 (https://eiopa.europa.eu). De toelichtende teksten zijn uitsluitend opgenomen in de Engelstalige versie van de richtsnoeren, zie EIOPA-BoS-14/253, Final Report on Public Consultation No. 14/017 on Guidelines on system of governance, 25 januari 2015 (“Final Report”).
Deze ruime invulling volgt niet zozeer uit de Richtsnoeren, als wel uit de bijbehorende Annex en de toelichtende tekst (Final Report, p. 54 en 55).
Zo bevatten de Nederlandse amvb’s en bijbehorende Bijlagen uitvoeriger lijsten van bij de beoordeling in ieder geval in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden.
Art. 273, tweede lid van de Gedelegeerde Verordening Solvabiliteit II.
Zie voor een korte toelichting op deze “collegiale toetsingen” Hoofdstuk 1, par. 1.3.7 en art. 8, eerste lid, onder c en art. 30 van de ESA-Verordeningen, zoals deze bepalingen gelden per 1 januari 2020.
Zie EIOPA, Peer Review of key functions: supervisory practices and application in assessing key functions, 2018 (“EIOPA Peer Review 2018”) en EIOPA, “Results of the peer review on propriety of administrative, management or supervisory body members and qualifying shareholders,” 25 januari 2019 (“EIOPA Peer Review 2019”). Beide rapporten zijn te vinden op www.eiopa.eu. De Peer Review 2018 ziet op key function holders, waaronder in ieder geval de houders van de interne controlefuncties worden begrepen.
EIOPA stelt zich op het standpunt dat de toezichthouders de key function holders steeds vooraf dienen te toetsen aan zowel de betrouwbaarheids- als geschiktheidseisen, waarbij eventueel een risico gebaseerde aanpak kan worden gevolgd. Nederland krijgt op dit punt een tik op de vingers (zie hierover ook Hoofdstuk 4).
EIOPA constateert een algemene lijn waarbij de uitvoerende bestuursleden worden onderworpen aan een ex-ante toetsing, en de niet- uitvoerende bestuursleden aan een ex-post toetsing. Zie de EOIPA Peer Review 2019, p. 21.
Het betreft Italië, Spanje en Slovenië, zie p. 22 van de EIOPA Peer Review uit 2019.
Het betreft Italië, Luxemburg, Griekenland, Estland, Letland, Slovenië en Kroatië, zie p. 18 van de EIOPA Peer Review 2019.
EIOPA, Consultation Paper on the Opinion on the 2020 review of Solvency II van 15 oktober 2019, EIOPA-BoS-19/465, Hoofdstuk 14.2 (https://www.eiopa.europa.eu/content/consultation-paper-opinion-2020-review-of-solvency-ii_en). Zo stelt EIOPA onder meer voor om in de richtlijn vast te leggen dat de toezichthouders over effectieve bevoegdheden dienen te beschikken om in te grijpen wanneer blijkt dat (beleidsbepalers of) gekwalificeerde aandeelhouders niet langer aan de betrouwbaarheidsvereisten voldoen. Met name op dit laatste punt bestaat onduidelijkheid. Meerdere NCA’s vragen zich af of de Richtlijn Solvabiliteit II hiervoor in zijn huidige vorm een afdoende wettelijke grondslag biedt. Het voorstel van EIOPA beoogt hierin helderheid te scheppen en de consistentie op dit punt te bevorderen. Gezien de parallellen met onder meer de CRD IV zal het voorstel worden voorgelegd aan de andere ESA’s. Het consultatiedocument is opgesteld in vervolg op het verzoek van de EC om technisch advies van EIOPA in het kader van de evaluatie en herziening van de Richtlijn Solvabiliteit II. Het definitieve advies van EIOPA wordt eind 2020 verwacht.
Zie Hoofdstuk 3, sectie 10 van de Gemeenschappelijke Richtsnoeren inzake de prudentiële beoordeling van verwervingen en vergrotingen van gekwalificeerde deelnemingen in de financiële sector 20 december 2016 (JC/GL/2016/01), opgesteld door EBA, ESMA en EIOPA. De voorloper van deze Richtsnoeren, de “Guidelines for the prudential assessment of acquisitions and increases in holdings in the financial sector required by Directive 2007/44/EC,” opgesteld door CEBS, CEIOPS en CESR (de voorlopers van de huidige ESA’s), bevatten vergelijkbare criteria.
