Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/5.4.2
5.4.2 Art. 6:181 niet als dé tegenhanger van art. 6:171
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS303963:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Parl. gesch. Boek 6, p. 727, 745.
Parl. gesch. Boek 6, p. 725, 727, 729.
Vgl. de vragen van de Vaste Commissie, Parl. gesch. Boek 6, p. 725.
Parl. gesch. Boek 6, p. 727.
Zo ook Keijzer en Oldenhuis 2011, p. 97-102. Zie ook de conclusie van A-G Langemeijer sub 2.23-24 voor HR 11 mei 2005, NJ 2011/631 (EMO/Witchin).
Parl. gesch. Boek 6, p. 746. Vgl. ook Hof Arnhem 13 juni 1999, NJ 2000/58 (Van Zijderveld/Hachmang) en Hof Den Bosch 17 mei 2016, JA 2016/106 (Paard Dika). Zie ook par. 3.4 en par. 5.4.4.
Een en ander laat gevallen van hoofdelijke aansprakelijkheid ex art. 6:170 en 181 onverlet. Bijvoorbeeld indien van twee personen tegelijk kan worden gezegd ‘opdrachtgever’ ex art. 6:170 te zijn (denk aan eenin- en uitleensituatie) dan wel dat van twee personen tegelijk kan worden gezegd de betreffende zaakex art. 6:181 in de uitoefening van hun bedrijf te gebruiken. Zo deze aansprakelijkheden zodoende al als ‘ketenaansprakelijkheden’ aangemerkt zouden worden, zijn deze van andere orde dan die zoals hier bedoeld ex art. 6:171.
Parl. gesch. Boek 6, p. 745.
Parl. gesch. Boek 6, p. 745 en 746.
Lubach 2005, p. 370-371; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/230. Zie over deze samenhang tussen art. 6:181 enerzijds en anderzijds art. 6:171 én 170 ook Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 7.
In de in de vorige noot genoemde Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 7, wordt ook verwezen naar de zojuist besproken passage uit de wetsgeschiedenis over de explosie op een bedrijfsterrein (Parl. gesch. Boek 6, p. 745, punt 3), waar toen nog enkel art. 6:171 werd genoemd als bepaling waarvan art. 6:181 ‘tegenhanger’ zou zijn. Uit deze toelichting op de Aanvullingswet, waarin de onderlinge samenhang tussen art. 6:170, 171 en 181 aan de orde wordt gesteld, blijkt eveneens dat het destijds op zijn plaats was geweest daarbij óók art. 6:170 te noemen.
In de parlementaire geschiedenis is zoals gezegd het op zaken betrekking hebbende art. 6:181 tot twee maal toe als ‘tegenhanger’ van het voor personen geldende art. 6:171 aangemerkt.1 Hieruit volgt in mijn ogen echter niet dat (toch) juridisch- inhoudelijke samenhang tussen deze beide aansprakelijkheden bestaat. De eerste keer dat art. 6:181 in de wetsgeschiedenis als ‘tegenhanger’ van art. 6:171 wordt aangemerkt, geschiedt dit in de context van het feit dat art. 6:171, anders dan art. 6:170, de aansprakelijkheid van de opdrachtgever niet afstemt op een (persoonlijke) ‘fout’ van de hulppersoon maar afhankelijk stelt van diens ‘aansprakelijkheid’.2 Het idee achter deze van art. 6:170 afwijkende redactie van art. 6:171 was niet eenieder direct duidelijk.3 Gedurende de parlementaire behandeling van art. 