Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/1.2
1.2 Doel en opzet van het onderzoek
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973557:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Sieburgh 6-III 2022/423 e.v. (m.b.t. rechtsverwerking); Asser/Sieburgh 6-I 2020/408 e.v. (m.b.t. art. 6:89 BW); Klomp & Schelhaas, GS Verbintenissenrecht, artikel 6:89 BW (2023); Bartels, Verdaas & Verheul, GS Bijzondere overeenkomsten, artikel 7:23 BW (2021); Asser/Hijma 7-I 2019/797 e.v. (m.b.t. art. 7:23 BW).
Zie Tjittes & Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW nr. A6b) 2020.
Zie voor een instructieve uiteenzetting van deze definitie van het begrip ‘rechtszekerheid’ Van Gerven & Lierman 2010, nr. 66, die onder andere putten uit de inzichten van Fuller voor de vraag wat goed recht is, vgl. Fuller 1969.
Het doel van dit boek is om de toepassingsvereisten van het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten in onderlinge samenhang te onderzoeken, waarbij ook hun verhouding tot de korte verjaringstermijnen wordt onderzocht. De korte verjaringstermijnen zijn eveneens in het nieuw BW voor het eerst geïntroduceerd, zijn verwant aan het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten en hebben sinds hun introductie een aanzienlijke rechtsontwikkeling doorgemaakt. Het ligt daarom voor de hand om bij een onderzoek naar de toepassingsvereisten van het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten aandacht te besteden aan de korte verjaringstermijnen.
Het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten worden in verschillende standaardwerken uitgebreid beschreven.1 Voorts is een gedetailleerde beschrijving van deze rechtsfiguren te vinden in een monografie waarvan ik de meest recente druk als coauteur bewerkte.2 Dit boek bevat om deze redenen geen beschrijvend eerste hoofdstuk waarin het voorwerp van onderzoek wordt uiteengezet. Voor een introductie op het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten verwijs ik naar voornoemde standaardwerken en de monografie waaraan ik heb bijgedragen. Het doel van dit boek is om vanuit het bestaande kader verder te denken over een aantal aspecten van deze leerstukken waarover nog vragen bestaan. Deze keuze neemt niet weg dat ik aandacht heb besteed aan de zelfstandige leesbaarheid van dit boek. Voor zover nodig worden aspecten van het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten toegelicht op de plaats waar ze aan de orde komen.
De centrale onderzoeksvraag bevat vanwege de keuze om geen verkennend eerste hoofdstuk in dit boek op te nemen geen ‘wat-vraag’ en luidt als volgt:
Hoe moeten de toepassingsvereisten van het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten worden geëvalueerd vanuit het perspectief van hun rechtskarakter en de verhouding van deze rechtsfiguren ten opzichte van de korte verjaringstermijnen?
Deze vraag valt uiteen in vijf deelvragen:
Wat is het rechtskarakter van het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten en wat voor perspectieven vloeien uit dat rechtskarakter voort voor de toepassing van deze rechtsfiguren?
Hoe verhouden het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten zich tot de korte verjaringstermijnen uit het BW?
Wat is, mede in het licht van de bevindingen op basis van vraag 1 en 2, het toepassingsbereik van de wettelijke klachtplichten van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW?
Hoe moeten de geldende materiële toepassingsvereisten van het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten in het licht van de bevindingen op grond van vraag 1-2 worden geëvalueerd?
Hoe moet, mede in het licht van de bevindingen op basis van de eerste vier vragen, worden omgesprongen met contractuele klachtregelingen?
Dit onderzoek is, gelet op voorgaande hoofdvraag en deelvragen, normatief-evaluerend van aard. Het kader dat ik daarbij gebruik vloeit in de eerste plaats voort uit de beantwoording van de eerste deelvraag. De eerste vraag die bespreking verdient, is namelijk wat het rechtskarakter van het leerstuk rechtsverwerking en de klachtplichten is. Rechtsverwerking wordt in de Nederlandse literatuur als sanctie op schending van een Obliegenheit gezien. Ook de klachtplichten worden als Obliegenheiten aangemerkt. Daarmee is een onderzoek naar de figuur van de Obliegenheit op zijn plaats. De Obliegenheit is in de Nederlandse literatuur tot op heden wat stiefmoederlijk behandeld. Zoals het woord doet vermoeden, is het begrip Obliegenheit afkomstig uit de Duitse rechtsleer. Ik analyseer in hoofdstuk 2 de ratio van Obliegenheiten, de kenmerken van rechtsfiguren die als Obliegenheit worden gekarakteriseerd en ik onderzoek daarnaast de huidige stand van de Duitse rechtsleer ten aanzien van dit begrip. Dit onderzoek levert inzichten op voor de toepassingsvereisten van het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten, die in de rest van het boek zullen worden gebruikt bij de evaluatie van diverse aspecten van deze leerstukken.