Art. 6 PSD II. De Nederlandse Wft stelt in deze gevallen wel een reputatietoets verplicht, zie art. 3:95, eerste lid onder h en i jo art. 100, eerste lid, sub b Wft).
De Wtt 2018 stelt geen vvgb verplicht voor houders van een gekwalificeerde deelneming in een trustkantoor. Wel dienen deze aan betrouwbaarheidseisen te voldoen, zie art. 10, derde lid, Wtt 2018. Rie kerk merkt overigens op dat de formulering in de Wtt 2018 afwijkt van de Wft. De Wft stelt de betrouwbaarheidstoets verplicht voor de aanvrager van de vvgb of van de personen die op grond van de voorgenomen gekwalificeerde deelneming “het beleid van de financiële onderneming zullen bepalen of mede bepalen of zullen kunnen bepalen of mede bepalen” (art. 3:100, eerste lid, onder a Wft). De tussen aanhalingstekens geplaatste toevoeging ontbreekt in de Wtt 2018. Riekerk geeft aan dat de kring van de te toetsen personen onder de Wtt 2018 daarom ruimer is, en beschouwt dit voor trustkantoren als een onevenredige last. Zie C. Riekerk, ‘De impact van de Wtt 2018 voor de organisatie inrichting van trustkantoren’, FR 2019, afl. 11, p. 590.
Art. 10.21 van de Gemeenschappelijke Richtsnoeren.
Het betrouwbaarheidsonderdeel van de reputatietoets bij Nederlandse instellingen wordt uitgevoerd conform art. 3:99, Wft en art. 5-9 Bpr Wft en bijbehorende Bijlage. Andermans reputatie is niet een benoemd antecedent. Hoewel ook niet-benoemde antecedenten, handelingen en voornemens kunnen worden meegewogen bij het vaststellen van de betrouwbaarheid, is de uiteindelijke toetssteen de vraag of sprake is van niet-integere gedragingen van de persoon zelf. Een negatief betrouwbaarheidsoordeel kan daarom mijns inziens niet enkel berusten op, bijvoorbeeld, de dubieuze reputatie van een familielid.
Art. 10.18 van de Gemeenschappelijke Richtsnoeren.
Richtsnoeren van EBA en ESMA voor het beoordelen van geschiktheid van leden van het leidinggevend orgaan en medewerkers met een sleutelfunctie van 26 september 2017, EBA/GL/2017/12/ESMA71-99- 598.
EBA Richtsnoeren inzake interne governance onder Richtlijn 2013/ 36/EU van 26 september 2017, EBA/GL/2017/11. Ook deze Richtsnoeren zijn per 30 juni 2018 in werking getreden.
Vergelijk ook art. 6, eerste lid MiFID II waaruit volgt dat EBA en ESMA gezamenlijk richtsnoeren zullen vaststellen ter nadere invulling van de geschiktheids- en betrouwbaarheidsbepalingen.
P. 5 en 17 EBA Peer Review.
Zie de EBA Peer Review.
Slechts zeven lidstaten werden als fully compliant beoordeeld, waaronder, naast Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Duitsland, Denemarken, Griekenland en Spanje.
P. 23 EBA Peer Review.
Consultation Paper on Draft joint ESMA and EBA Guidelines on the assessment of the suitability of members of the management body and key function holders under Directive 2013/36/EU and Directive 2014/65/EU, EBA/GL/2020/19-ESMA35-43-2464, https://www.esma.europa.eu/press-news/esma-news/eba-and-esma-launch-consultation-revise-joint-guidelines-assessing-suitability. Beoogd wordt dat de herziene richtsnoeren, tezamen met de eveneens aan te passen Richtsnoeren voor de interne governance, op 26 juni 2021 in werking treden. Waar relevant wordt in dit hoofdstuk naar de voorgestelde aanpassingen verwezen.
EBA Guidelines on the information to be provided for the authorisation of payment institutions and e-money institutions and for the registration of account information service providers under Article 5(5) of Directive (EU) 2015/2366 (Guidelines on authorisation and registration under PSD 2), EBA/GL/2017/09, 8 november 2017 (“EBA Richtsnoeren voor vergunningverlening en registratie onder de PSD II”).
De richtsnoeren verwijzen naar uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders. Daarmee zijn de eisen ook van toepassing op niet-uitvoerende bestuurders in een monistisch bestuursmodel, maar is niet zeker of dit ook geldt voor commissarissen in een dualistisch systeem.
