Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/5.5.2.2
5.5.2.2 Straalverbinding als bestanddeel?
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS620957:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus de vele publicaties die over straalverbindingen te vinden zijn (bijvoorbeeld via internet), alsook de uitspraak van de minister hieromtrent in de Eerste Kamer.
In ieder geval moet in het oog worden gehouden, dat het hier steeds gaat om onderlinge verbanden tussen zaken, Heisterkamp in Pitlo 2006, nr. 12.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 65 e.v.
In Pitlo 2006, nr. 6, worden bedenkingen geplaatst of de zee niet in zekere zin voor menselijke beheersing vatbaar is gebleken, gelet op de intensieve visserij, de sterke vervuiling, de drukke scheepsvaart enz.
Aldus Asser-Mijnssen-De Haan 2006, nr. 57.
HR 23 mei 1921, NJ 1921, 568.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 64; Pitlo 2006, nr. 5; Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 27; Asser-MijnssenDe Haan 2006, nr. 57; Wichers 2002.
Brans en Huijgen 2009, p. 95.
Naar Zwitsers recht is elektriciteit een zaak (artikel 713 ZGB: `Gegenstand des Fahmiseigentums sind die ihrer Natur nach beweglichen kërperlichen Sachen sowie die Naturkr4fie, die der rechtlichen Herrschaft unterworfen werden kënnen und nicht zu den Grundstücken gehëren'.) en volgens een uitspraak van het Hof van Cassatie is naar Belgisch recht elektriciteit een materiële zaak, zie Cass., 20 juni 1934, Pas., 1934, I, 332.
Loos 1998, p. 43 e.v.
Van der Steur 2003, p. 131.
Over de vraag of virtuele goederen beschermd kunnen worden door het eigendomsrecht, zie Lagemaat, Boonk, Briët 2006. Volgens Lagemaat c.s. (par. 2.2) zijn virtuele goederen stukjes programmacode die zich bevinden op de server van de spelaanbieder en die onderdeel uitmaken van de virtuele omgeving waarop het intellectueel eigendomsrecht van de spelaanbieder rust. Software is op zichzelf niet als zaak te beschouwen (zie TK 26 861, nr. 5, p. 5 e.v.). Software valt onder het auteursrecht op de grond dat een zaak uniek is terwijl data 'multiple' beschikbaar zijn. Als zonder toestemming data wordt gekopieerd, beschikt men nog steeds over de data maar niet meer de exclusiviteit van de data (= multipliciteits-argument). Zie hiervoor de bijdrage van Franken e.a. 2004, p. 43.
Zoals hiervoor weergegeven is verdedigbaar dat alle elementen van een vaste straalverbinding goederenrechtelijk relevant kunnen zijn. Tevens is weergegeven dat volgens de geldende opvatting1 een vaste straalverbinding onderdeel kan uitmaken van een communicatienetwerk dat verder bestaat uit fysieke kabels en leidingen. Betekent dit dat, in goederenrechtelijke zin, een vaste straalverbinding als bestanddeel van een net(werk) kan worden beschouwd zoals bedoeld in artikel 3:4 BW? Bestanddelen van een zaak zijn onzelfstandige zaaksdelen die zelf geen zaak zijn en opgaan in de zaak waarvan zij deel uitmaken (het eenheidsbeginsel). Hieruit volgt dat (alle elementen van) een straalverbinding dan als (delen van) een zaak in de zin van artikel 3:2 BW beschouwd moet worden.2 Voor het element zend- en ontvangstantennes is dit, zoals eerder genoemd, geen lastige vraag. Deze antennes voldoen aan het zaaksbegrip en zullen bestanddeel (in goederenrechtelijke zin) van een fysiek netwerk kunnen zijn. Voor de twee andere elementen ligt deze vraag anders.
