Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.5.5.2
II.5.5.5.2 Ruimte voor subjectieve elementen?
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623204:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1962/63, 3771, 6, p. 100 (MvA II), Parl. Gesch. Vast. p. 846.
Vgl. bijvoorbeeld ook art. 4:13 lid 4 BW ‘tenzij de erflater anders heeft bepaald’, hetgeen ook zou kunnen inhouden een bepaling als: ‘Indien en voor zover een kind naar aanleiding van mijn overlijden een vordering verkrijgt op mijn echtgenote op basis van de onderhavige uiterste wil, dan bepaal ik bij deze uiterste wilsbeschikking dat over deze vordering, onverminderd het hierna bepaalde, een rente verschuldigd is zoals geldt op basis van art. 13 lid 4 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij mijn echtgenote binnen 8 maanden na mijn overlijden en bij notariële akte anders bepaalt.
Vgl. in dit kader de woorden van de minister: ‘Wat de erflater niet is toegestaan is zijn beschikking afhankelijk te stellen van de willekeur van een ander.’ Kamerstukken II 1992/93, 17141, 12, p. 39 (MvA II), Parl. Gesch. Inv. p. 1771.
Dit toestemmingsvereiste heeft evenwel slechts interne werking. B. Schols, Handboek Erfrecht 2011, p. 542.
De taken en bevoegdheden van de executeur worden, behoudens de testamentaire last, in beginsel ingevuld door de wetgever. In de parlementaire geschiedenis is te lezen dat:
‘Zoals gezegd kan de erflater aan de executeur de bevoegdheid tot beheer ontzeggen of deze tot een gedeelte der goederen beperken. Maar voor zover de erflater de executeur het beheer heeft gelaten, gelden hiervoor de artikelen 4.4.6.3a-4.4.6.3d [thans art. 4:145-4:147 BW, toev. NB] van het gewijzigd ontwerp en van die bepalingen is geen afwijkende beschikking toegelaten, behalve de in artikel 4.4.6.3c lid 3 [thans art. 4:147 lid 3 BW, toev. NB] vermelde (curs. NB).’1
Art. 4:145-4:147 BW zijn voor de beheersexecuteur dus bepalend. Afwijking hiervan is niet mogelijk, behalve voor wat art. 4:147 BW betreft. Dit artikel ziet op het te gelde maken van de beheerde goederen. De executeur is bevoegd door hem beheerde goederen te gelde te maken, voorzover dit nodig is voor de voldoening van de schulden van de nalatenschap en de nakoming van de hem opgelegde lasten (art. 4:147 lid 1 BW). Omtrent de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking treedt erflater zoveel mogelijk in overleg met de erfgenamen en stelt hij, wanneer er bij een erfgenaam bezwaren zijn tegen een voorgenomen tegeldemaking, die erfgenaam in de gelegenheid de beslissing van de kantonrechter in te roepen. Dit voorzover de erflater niet anders heeft beschikt (art. 4:147 lid 2 BW). De erflater zou in zijn uiterste wilsbeschikking dus kunnen bepalen dat de executeur voor het te gelde maken van goederen niet in overleg hoeft te treden met de erfgenamen. Hierbij is voor delegatie ten aanzien van de inhoud van de uiterste wilsbeschikking geen plaats. Het is immers de erflater die anders moet beschikken. De erflater kan dit zodoende niet aan een ander overlaten. Laat de bepaling het evenwel toe dat de erflater anders beschikt door tevens een voorwaarde aan de bepaling te koppelen? Bijvoorbeeld: ‘de executeur hoeft voor het te gelde maken van goederen niet in overleg te treden met de erfgenamen, tenzij (of indien) zulks naar het oordeel van bijvoorbeeld de executeur, of de kantonrechter of persoon X toch nodig is’.2 Deze vraag betreft een vraag naar de toelaatbaarheid van wilsdelegatie ten aanzien van de werking. De werking van de bepaling, die overigens slechts het in overleg treden betreft, is immers afhankelijk gemaakt van andermans wil.3 In hoeverre dit is toegestaan, komt aan bod in hoofdstuk 6. Voor wat het te gelde maken van de beheerde goederen betreft, kan evenwel reeds op diens toelaatbaarheid worden gewezen. Art. 4:147 lid 3 BW voorziet namelijk in de mogelijkheid om een executeur aan een toestemmingsvereiste te binden:
‘De erflater kan bepalen dat de executeur voor de tegeldemaking van een goed de toestemming van de erfgenamen behoeft. Deze toestemming kan echter vervangen worden door een machtiging van de kantonrechter (curs. NB).’4
Erflater kan dus bepalen dat de executeur voor de tegeldemaking van een goed afhankelijk is van de wil van de erfgenamen. Met de zinsnede ‘de erflater kan bepalen’ laat art. 4:147 lid 3 BW het evenwel niet toe dat een ander dan erflater een toestemmingsvereiste voor de tegeldemaking van de beheerde goederen in het leven roept.
Het lijkt er dus op dat ten aanzien van de taak van de executeur om de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit de beheerde goederen behoren te worden voldaan, inhoudelijk niets te delegeren valt. Art. 4:147 lid 3 BW biedt evenwel ruimte om de tegeldemaking van een goed afhankelijk te maken van de wil van de erfgenamen. Het betreft hier in feite delegatie ten aanzien van de werking van een bepaling in de uiterste wil. Ook art. 4:147 lid 2 BW zou deze ruimte, met betrekking tot het in overleg treden ten aanzien van de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking, kunnen bieden. In hoeverre het is toegestaan om de werking van een uiterste wilsbeschikking afhankelijk te maken van andermans wil, komt aan bod in het volgende hoofdstuk.
Art. 4:144 BW noemt evenwel nog een taak voor de executeur, namelijk het uitvoeren van testamentaire lasten die de erflater aan de executeur heeft opgelegd.