Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/6.3
6.3 De ondernemingskamer en het oordeel van de bevoegde rechter
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196991:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De Ondernemingskamer heeft overwogen dat, waar zij zelf niet bevoegd is over een (rechts)vraag te oordelen, zij “in het geval dat dienaangaande een beslissing van de bevoegde rechter niet voorhanden is, zich over die (rechts)vraag een oordeel dient te vormen” (OK 21 maart 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BC7530, ARO 2008/79 (Yukos), r.o. 3.5). Dat oordeel geldt in de enquêteprocedure als uitgangspunt.
En hij dient zich daar in beginsel naar te richten (HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1705, NJ 1996/462, r.o. 3.4). De verhouding tussen de voorzieningenrechter en de bodemrechter komt hierna uitvoeriger aan de orde.
[195] Aangezien de Ondernemingskamer zelf niet bevoegd is te oordelen over de inhoud van de vermogensrechtelijke betrekking van de rechtspersoon, moet ze bij haar beslissing over een voorziening die mogelijk conflicteert met die betrekking, afgaan op het oordeel van een andere, bevoegde rechter. Als zich nog geen (bevoegde) rechter heeft uitgelaten over de contractuele verhouding, maakt ze zich een voorstelling van dat oordeel.1 Dat is dus een voorstelling van een toekomstig oordeel van de bevoegde rechter. Het is geen uitzondering dat een rechter zijn beslissing mede baseert op een prognose over een toekomstig oordeel van een andere rechter. De voorzieningenrechter doet het: hij dient zich in het algemeen een voorstelling te maken van een toekomstig oordeel van de bodemrechter, waarop hij met zijn voorlopig oordeel vooruitloopt.2 Ten tijde van de beslissing door de Ondernemingskamer, staat veelal niet vast of de bevoegde rechter zal worden geroepen om te oordelen over de vermogensrechtelijke betrekking van de rechtspersoon. In die zin maakt de Ondernemingskamer zich een voorstelling van een mogelijk toekomstig oordeel.
6.3.1 Verhouding tussen voorzieningenrechter en bodemrechter; de afstemmingsregel6.3.2 De toepasselijkheid van de afstemmingsregel in de enquêteprocedure6.3.3 Het oordeel van een andere rechter als informatiebron voor de ondernemingskamer