Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/6.6
6.6 Geen strijd met fundamentele mensenrechten
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS386207:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 4.6.
EHRM 2 augustus 1984, Malone v. Verenigd Koninkrijk, appl.nr. 8691/79 (§ 66), NJ 1988/ 534 m.nt. Van Dijk.
EHRM 30 maart 1989, Chappell v. Verenigd Koninkrijk, appl.nr. 10461/83 (§ 56), NJ 1991/ 522 m.nt. Dommering. Zie ook De Vocht 2015, (T&C Sv), art. 8 EVRM, aant. 4.
EHRM 26 april 1979, Sunday Times v. Verenigd Koninkrijk, appl.nr. 6538-74 (§ 49), NJ 1980/146.
EHRM 23 september 1998, McLeod v. Verenigd Koninkrijk, appl.nr. 72/1997/856/1065 (§ 41).
EHRM 2 augustus 1984, Malone v. Verenigd Koninkrijk, appl.nr. 8691/79 (§ 67), NJ 1988/ 534 m.nt. Van Dijk. Zie ook EHRM 28 oktober 1994, Murray v. Verenigd Koninkrijk, appl.nr. 14310/88, NJ 1995/509 m.nt. Knigge. Zie ook De Vocht in T&C Sv, art. 8 EVRM, aant. 4.
Zie § 3.4.5.
Voor de toetsing aan dit beginsel zijn de volgende vragen relevant:1
• Vormt de strafbaarstelling een inbreuk op artikel 8, 9, 10 en 11 EVRM en zo ja, is de strafbaarstelling toegankelijk, voorzienbaar en noodzakelijk in een democratische samenleving?
De strafbepalingen jegens handelaar, de exploitant, de importeur en exporteur van seksuele dienstverleners, de kinderhandelaar en kinderuitbater en de profiteur in artikel 273f lid 1 Sr vormen mogelijk een inbreuk op het privéleven daar het hen beperkt om onder bepaalde omstandigheden relaties aan te gaan met anderen. De volgende vraag is dan of die inbreuk gegrond is.
De mogelijke inbreuk op artikel 8 EVRM is gerechtvaardigd indien deze is voorzien bij wet, toegankelijk en voorzienbaar is en noodzakelijk is in een democratische samenleving gelet op de limitatief omschreven doelen in lid 2, te weten: de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Met het opnemen van strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht wordt voldaan aan het vereiste dat de beperking een basis in de wet heeft. Maar de bepaling dient ook te voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen: de bepaling moet toegankelijk en voorzienbaar zijn.
De toegankelijkheid vereist dat de burger kennis kan nemen van de toepasselijke regelgeving.2 Dit betekent in ieder geval dat de regelgeving gepubliceerd dient te zijn.3 In het geval van artikel 273f Sr vormt dit geen probleem.
De voorzienbaarheidseis houdt in dat de regelgeving op basis waarvan een inbreuk kan worden gemaakt op het recht op privacy voldoende precies is geformuleerd zodat de burger kan voorzien onder welke omstandigheden zijn recht op privacy kan worden ingeperkt.4 De precieze formulering moet er bovendien toe leiden dat de burger beter beschermd wordt tegen een willekeurige uitoefening van bevoegdheden. Het EHRM stelt tegelijkertijd geen al te hoge eisen aan de precisie. Het Hof erkent dat vage, of algemene formuleringen onvermijdelijk zijn om tegemoet te komen aan wijzigende omstandigheden in de praktijk.5 De eisen van de nauwkeurigheid zijn voorts afhankelijk van de aard van de inbreuk.6 De strafbaarstelling van de mensenhandelaar in sub 1 beschrijft welk gedrag verboden is. De vereiste componenten, te weten diverse wervingshandelingen, beïnvloedingsmiddelen en het oogmerk van uitbuiting, begrenzen het delict. Weliswaar zijn de diverse componenten als zodanig breed interpretabel, maar het ligt niet voor de hand dat het EHRM de bepaling als ‘te vaag’ zou typeren. De burger kan door de bepaling in sub 1 redelijkerwijs voorzien op welke manier zijn privacy wordt ingeperkt. Dat betekent dat aan de voorzienbaarheidseis is voldaan. Ook de bepalingen in de subleden 4, 3, 2, 5 en 6 tot en met 9 zijn niet dermate vaag dat de burger niet kan weten onder welke omstandigheden zijn recht op privacy is ingeperkt.