ESMA-Richtsnoeren inzake het leidinggevend orgaan van marktexploitanten en aanbieders van datarapporteringsdiensten van 19 december 2017, ESMA70-154-271.
De geschiktheids- en betrouwbaarheidsbepalingen uit de Europese richtlijnen en verordeningen beperken zich veelal tot het stellen van algemeen geformuleerde, open (vage) normen. Wat precies moet worden verstaan onder termen als “voldoende ervaring”, of “voldoende betrouwbaar”, kan door de lidstaten op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Implementatie in nationale regelgeving kan daardoor (zeer) uiteenlopen.
In verschillende sectoren hebben de Europese toezichtautoriteiten (ESA’s) Richtsnoeren opgesteld waarin zij de open normen nader inkleuren en concretiseren om zo een geharmoniseerde toepassing van deze normen in de Unie te bevorderen. De drie ESA’s (EBA,1 ESMA247 en EIOPA2) dienen onder meer te waken over de consistente toepassing van Europese regelgeving. Zij kunnen het initiatief nemen voor het vaststellen van (technische) verordeningen en guidance opstellen om de deskundigheids- en betrouwbaarheidseisen uit de Europese regelgeving te verduidelijken. Deze guidance kan worden neergelegd in zogenoemde richtsnoeren.3 Zie voor een nadere bespreking van de taken en bevoegdheden van de ESA’s en de juridische status van deze (Level 3) richtsnoeren: Hoofdstuk 1, paragraaf 1.3.3.
EBA (2011 en 2012)- CRD IV
Bij het opstellen van dergelijke richtsnoeren loopt EBA voorop. Al in 2011 en 2012 stelde EBA richtsnoeren vast die behoorlijk wat richting gaven ten aanzien van het toetsingsproces bij banken.4 Zo werd bepaald dat niet alleen de dagelijks beleidsbepalers maar ook de interne toezichthouders en de medewerkers met een sleutelfunctie dienen te voldoen aan eisen omtrent betrouwbaarheid (“goede naam”), individuele kennis, vaardigheden en ervaring, en dat aandacht besteed dient te worden aan potentiele belangenconflicten, de tijd die aan de functie kan worden gewijd, de samenstelling van het collectief en onafhankelijkheid.5
Deze richtsnoeren zijn in 2017, in samenwerking met ESMA, aangepast en nader uitgewerkt en worden thans op enkele punten herzien (zie hierna).
EIOPA (2013 en 2014)- Richtlijn Solvabiliteit II
EIOPA heeft in 2013 richtsnoeren vastgesteld voor het governance-systeem bij (her-)verzekeraars, welke in 2015 zijn aangepast en van een uitvoerige toelichting zijn voorzien.6 EIOPA geeft daarbij een ruime invulling aan de betrouwbaarheidstoets (proper).7 De beoordeling kan onder meer worden gebaseerd op informatie over strafrechtelijke antecedenten, waaronder lopende strafrechtelijke procedures, betrokkenheid bij faillissementen, toezichtantecedenten zoals afwijzing of intrekking van een vergunning, bestuursrechtelijke en tuchtrechtelijke antecedenten en kwesties zoals ontslag. Betrokkene dient hierover informatie te verschaffen aan de toezichthouder. Daarbij dient ook alle “overige” informatie die voor de beoordeling van de betrouwbaarheid en de geschiktheid relevant kan zijn, te worden gemeld. Deze beoordelingssystematiek komt overeen met het Nederlandse stelsel, al zijn de richtsnoeren van EIOPA een stuk minder gedetailleerd van aard.8
De Richtsnoeren bepalen dat er bij de beoordeling van de betrouwbaarheid op moet worden gelet of de (strafrechtelijke) verjaringstermijn mogelijk is overschreden. Verdere duiding blijft achterwege. Of dit betekent dat bij overschrijding van deze termijn het strafrechtelijk antecedent geen rol meer mag spelen bij de toetsing, blijft dus in het midden. De Nederlandse wetgeving kent, zoals hiervoor besproken, geen “verjaringstermijn” voor antecedenten. Wel is het zo dat antecedenten, naarmate zij langer geleden hebben plaatsgevonden, minder zwaar zullen wegen (zie paragraaf 2.1 en, hierna, paragraaf 2.5.1).