6:171 zag de regering zich genoodzaakt hierop nader in te gaan, waarbij werd toegelicht dat een ‘fout’ van een ander nog altijd wel een vereiste voor de aansprakelijkheid van art. 6:171 is, zij het dat dit een ‘fout’ van de hulppersoon zelf kan betreffen maar ook een ‘fout’ van een door deze zelf weer ingeschakelde (ondergeschikte of zelfstandige) hulppersoon. Dat art. 6:171 toch de term ‘fout’ bezigt, strekt er volgens de toelichting toe de aansprakelijkheid van de hulppersoon voor zaken van de bepaling uit te sluiten. De aansprakelijkheid voor zaken van degene die een bedrijf uitoefent, wordt volgens de toelichting namelijk beheerst door art. 6:181 ‘dat als een tegenhanger van art. [6:171] kan worden gezien.’4
Hier leert close reading allereerst dat art. 6:181 in de toelichting wordt aangemerkt als ‘een’ tegenhanger – en niet als ‘de’ tegenhanger – van art. 6:171, hetgeen de ruimte laat dat art. 6:181 ook nog ‘tegenhanger’ van een andere aansprakelijkheid is. Daarvoor komt dan art. 6:170 in aanmerking, aangezien voor deze bepaling in relatie tot art. 6:181 dezelfde tegenstelling geldt als voor art. 6:171 ten opzichte van art. 6:181: een aansprakelijkheid voor hulppersonen (art. 6:170/171) versus een aansprakelijkheid voor hulpzaken (art. 6:181). Aldus is art. 6:181 niet alleen te beschouwen als ‘tegenhanger’ van art. 6:171 maar ook van art. 6:170. Dat in de zojuist aangehaalde wetsgeschiedenis alleen werd gesproken over de verhouding tussen art. 6:181 en 171 – en niet tevens aandacht werd besteed aan art. 6:170 – is goed verklaarbaar, nu op dat moment van de parlementaire behandeling enkel onduidelijkheid bestond over de redactie en reikwijdte van art. 6:171 – en niet over die van art. 6:170, waarin de aansprakelijkheid ‘gewoon’ was gekoppeld aan een persoonlijke ‘fout’ van de ondergeschikte. Dat art. 6:181 in de gegeven context als ‘tegenhanger’ van art. 6:171 wordt aangemerkt, heeft dan ook geen betrekking op een inhoudelijke samenhang maar juist op een tegenstelling tussen deze beide bepalingen: de ene ziet op hulppersonen, de andere op hulpzaken.5 Hierbij kan nog bedacht worden dat waar art. 6:181 in de zojuist aangehaalde wetsgeschiedenis een ‘tegenhanger’ van art. 6:171 wordt genoemd, wordt toegelicht dat aansprakelijkheid ‘in een keten’ mogelijk is op grond van art. 6:171. Voor art. 6:181 geldt nu juist dat de wetgever heeft willen voorkomen dat de op voet van art. 6:181 aangesprokene aansprakelijk is voor schade door een zaak die elders in een keten wordt gebruikt: lid 2 van art. 6:181 bewerkstelligt steeds een exclusieve aansprakelijkheid van ‘de laatste in de keten’.6 Op grond van art. 6:170, dat de aansprakelijkheid (wel) koppelt aan een persoonlijke fout van de hulppersoon, zal zich evenmin een met art. 6:171 vergelijkbare vorm van ‘ketenaansprakelijkheid’ voordoen.7 Inhoudelijk vertoont art. 6:181 (ook) op dit punt dus meer verwantschap met art. 6:170 dan met art. 6:171.