Verder dient de mogelijke inbreuk noodzakelijk te zijn in het belang van de in lid 2 gestelde doelen. De bepalingen dienen in ieder geval ter voorkoming van strafbare feiten (namelijk mensenhandel en uitbuiting) en eventueel ook ter bescherming van de gezondheid, de goede zeden en de rechten en vrijheden van anderen. De strafbaarstellingen dienen dan ook legitieme doelen. Het nagestreefde doel moet wel in redelijke verhouding staan tot het recht dat wordt aangetast. Deze strafbaarstelling raakt burgers niet diep in het privéleven en de legitieme doelen die worden gediend lijken bij voorbaat niet in onevenredige verhouding te staan tot de inbreuk. Op voorhand is een schending van artikel 8 EVRM dan ook niet aan de orde. Het strafrechtelijk optreden door de overheid dient tot slot in het concrete geval proportioneel te zijn. De strafbaarstelling als zodanig is evenwel verenigbaar met artikel 8 EVRM.
De strafrechtelijk verboden lijken voorts geen inbreuk op de artikel 9, 10 en 11 EVRM met zich te brengen. De strafbaarstellingen vormen immers geen beperking op het hebben van een geloofsovertuiging, de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van vereniging. Zelfs in gevallen waarin dit anders zou zijn, is de beperking (de strafbaarstelling) gezien het zojuist in relatie tot artikel 8 EVRM gestelde, te rechtvaardigen. Een nadere toetsing op basis van deze rechten is dan niet nodig.
• Raakt de strafbaarstelling bepaalde groepen in de samenleving ten onrechte veel of behelst de strafbaarstelling een (verkapt) discriminatiebeleid ten aanzien van bepaalde burgers?
De strafbepalingen in artikel 273f lid 1 Sr zijn niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De strafbaarstelling heeft betrekking op alle mensenhandelaren, exploitanten, importeurs en exporteurs van seksuele dienstverleners, kinderhandelaren en kinderuitbaters, en profiteurs onafhankelijk van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras of geslacht. Alle handelaren die zich schuldig maken aan het werven van slachtoffers met behulp van een beïnvloedingsmiddel met het oogmerk van uitbuiting worden getroffen. Alle exploitanten die zich schuldig maken aan het bewegen van iemand tot arbeid of diensten met behulp van een beïnvloedingsmiddel worden getroffen. Alle importeur en exporteurs die zich schuldig maken aan het werven, medenemen of ontvoeren van een ander met het oogmerk van betaalde seksarbeid in een ander land zijn strafbaar. Alle kinderhandelaren en kinderuitbaters die zich schuldig maken aan het werven van minderjarigen met het oogmerk van uitbuiting dan wel het brengen van een minderjarige tot seksuele dienstverlening of orgaandonatie tegen betaling, zijn strafbaar. En tot slot zijn ook alle profiteurs in de onderdelen 6 tot en met 9 strafbaar ongeacht de godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, het ras of geslacht.
De bepalingen behelzen evenzo geen (verkapt) discriminatiebeleid. Bepaalde groepen in de samenleving worden niet in het bijzonder onrechtmatig hard getroffen. De subleden zijn dan ook niet onverenigbaar met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op discriminatie. Dit beginsel staat aldus niet in de weg aan criminalisering.
De tekstuele delictsomschrijving van de importeur en exporteur blokkeert feitelijk de toegang van onderdanen uit andere lidstaten tot de legale Nederlandse prostitutiemarkt en in die zin wordt gediscrimineerd naar nationaliteit.7 Die discriminatie ziet echter op de seksuele dienstverlener, niet op de importeur of de exporteur. Aangezien de strafbaarstelling tot hem is gericht, is de formulering niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel en verbod op discriminatie. Bovendien wordt de bepaling inhoudelijk strikter gelezen.