In de toelichting op artikel 3:2 BW3 zijn de lucht en de zee4 genoemd als objecten die weliswaar stoffelijk zijn, maar als zodanig niet voor menselijke beheersing vatbaar. Wanneer echter deze objecten beheersbaar worden gemaakt (denk aan de lucht in een zuurstoftank) dan kunnen deze wel vatbaar zijn voor eigendom omdat ze dan als zaak worden aangemerkt. Gedachten of merken worden als niet-stoffelijke objecten beschouwd waarvan men de eigendom (ook) niet kan verwerven. Op merken, uitvindingen en voortbrengselen van de geest kan men wel absolute rechten verkrijgen (bijvoorbeeld een auteurs- of octrooirecht), maar daardoor zijn het nog geen zaken in goederen-rechtelijke zin. Over de vraag of natuurkrachten, zoals elektrische energie, als zaken beschouwd kunnen worden bestaat geen overeenstemming.5 In het strafrecht wordt elektriciteit6 als een goedbeschouwd en in de afdeling over productaansprakelijkheid (artikel 6:187, eerste lid BW e.v.) wordt elektriciteit als een product aangemerkt. Aangezien vaste straalverbindingen (ofwel: het element radiogolven en de frequentieruimte) een samenstel is van elektrische en magnetische velden, zou wat hiervoor over elektriciteit is gesteld van overeenkomstige toepassing kunnen zijn op die elementen van een straalverbinding.
De heersende leer is vooralsnog dat elektriciteit niet als een zaak kan worden aangemerkt.7 Dit is recentelijk nog eens bevestigd door Brans en Huijgen. In hun betoog besteden zij aandacht aan de vraag wie eigenaar is of kan zijn van bodemenergie die door middel van een 'koude-warmte-opslag' systeem aan het grondwater wordt onttrokken. Hun (tussen)conclusie is:8
`Hoewel elektriciteit een zekere waarde vertegenwoordigt en voor menselijke beheersing vatbaar is, is het niet individualiseerbaar en evenmin stoffelijk. Het beschikt volgens de heersende leer niet over zaakskarakter. Nu elektriciteit en warmte beide vormen zijn van energie, dienen ze gelijk te worden behandeld. Zaakskwaliteit van warmte is daarom vooralsnog niet aan de orde. Warmte kan daarmee geen voorwerp zijn van eigendom'.
In de literatuur zijn echter ook diverse auteurs te vinden die uitgaan van de stelling dat elektriciteit wél als een zaak9 moet worden beschouwd. Loos10 stelt dat elektriciteit in natuurkundige zin wellicht niet stoffelijk is, maar dat bij beantwoording van de vraag of iets stoffelijk is uiteindelijk de verkeersopvatting beslissend moet zijn. Natuurkundige opvattingen kunnen daarbij een rol spelen, maar niet een beslissende. Aangezien aardgas wel als een zaak wordt aangemerkt, dient in aansluiting hierop elektriciteit ook als zaak te worden beschouwd. Van der Steur11 stelt dat de stoffelijke zaak zintuiglijk waarneembaar moet zijn of ruimte moet beslaan zodat derden vast kunnen stellen om welk specifiek object het gaat. Het object moet een dermate geïndividualiseerd, van andere objecten af te scheiden, stoffelijk object zijn, dat het als zelfstandig object van een eigendomsrecht door de rechthebbende en door derden herkend en érkend kan worden. Volgens Van der Steur hangt het van de situatie af of elektriciteit wel of niet als een zaak kan worden beschouwd. Elektriciteit in een leiding of accu zou volgens haar een zaak zijn.12
Ondanks diverse tegengeluiden wordt vooralsnog ervan uit gegaan dat de heersende leer is dat elektriciteit in het goederenrecht niet als zaak wordt beschouwd; en als het al als een zaak zou kunnen worden beschouwd dan alleen wanneer de elektriciteit zich bevindt in een (stoffelijke) leiding of (stoffelijke) accu, aldus Van der Steur. Op basis hiervan zou geconcludeerd moeten worden dat de radiogolven samen met de frequentieruimte, als elementen van een vaste straalverbinding, vooralsnog niet als een zaak in de zin van artikel 3:2 BW kunnen worden beschouwd. Deze elementen kunnen volgens spraakgebruik (of: verkeersopvatting) wel een onderdeel, maar in de zin van het goederenrecht geen bestanddeel zijn van een (voor de rest) fysiek net.