Het begrip “fit” wordt in de richtsnoeren alleen nader ingevuld voor wat betreft de geschiktheid van het collectief. Het collectief dient gezamenlijk te beschikken over geschikte kwalificaties, ervaring en kennis met betrekking tot ten minste a) verzekerings- en financiële markten; b) ondernemingsstrategieën en bedrijfsmodellen; c) governancesysteem; d) financiële en actuariële analyses; en e) regelgevingskader en –vereisten. Deze expertisegebieden moeten ruim worden geïnterpreteerd.9
Voor wat betreft de geschiktheid van individuele beleidsbepalers of interne toezichthouders volstaat de Annex met de verplichting om informatie te overleggen over ieders competenties, kennisniveau en werkervaring.10 De Gedelegeerde Verordening Solvabiliteit II geeft op dit punt wat meer toelichting, en bepaalt dat bij de beoordeling of een persoon “fit” (deskundig) is onder meer dient te worden gekeken naar de formele en beroepskwalificaties van de betrokken persoon, zijn kennis en relevante ervaring in de verzekeringssector en in andere financiële sectoren of andere bedrijfstakken, en dat tevens rekening dient te worden gehouden met de taken die aan de betrokken persoon zijn toevertrouwd en, voor zover relevant, met de vaardigheden van de betrokken persoon op verzekerings-, financieel, boekhoudkundig, actuarieel en managementgebied. Daarnaast dient informatie te worden verstrekt over potentiele belangenconflicten. De beoordeling van het element “fit” strookt met de bepalingen uit de Beleidsregel Geschiktheid, al biedt de beleidsregel een uitvoeriger kader.
In 2018 en 2019 heeft EIOPA twee “Peer Reviews” gepubliceerd.11 De eerste Peer Review ziet op de wijze van beoordeling van de leden van het tweede echelon; de tweede op de wijze waarop de betrouwbaarheid van dagelijks beleidsbepalers, interne toezichthouders en houders van een gekwalificeerde deelneming bij verzekeraars in de verschillende lidstaten wordt getoetst.12 Uit beide Peer Reviews blijkt dat toetsingspraktijken tussen lidstaten flink kunnen verschillen. Aan de geschiktheid van de leden van het tweede echelon worden zwaardere, of minder zware eisen gesteld en de geschiktheid (en betrouwbaarheid) van deze leden wordt soms wel, soms niet ook na indiensttreding nog gemonitord of getoetst. Anders dan in Nederland wordt zowel de geschiktheid als de betrouwbaarheid van deze leden in de meeste lidstaten voorafgaand aan indiensttreding getoetst.13
Ook de betrouwbaarheidstoetsing van dagelijks beleidsbepalers, interne toezichthouders en houders van een gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar blijkt in elke lidstaat anders uit te kunnen pakken. Soms dient de goedkeuring van de toezichthouder te worden verkregen voorafgaand aan indiensttreding (ex ante), soms pas erna (ex post).14 Meerdere lidstaten blijken de in de Richtlijn Solvabiliteit II neergelegde minimumeisen niet volledig in de nationale wetgeving te hebben geïmplementeerd, zoals de bevoegdheid van de toezichthouder om een hertoetsingsonderzoek uit te voeren en een persoon hierna “heen te kunnen zenden”.15 Diverse lidstaten besteden, anders dan in Nederland en ook anders dan EIOPA eist, bij de betrouwbaarheidstoets geen aandacht aan lopende (strafrechtelijke of bestuursrechtelijke) procedures, financiële antecedenten (zoals persoonlijke of zakelijke faillissementen), en aan situaties waarin onvoldoende openheid of eerlijkheid is betracht. De toets kan hierdoor in de deze lidstaten als “minder streng” worden ervaren.16
Naar aanleiding van de uitkomsten van de Peer Review 2019 heeft EIOPA een aantal voorstellen geformuleerd voor aanpassing van de Richtlijn Solvabiliteit II. De voorstellen beogen de toetsingspraktijken in de lidstaten nader te harmoniseren.17
Gemeenschappelijke Richtsnoeren EBA, ESMA en EIOPA (2016)
EBA, ESMA en EIOPA hebben voorts gezamenlijke richtsnoeren (“L3L”) opgesteld voor de toetsing van houders van een gekwalificeerde deelneming in bepaalde financiële instellingen. Deze “Gemeenschappelijke richtsnoeren inzake de prudentiële beoordeling van verwervingen en vergrotingen van gekwalificeerde deelnemingen in de financiële sector” bevatten uitvoerige bepalingen over de uitvoering van de reputatietoets (zie paragraaf 2.2.3).18 De Gemeenschappelijke Richtsnoeren hebben betrekking op deelnemingen in banken, verzekeraars, beleggingsondernemingen en centrale tegenpartijen, en dragen in deze gevallen bij aan een nadere harmonisatie. Niet alle toetsingen van de houders van een gekwalificeerd belang worden echter door de Gemeenschappelijke Richtsnoeren bestreken. Zo hebben de richtsnoeren geen betrekking op de toetsingen bij betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen, terwijl de PSD II ook hiervoor een vvgb-plicht en reputatietoets introduceert,19 en op beheerders van icbe’s. Dit laatste is opvallend omdat art. 8, eerste lid jo art. 11 van de ICBE-Richtlijn juist verwijzen naar het MiFID-regime.