Art. 6:181 wordt in de parlementaire geschiedenis voor de tweede keer als ‘tegenhanger’ van art. 6:171 aangemerkt in de context van de centraliseringsgedachte achter art. 6:181 (en art. 6:170 en 171): het met het oog op de opspoorbaarheid en het voorkomen van dubbele verzekeringen willen bieden van een ‘centraal adres’ voor zowel benadeelden als (potentieel) aansprakelijken.8 Ter toelichting werd het navolgende inmiddels bekende voorbeeld gegeven:9
‘[Art. 6:181] wijst aan wie aansprakelijk is in het geval dat de zaak, de stof, de opstal of het dier wordt gebruikt in de uitoefening van een bedrijf. In dit geval wordt de aansprakelijkheid gelegd op degene die het bedrijf uitoefent. Ter illustratie van de wenselijkheid van deze regel, die als tegenhanger van art. [6:171] betreffende de aansprakelijkheid voor personen kan worden gezien, wijst ondergetekende op het volgende. Het is zeer wel denkbaar dat een ondernemer zijn bedrijf uitoefent op grond in een gebouw waarvan hij eigenaar noch erfpachter is, met machines die hij gehuurd heeft (leasing) en daarbij gevaarlijke stoffen verwerkt of bewerkt die al evenmin zijn eigendom zijn. Vindt in een dergelijk geval bijv. een explosie plaats, waarvan de oorzaak niet in details opgehelderd kan worden, dan moet zich ter vaststelling van de aansprakelijkheid niet een discussie hoeven te ontketenen of de schade nu is ontstaan door een gebrek van een zaak (of een bestanddeel) die door de grond is nagetrokken en waarvan dus de grondeigenaar bezitter was (art. [6:174]), dan wel door een gebrek van een zaak die aan de ondernemer was verhuurd en waarvan dus de verhuurder bezitter was (art. [6:173]), dan wel door een gevaarlijke stof die door een derde ter verwerking was gegeven (art. [6:175]), dan wel door een zaak of een stof waarvan de ondernemer zelf bezitter was of door een fout van een persoon waarvoor hij krachtens de artikelen [6:170] of [6:171] aansprakelijk is.’ (curs. AK)
Aan het begin van dit citaat wordt art. 6:181 wederom als ‘tegenhanger’ – niet als ‘de’ tegenhanger – van art. 6:171 aangemerkt, terwijl art. 6:170 wederom niet wordt genoemd. Aan het einde van het citaat worden in relatie tot art. 6:181 wél zowel art. 6:170 als art. 6:171 genoemd. In de weergegeven passage drukt de toelichting uit dat wordt beoogd de aansprakelijkheid voor schade door hulppersonen en hulpzaken vanwege een ‘eenheidsgedachte’ op grond van alle drie artikelen 6:170, 171 en 181 bij ‘het bedrijf’ te concentreren. Is de explosie uit het gegeven voorbeeld het gevolg van een fout van een ondergeschikte of zelfstandige hulppersoon, dan komt art. 6:181 niet voor toepassing in aanmerking; vindt de explosie zijn oorzaak in een (gebrekkige) zaak, dan komen art. 6:170 en 171 niet voor toepassing in aanmerking. Niettemin vindt de benadeelde, of de schade nu is veroorzaakt door een fout van een persoon die bij de bedrijfsuitoefening is ingeschakeld (art. 6:170/171) of door het falen van daarbij gebruikte zaken (art. 6:181), in ‘het bedrijf’ steeds het centrale aanspreekpunt.10 Uit een en ander volgt een duidelijke samenhang tussen de art. 6:170, 171 en 181, maar wederom blijkt ook de tegenstelling: art. 6:170 en 171 zien op hulppersonen, art. 6:181 ziet op hulpzaken. Met andere woorden, ook hier blijkt art. 6:181 een tegenhanger van art. 6:170 én 171 te zijn. Het was dan ook zuiverder geweest om in de zojuist weergegeven passage over de explosie op een bedrijfsterrein, art. 6:170 niet enkel aan het einde maar ook aan het begin daarvan – waar de term ‘tegenhanger’ valt – te noemen.11
De wetsgeschiedenis waarin art. 6:181 twee keer ‘tegenhanger’ van art. 6:171 wordt genoemd, zet de argeloze lezer gemakkelijk op het verkeerde been. Anders dan hetgeen deze op het eerste oog wellicht vermoedt, volgt daaruit niet dat een inhoudelijke samenhang tussen art. 6:181 en 171 bestaat. Integendeel, de term ‘tegenhanger’ drukt juist een tegenstelling tussen art. 6:181 (hulpzaken) en 171 (hulppersonen) uit. Een tegenstelling die evengoed bestaat in de relatie van art. 6:181 met art. 6:170. Gaat het wél om de inhoudelijke samenhang, dan geldt naar mijn idee als gezegd dat vanwege de ‘zelfstandigheid’ binnen art. 6:171 en het ontbreken daarvan binnen art. 6:170 én 181, niet art. 6:171 maar art. 6:170 het oriëntatiepunt is voor de uitleg van art. 6:181.