Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.2.5
3.2.5 Ontstaansvereisten
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS384883:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1953-1954, 3463, nr. 3, p. 5. De notaris dient de hiervoor genoemde ontstaansvereisten te verifiëren.
De rechtspraak ging er van uit dat een zeker vermogen moest worden afgezonderd aangezien er anders geen enkele rechtsbetrekking zou zijn. Ook in de rechtsliteratuur werd beargumenteerd dat het aanwezig zijn van rechtsbetrekkingen nodig was voor het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid. Kamerstukken II 3463, nr. 3, p. 5-6, Versteeg en Storm 1954, p. 44.
Versteeg en Storm (Versteeg en Storm 1954, p. 47) merken op dat de eis van vermogensafzondering door sommige auteurs, zoals Van de Velde (Van de Velde 1937), in nauw verband werd gebracht met doel en organisatie. Aangezien bij een vereniging sprake kan zijn een contractuele gebondenheid tot samenwerking ter bereiking van een bepaald doel, is vermogen niet direct nodig. Bij de stichting is echter sprake van een eenzijdig in het leven geroepen (te roepen) rechtspersoon en moet de gebondenheid aan het doel, anders dan contractueel, dus met vermogensafzondering, geconstrueerd worden. Bovendien werd beargumenteerd dat het afgezonderde vermogen geschikt, dus voldoende, moet zijn ter bereiking van het doel.
Scholten 1923, p. 23.
Waarbij het weer de vraag is of deze organisatie reëel moet zijn, dat wil zeggen: daadwerkelijk aanwezig moet zijn om rechtspersoonlijkheid aan te kunnen nemen. Zie ook Asser/Rensen 2-III* 2012/303 waar is te lezen dat, hoewel het dogmatisch het meest zuiver zou zijn het bestaan van de stichting aan te nemen indien de organisatie reëel is en zij aan het rechtsverkeer deelneemt, het bezwaar hiertegen is dat de oprichting niet op een bepaald moment te traceren zou zijn, aangezien het bestaan van een organisatie niet aan een bepaalde rechtshandeling kan worden verbonden. Het moderne rechtsdenken wil de oprichting van een rechtspersoon zien als een bepaalde rechtshandeling.
Duynstee 1978, p. 29: “De Nederlandse rechtsorde acht de stichting een dusdanig organisatieverband dat aan haar rechtspersoonlijkheid wordt verleend. De vraag of deze rechtspersoon een vermogen heeft, behoeft op zichzelf daarbij niet van betekenis te zijn.”
Versteeg en Storm 1954, p. 45-46.
Handelingen I 1955-1956, p. 2358 en 2360.
Formele eis
Naast materiële kenmerken bevatte de WS 1956, net als nu, een formele eis: oprichting van een stichting vindt plaats bij notariële akte (“onder levenden”) of bij openbare uiterste wilsbeschikking (“na dode”) (artikel 3 lid 1WS 1956). Een stichting, die als zodanig is opgericht voor een notaris, heeft rechtspersoonlijkheid. De formele rechtshandeling was dus, net als nu, beslissend voor het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid. Uit de akte van oprichting blijkt direct dat sprake is van een stichting en bijvoorbeeld niet van een vereniging of een NV.
Ontstaansvereisten
Blijkens de MvT bij de WS 1956 stelde de op dat moment heersende rechtsliteratuur, die aansluiting zocht bij de rechtshistorie, drie vereisten aan het ontstaan van een stichting met rechtspersoonlijkheid:
afzondering van een vermogen;
aanwijzing van een bepaald doel; en
aanwijzing van een organisatie.
Volgens de MvT volgt uit de literatuur dat het doel van een stichting ideëel moet zijn en dat er een zekere samenhang bestaat tussen de drie hiervoor genoemde vereisten.1
Vermogenseis
Het stichtingsvermogen en het beheer van dat vermogen neemt van oudsher een prominente plaats in bij de stichting. In de literatuur bestond echter discussie over de vraag of het daadwerkelijk afzonderen van vermogen een ontstaanseis was en of deze eis in de wet opgenomen moest worden. Het afzonderen van vermogen was volgens de literatuur en de rechtspraak in die tijd nodig om te kunnen constateren dat sprake was van rechtsbetrekkingen.2 Sommige schrijvers waren van mening dat de vereniging “het substraat der rechtsbetrekkingen” vindt in de lidmaatschapsverhoudingen (universitas personarum) en de stichting in haar vermogen (universitas rerum).3 Volgens Scholten is een stichting zonder vermogen mogelijk slechts een papieren stichting die geen maatschappelijke realiteit heeft.4 Hiertegen werd – mijns inziens terecht – aangevoerd dat maatschappelijke realiteit niet uit vermogen hoeft te bestaan. Zo zou ook een stichting die (nog) geen vermogen heeft maar wel een eigen organisatie aan het rechtsverkeer kunnen deelnemen.5 Duynstee schreef hierover treffend dat een rechtssubject een persoon is die in staat is rechten en verplichtingen te hebben of te verkrijgen. Het “substraat der rechtsbetrekkingen” is naar zijn mening niet gelegen in het stichtingsvermogen maar in een bij de stichting georganiseerd belang dat in beginsel duurzaam moet worden nagestreefd: de stichting is de organisatie waarbinnen zulks plaatsvindt.6
Intussen was de vermogenseis in de praktijk verworden tot een formaliteit: regelmatig werd door stichters een symbolisch bedrag aan de stichting ter beschikking gesteld.7 Tijdens de parlementaire behandeling van de WS 1956 werd desalniettemin uitvoerig gediscussieerd over de vermogenseis. Toenmalig Minister Donker meende dat het ongewenst was dat iedereen voor een doel dat hem invalt een stichting in het leven kon roepen zonder dat hij zelf daarvoor de nodige middelen beschikbaar stelt. Op zijn minst zou een weg aangewezen moeten worden om die middelen met enige waarschijnlijkheid te verkrijgen, bijvoorbeeld door het ontvangen van subsidies.8 Het ontwerp ging niet verder dan de eis te stellen dat door de oprichters zaken voor het aanvangskapitaal van een stichting werden aangewezen (zie ook de woorden “met behulp van een daartoe bestemd vermogen” in artikel 1 WS 1956). Indien dit kapitaal, tezamen met het na de oprichting verkregen of nog te verkrijgen vermogen, onvoldoende is om het gestelde doel te kunnen behartigen, kan de rechter de stichting ontbinden (artikel 3 lid 5 WS 1956, zie ook het huidige artikel 2:301 lid 1 sub a BW). Minister Van Oven, de ambtsopvolger van Minister Donker, sloot de discussie hierover vlak voor de stemming in de Eerste Kamer met de woorden “vermogen hoeft er niet te zijn, als het maar kan komen”.9