Uiteraard zijn de richtsnoeren daarnaast niet van toepassing op de toetsing van gekwalificeerd belanghouders bij entiteiten die slechts door nationale regelgeving worden gereguleerd, zonder dat hiervoor een verplichting bestaat op Europees niveau. Een in het oog springend voorbeeld is de trustsector.20
Het onderdeel van de reputatietoets dat ziet op de integriteit van de kandidaat-verwerver (betrouwbaarheid) wordt in de Gemeenschappelijke Richtsnoeren gedetailleerd uitgewerkt, en is zeer vergelijkbaar met de Nederlandse betrouwbaarheids-systematiek (zie paragraaf 2.2.1). Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met alle relevante beschikbare informatie, waaronder in ieder geval bepaalde strafrechtelijke, financiële, fiscale, tuchtrechtelijke en toezichtantecedenten. Een opvallende aanvulling op het Nederlandse systeem is dat de Richtsnoeren toestaan dat de toezichthouder rekening houdt met de integriteit en reputatie van elke persoon die nauwe familiebanden of een nauwe zakelijke relatie met de kandidaat-verwerver heeft of lijkt te hebben.21 Het is de vraag in hoeverre deze bepaling in de Nederlandse situatie effect kan sorteren.22 Ook mag de toezichthouder rekening houden met andere aanwijzingen voor delicten, voor zover deze relevant zijn en de bron betrouwbaar lijkt, zoals negatieve mediaberichtgeving en beschuldigingen.23
Richtsnoeren van EBA en ESMA (2017)- CRD IV en MiFID II
Een belangrijke stap richting harmonisatie is gezet met de lancering van de gezamenlijke richtsnoeren van EBA en ESMA voor het beoordelen van geschiktheid van leden van het leidinggevend orgaan en medewerkers met een sleutelfunctie, in september 2017.24 De Richtsnoeren zijn op 30 juni 2018 in werking getreden. De Richtsnoeren vervangen de richtsnoeren van EBA uit 2011 en 2012 en dienen in samenhang met de eveneens aangepaste EBA-richtsnoeren voor de interne governance te worden begrepen.25 De Richtsnoeren zien op dagelijks beleidsbepalers, interne toezichthouders (tezamen: het leidinggevend orgaan) en op sleutelpositiehouders26 bij zowel banken, financiële holdings, gemengde financiële holdings als bij beleggingsondernemingen. Dit laatste is de reden dat de Richtsnoeren gezamenlijk door EBA en ESMA zijn uitgebracht.27
Voorafgaand aan de totstandkoming van de nieuwe richtsnoeren heeft EBA in 2015 een Peer Review uitgevoerd naar de wijze waarop de toezichthouders in de Unie in de praktijk uitvoering geven aan het toetsingsproces.28 Doel van de Peer Review was enerzijds een beoordeling van de implementatie en naleving van de EBA richtsnoeren uit 2012, en anderzijds het identificeren van best practices als input voor de herziening van deze richtsnoeren.
