Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/3.6.0
3.6.0 Introductie
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS430543:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aanvankelijk stelde de wetgever een regeling voor die vrijwel identiek was aan art. 814 lid 1 Rv oud. Uiteindelijk is aansluiting gezocht bij art. 2, 5 en 6 Vo-BII. Met ingang van 1 mei 2006 wordt in art. 4 lid 1 Rv verwezen naar de Verordening Brussel Ilbis. Deze wijziging is aangebracht in de Wet van 16 februari 2006, Stb. 2006, 123, KB van 2 april 2006, Stb. 2006, 193 (Uitvoeringswet internationale kinderbescherming).
Zie voor de Verordening Brussel II: Kamerstukken II 2000/01, 27 824, nr. 3, p. 21 (MvT).
Nader over het toepassingsgebied van de Verordening Brussel IIbis, par. 6.2-6.3.
Zie bijv. Rb. Alkmaar 8 januari 2004, N/PR 2004, 107.
Zie bijv. Rb. 's-Gravenhage 23 april 2003, NIER 2003, 173; Rb. 's-Gravenhage 27 augustus 2003, NIER 2003, 253; Rb. 's-Gravenhage 27 oktober 2003, NIER 2004, 11; Rb. 's-Gravenhage 10 december 2003, NIER 2004, 119. Vgl. I. Curry-Sumner, Airs well that ends registered? The substantive and private international law aspects ofnon-marital registered relationships in Europe, Intersentia: Antwerp-Oxford 2005, p. 436-437. Een aan art. 4 lid 4 Rv gelijke bevoegdheidsgrond heeft de wetgever niet in het leven willen roepen voor de ontbinding van huwelijken tussen echtparen van gelijk geslacht. Zie daarover Staatscommissie IPR, Advies inzake het internationaal privaatrecht in verband met de openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht, 's-Gravenhage december 2001, p. 19.
Zie par. 6.2.
Aldus ook Mostermans (2006), nr. 78.
Nader over deze beslissing, par. 6.4.3.
Mostermans (2006), nr. 79.
Buiten de toepassing van verdragen en EG-verordeningen geldt voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, nietigverklaring, alsmede nietigheid en geldigheid van het huwelijk de regeling in art. 4 lid 1 Rv. Kortheidshalve wordt in het hiernavolgende slechts over de echtscheiding gesproken. Art. 4 lid 1 Rv bepaalt dat als de Verordening Brussel Ilbis niet van toepassing is, de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter toch vastgesteld dient te worden volgens art. 3, 4 en 5 van deze verordening.1 Dat is volgens de wetgever het eenvoudigst en creëert bovendien rechtsgelijkheid tussen de gevallen die wel en de gevallen die niet onder de Verordening Brussel Ilbis vallen.2 Art. 4 lid 1 Rv vervult een beperkte rol voor die zaken die buiten het formele en/of materiële toepassingsgebied van deze verordening vallen.3 Zo wordt de gerechtelijke ontbinding van een geregistreerd partnerschap niet bestreken door de Verordening Brussel Ilbis. Dit blijkt ook uit art. 4 lid 4 Rv, waarin de voorafgaande leden met betrekking tot de echtscheiding van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de gerechtelijke ontbinding van het geregistreerd partnerschap, ongeacht of het geregistreerd partnerschap in Nederland dan wel in het buitenland tot stand is gekomen.4 Indien het geregistreerd partnerschap in Nederland is aangegaan, heeft de Nederlandse rechter blijkens art. 4 lid 4 Rv steeds rechtsmacht.5Of de gerechtelijke ontbinding van een huwelijk tussen personen van het gelijke geslacht onder het toepassingsbereik van de verordening valt, is een punt van discussie.6 Mocht blijken dat de verordening uitgaat van een traditioneel huwelijksbegrip tussen personen van verschillend geslacht, dan zal art. 4 lid 1 Rv ook van toepassing zijn op de ontbinding van een huwelijk tussen personen van het gelijke geslacht. Ten slotte kan art. 4 lid 1 Rv nog een rol spelen als het gaat om 'de nietigheid en geldigheid van het huwelijk', onderwerpen waarop de verordening niet ziet. In de praktijk zal het niet veel uitmaken of de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ter zake van de echtscheiding gebaseerd wordt op de Verordening Brussel Ilbis of op art. 4 lid 1 Rv, omdat daarvoor in beide gevallen bepalend zijn de aanknopingsfactoren in art. 3, 4 en 5 van de verordening.
Art. 4 lid 1 Rv maakt duidelijk dat de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter in echtscheidingszaken 'uitsluitend' wordt bepaald volgens art. 3, 4 en 5 VoBlIbis. Met de toevoeging 'uitsluitend' wordt tot uitdrukking gebracht dat de gronden voor de commune rechtsmacht in echtscheidingszaken uitputtend in art. 4 Rv worden geregeld. Aan andere bepalingen uit het Nederlandse commune recht kan geen rechtsmacht worden ontleend. Ten aanzien van een echtscheidingsverzoek kan de Nederlandse rechter zich dus niet bevoegd verklaren op grond van de algemene rechtsmachtbepaling voor verzoekschriftzaken (art. 3 Rv) of op grond van de regels voor de uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende forumkeuze (art. 8 en 9 sub a Rv).7 De toevoeging `uitsluitend' betekent echter niet dat de Nederlandse rechter geen gebruik mag maken van het forum necessitatis in art. 9 sub b Rv. In uitzonderlijke gevallen behoudt de Nederlandse rechter de mogelijkheid om zich op grond van deze bepaling als een noodforum bevoegd te verklaren.8 Een voorbeeld hiervan is te vinden in Hof ' s-Gravenhage 21 december 2005, NJF 2006, 154.9
Heeft de Nederlandse rechter op grond van de Verordening Brussel Ilbis al dan niet in samenhang met art. 4 lid 1 Rv rechtsmacht, dan kan hij zich niet meer forum non conveniens verklaren op de grond dat de zaak onvoldoende met Nederland is verbonden of geschikter is voor behandeling door een buitenlands gerecht.10 Het gebruik van forum non conveniens is uitgesloten, ook indien de rechtsmacht is gebaseerd op de gemeenschappelijke Nederlandse nationaliteit en het echtpaar geen feitelijke binding (meer) heeft met Nederland. Tot 1 januari 2002 maakte art. 814 lid 2 Rv oud duidelijk dat de toepassing van de algemene forum non conveniens-regel uit art. 429c Rv oud niet gold voor de echtscheidingsbevoegdheid van de Nederlandse rechter. Nu onder 'nieuw' procesrecht een algemene forum non conveniens-regel ontbreekt, is een dergelijke expliciete uitsluiting in art. 4 lid 1 Rv niet nodig.