Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/1.1
1.1 Over pekingeenden, rechtsverwerking en klachtplichten
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973601:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 april 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB6996, NJ 1968/251 (Pekingeenden).
Vaste rechtspraak, zie onder meer HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:24, NJ 2024/41, r.o. 3.4.
Zie hoofdstuk 3.3 hierna.
Tjittes & Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW nr. A6b) 2020/1.
Hijma 2016*, p. 168; Van Boom 2011, p. 810-814; Bollen & Hartlief 2009/2192, sub 3.
HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7846, NJ 2014/495 (Van Lanschot/Grove); HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7195, NJ 2014/496 (Kramer/Van Lanschot) (kantoorgenoten van mij waren betrokken bij deze zaak); HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, NJ 2014/497 (Van de Steeg/Rabobank), met alle drie een annotatie van Hijma in NJ 2014/497.
We spreken omstreeks 22 februari 1960. Een pluimveebedrijf komt met Calot, een pluimveeslachterij en mesterij, schriftelijk overeen om 140.000 stuks witte pekingeenden aan Calot te leveren. Calot zou het pluimveebedrijf daarvoor een prijs van 1,80 gulden per kilo ‘nuchter gewicht’ betalen. De eenden moeten schoon zijn, goed in het verendek zitten en bovendien een nuchtere maag hebben. Het pluimveebedrijf zou de leveringen zoveel mogelijk verdelen over het seizoen.
Calot heeft op grond van dit contract in drie gevallen de mogelijkheid om bepaalde kortingen op de overeengekomen koopprijs toe te passen: bij vervuilde eenden, eenden met kale plekken in het verendek of eenden die niet nuchter zijn. Calot past deze kortingen vanaf 24 april 1960 tot in september van dat jaar structureel toe.
Na op 27 mei 1960 tegen de tot dan toe toegepaste kortingen te protesteren, uit het pluimveebedrijf vervolgens pas voor het eerst op 23 februari 1961 bij monde van zijn raadsman een bezwaar tegen de door Calot gedurende de rest van het jaar 1960 toegepaste kortingen. Het pluimveebedrijf vordert in rechte alsnog betaling van de door Calot gekorte bedragen. Rechtbank en hof wijzen het overgrote deel van deze vordering af. Het hof legt aan dat oordeel ten grondslag, dat sprake was van talrijke op zichzelf staande en met korte tussenpozen plaatsvindende leveranties pekingeenden. Calot heeft het pluimveebedrijf ten aanzien van die leveranties regelmatig en op inzichtelijke wijze in kennis gesteld van door haar toegepaste kortingen. Nu het pluimveebedrijf niet telkens spoedig na ontvangst van die informatie over de toegepaste kortingen heeft geklaagd, heeft het zijn aanspraak op de gekorte bedragen in zoverre verwerkt. Door het stilzitten van het pluimveebedrijf kon Calot, die de eenden intussen allang had geslacht, geen bewijs meer produceren over de toestand van de eenden bij ontvangst daarvan. De Hoge Raad laat dit oordeel in stand.1
Deze klassieke en naar de aard der zaak enigszins macabere casus is in de Nederlandse rechtssfeer een van de bekendste voorbeelden van toepassing van het leerstuk van rechtsverwerking. Rechtsverwerking is de sanctie op gedrag van de schuldeiser waardoor de positie van de schuldenaar onaanvaardbaar wordt benadeeld of verzwaard wanneer de schuldeiser toch zijn rechten jegens de schuldenaar kan uitoefenen. De schuldeiser ‘verwerkt’ in dat geval zijn rechten jegens de schuldenaar. Dat wil in beginsel zeggen dat hij op die rechten geen beroep meer kan doen.2
Het zogeheten Pekingeenden-arrest is gewezen onder het oud BW. Het leerstuk rechtsverwerking heeft sinds de introductie van het nieuw BW evenwel aanzienlijk aan belang ingeboet. De introductie van korte, veelal vijfjarige verjaringstermijnen heeft het leerstuk van rechtsverwerking teruggedrongen.3 Bovendien heeft de wetgever in 1992 de wettelijke klachtplichten geïntroduceerd. Deze plichten worden als wettelijke vorm van rechtsverwerking gezien. De wettelijke klachtplichten hebben na hun introductie ongeveer tien jaar lang een vrijwel slapend bestaan geleid. Na de millenniumwisseling wisten schuldenaren de weg naar deze voor hen gunstige bepalingen steeds beter te vinden. Rechtsverwerking in het domein van wanprestatie wordt inmiddels vrijwel volledig beheerst door deze bijzondere wetsbepalingen.4
De grondhouding van de rechtspraktijk en dogmatiek tegenover de wettelijke klachtplichten is kritisch: men hekelt het ‘valbijlkarakter’ van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW.5 De Hoge Raad slijpt in zijn rechtspraak de scherpe randjes van deze plichten af. De belangrijkste Hoge Raad-arresten in dit verband zijn misschien wel de drie arresten van 8 februari 2013.6 Daarin bepaalt de Hoge Raad zowel ten aanzien van art. 6:89 als 7:23 lid 1 BW onder andere dat de klachttermijn niet snel zal zijn geschonden als de schuldenaar door het tijdstip van de klacht niet in zijn belangen is geschaad.
Met deze op rechtsverwerking geënte rechtsregel verhoogt de Hoge Raad de lat voor het aannemen van een schending van de klachtplicht. In nadien verschenen rechtspraak in feitelijke instanties heeft de honorering van een klachtplichtverweer dan ook meer een uitzonderingskarakter gekregen. De kritiek op art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW in de literatuur is vervolgens afgezwakt, maar niet verstomd. Er blijft een aantal belangrijke vragen overeind. Zo rijst steeds weer de vraag wat het toepassingsbereik van art. 6:89 BW is. Ook is de verhouding van de klachtplicht tot de korte verjaringstermijnen nog niet uitgekristalliseerd. Hetzelfde geldt voor de verhouding van de wettelijke klachtplichten tot het leerstuk rechtsverwerking.