Uit de Peer Review bleek dat nationale toetsingspraktijken sterk uiteenlopen. Zo verschillen definities, en worden begrippen als “voldoende tijd”, “onafhankelijkheid” en “belangenconflicten” door de verschillende toezichthouders op steeds andere manieren geïnterpreteerd. Ook het toepassingsbereik verschilt, zodat commissarissen soms wel, en soms niet getoetst worden. Ditzelfde geldt voor sleutelfunctiehouders. Evenmin wordt in alle lidstaten aan alle beoordelingscriteria getoetst. Zo is bijvoorbeeld “onafhankelijkheid” niet altijd een criterium. Verder lopen ook de toetsingsprocessen en methodieken uit elkaar: wel of geen interviews, toetsingen uitgevoerd als onderdeel van het jaarlijkse SREP-proces of steeds per individuele aanvraag, goedkeuring van de toezichthouder ex ante of ex post, informeel of formeel proces, en verschillen de criteria voor het starten van een hertoetsingsprocedure. Ook de wijze waarop betrouwbaarheidstoetsingen plaatsvinden loopt zeer uiteen.29
De uitkomsten leiden tot de conclusie dat de lidstaten de EBA-richtsnoeren uit 2012 niet consistent in hun toezichtpraktijken hebben geïmplementeerd. Beleidsbepalers en interne toezichthouders kunnen daarom in verschillende lidstaten aan een ander toetsingsproces (“streng” of “minder streng”) worden onderworpen. Harmonisering was naar het oordeel van EBA daarom noodzakelijk. Bovendien dienden ook de kwaliteit en effectiviteit van de toetsingspraktijken te worden verbeterd. Voor deze kwaliteitsslag heeft EBA de best practices bij de verschillende toezichthouders onderzocht.30
Veel waardering bestond er in dit verband voor de Nederlandse toetsingspraktijk. Tijdens de Peer Review werd Nederland niet alleen als fully compliant beoordeeld,31 maar zijn ook diverse best practices geïdentificeerd. Hieronder vallen bijvoorbeeld de Beleidsregel Geschiktheid met de gedetailleerde criteria om geschiktheid vast te stellen, het gebruik van de geschiktheidsmatrix bij de beoordeling van het collectief, de bij de Beleidsregel behorende lijst met zestien relevante competenties, het gebruik van interviews en het proportioneel toetsen (intensiever toetsen als het belang groter is, of in het geval van twijfel of de kandidaat de lat wel haalt).32 Deze best practices zien we terug in de nieuwe, aangepaste Richtsnoeren van EBA/ESMA (zie paragraaf 2.5).
Om deze richtsnoeren te laten aansluiten op de wijzigingen in de CRD V/ CRR II en het nieuwe IFR/IFD-regime zullen de richtsnoeren in 2021 worden herzien. Deze herziening is voornamelijk technisch van aard en brengt slechts enkele inhoudelijke wijzigingen.33
EBA (2017)- PSD II en Richtlijn Elektronisch geld
EBA heeft voorts in 2017 richtsnoeren gepubliceerd voor het aanleveren van informatie door betaalinstellingen, rekeninginformatiedienstverleners en elektronischgeldinstellingen bij het aanvragen van de benodigde vergunning of registratie.34 De richtsnoeren traden in januari 2018 in werking. In de richtsnoeren is onder meer bepaald welke informatie moet worden aangeleverd voor het beoordelen van de geschiktheid en betrouwbaarheid van bestuurders en houders van een gekwalificeerd belang in genoemde instellingen.35 Voor betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen gelden daarbij dezelfde bepalingen.36 Op het punt van deskundigheid/ geschiktheid bepalen de richtsnoeren slechts dat informatie (“bewijs”) dient te worden verschaft over kennis, vaardigheden en ervaring, waaronder informatie over onderwijs en beroepservaring. De richtsnoeren bevatten echter wel een uitgebreide lijst met aan te leveren informatie en factoren die relevant zijn voor het beoordelen van de betrouwbaarheid, vergelijkbaar met de Nederlandse toets.
ESMA (2017)- MiFID II
Kort hierna heeft ESMA richtsnoeren uitgebracht voor de toetsingen van dagelijks beleidsbepalers en interne toezichthouders bij de door MiFID II- gereguleerde marktexploitanten en datarapporteringsdienstverleners.37 De richtsnoeren volgen de lijn van de hierna uitvoeriger te bespreken richtsnoeren van EBA en ESMA voor de toetsingen bij banken en beleggingsondernemingen. Zo worden eisen gesteld aan zowel de betrouwbaarheid (“Eerlijkheid en integriteit”), kennis, vaardigheden en ervaring op zowel individueel als collectief niveau, tijdsbesteding en onafhankelijkheid van geest. De opsomming van feiten en omstandigheden die bij de beoordeling van de betrouwbaarheid in aanmerking genomen dienen te worden is in grote lijnen vergelijkbaar met het Nederlandse systeem.38