Een belangrijke tweede vraag is die naar de verhouding van het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten tot de korte verjaringstermijnen. De korte verjaringstermijnen van art. 3:52 en 3:307-3:311 BW hebben het rechtsonzekere, want sterk contextgebonden leerstuk van rechtsverwerking teruggedrongen. Tegelijkertijd heeft de wetgever een nieuwe wettelijke vorm van rechtsverwerking geïntroduceerd in de vorm van art. 6:89 BW en art. 7:23 lid 1 BW. De focus op de klachttermijn in de rechtspraak van de Hoge Raad heeft de klachtplichten mogelijk nog dichter bij het verjaringsrecht gebracht. Hoe verhouden het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten zich tot de korte verjaringstermijnen uit boek 3 van het BW? Zitten ze in elkaars vaarwater? Deze vragen worden in hoofdstuk 3 behandeld.
Aan de hand van mijn onderzoek naar het rechtskarakter van het leerstuk rechtsverwerking en de klachtplichten en hun plaatsbepaling ten opzichte van de korte verjaringstermijnen, vindt verdere gedachtevorming plaats in hoofdstuk 4 en 5. Daarbij zullen verschillende aspecten van het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten vanuit het kader dat in hoofdstukken 2 en 3 is geschetst, worden geanalyseerd. Daarbij staat een praktijkgerichte benadering voorop, die is ingegeven door het belang van rechtszekerheid. Onder het begrip rechtszekerheid wordt in dit boek, kort gezegd, verstaan dat het recht zoveel mogelijk (i) toegankelijk en duidelijk, (ii) berekenbaar en betrouwbaar en (iii) uitvoerbaar en handhaafbaar moet zijn.3 Het gaat hier dus om een rechtszekerheidsbegrip op een algemeen niveau. Ik besef dat met name de wettelijke klachtplichten, maar ook het leerstuk rechtsverwerking en verjaring, in de kern beogen de schuldenaar te beschermen. In zoverre speelt in dit onderzoek ook een vorm van rechtszekerheid op het niveau van een concrete rechtsverhouding, namelijk in de vorm van het belang van de schuldenaar om niet geconfronteerd te worden met late en moeilijk betwistbare klachten over de door hem geleverde prestatie. In aanvulling daarop speelt ook aan schuldeiserszijde een rechtszekerheidsbelang, namelijk om niet onverwacht zijn vordering op grond van een van deze leerstukken te zien stranden. Er zal steeds een balans moeten worden gevonden tussen het algemene belang van rechtszekerheid bij, makkelijk gezegd, voorspelbare regels waarmee een algemeen rechtszekerheidsbelang wordt gediend, en het specifieke rechtszekerheidsbelang van de schuldenaar en de schuldeiser.
Hoofdstuk 4 gaat over het toepassingsbereik van de wettelijke klachtplichten. Met name ten aanzien van art. 6:89 BW bestaan nog steeds de nodige onduidelijkheden aangaande het toepassingsbereik. Zo lopen de meningen uiteen over de vraag of art. 6:89 BW van toepassing is op alle verbintenissen en, daarnaast, of art. 6:89 BW zelfs buiten het domein van de verbintenissen, bijvoorbeeld in de zuiver delictuele sfeer, een rol moet kunnen spelen. Verder rijst de vraag of het voor het toepassingsbereik van zowel art. 6:89 BW als art. 7:23 lid 1 BW uitmaakt op wat voor manier de schuldenaar is tekortgeschoten. Tot slot behandel ik de vraag of bepaalde soorten prestaties buiten het toepassingsbereik van art. 6:89 BW vallen. In dit kader wordt ingegaan op de prestatie tot voldoening van een geldsom, prestaties strekkende tot een niet-doen en voortdurende prestaties.
In hoofdstuk 5 besteed ik aandacht aan de materiële toepassingsvereisten van het leerstuk rechtsverwerking en art. 6:89 BW en 7:23 lid 1 BW. Als eerste ga ik in op de vraag of, zoals volgens de huidige rechtspraaklijn van de Hoge Raad mogelijk is, inderdaad rechtsverwerking kan worden aangenomen op basis van gerechtvaardigd vertrouwen van de schuldenaar dat de schuldeiser zijn recht niet meer geldend zal maken, zonder dat is gebleken van enig nadeel als gevolg van het passieve of tegenstrijdige gedrag van de schuldeiser. Vervolgens bespreek ik de onderzoeksplicht bij art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW en de vraag in hoeverre de focus van de Hoge Raad op de lengte van de klachttermijn een wenselijke benadering is om tot redelijke uitkomsten te komen. Verder komt de vraag aan de orde of rechtsverval als sanctie op art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW in steen gebeiteld is, of dat relativering daarvan tot de mogelijkheden behoort. Ik bespreek ook in hoeverre de toepassingsvereisten zouden kunnen veranderen wanneer uitgegaan zou worden van relativering van deze sanctie.
Tot slot rijst de vraag hoe met contractuele klachtregelingen moet worden omgesprongen. Van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW kan door commerciële partijen onderling vrijelijk worden afgeweken. De vraag rijst in hoeverre bij de uitleg van dit soort contractuele bepalingen de toepassingsvereisten bij art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW moeten doorwerken. Hoofdstuk 6 is aan deze materie gewijd.
In hoofdstuk 7 volgt de conclusie.