Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/5.5.2.1
5.5.2.1 Algemeen
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS616183:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus Heisterkamp in Pitlo 2006, nr. 6.
Zie artikelen 1:94 BW (omvang huwelijksgemeenschap), 3:228 BW (vestigen pand of hypotheek), 3:276 BW (verhaalsrecht op goederen), maar ook artikel 20 Fw (goederen vallen in faillissementsboedel).
Sitompoel 2007, p. 88.
Wordt een straalverbinding door een ander verstoord, dan kan hiertegen overigens ook door AT worden opgetreden. Een van de taken van AT is het houden van toezicht op het elektronisch informatiedomein (waaronder gebruik van de frequentieruimte). De wijze waarop AT (bestuursrechtelijk) optreedt tegen overtreders is onder meer beschreven in de Beleidsregel sancties frequentiegebruik radio-omroep (een besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 2 maart 2008, nr. AT-EZ/5632521.JZ).
Er bestaat ook een Nationaal frequentieregister waarin de radio-interfaces die per frequentieband gebruikt mogen worden, opgenomen zijn (het register is te vinden op de site van AT, te weten: http:// www.agentschap-telecom.nl/Onderwerpen/Frequentiemanagement/Pages/NationaalFrequentieregsiter. aspx.). Zie ook artikel 3.2 Tw: 'Door Onze Minister wordt een frequentieregister bijgehouden, dat een overzicht bevat van frequentieruimtes waarvoor krachtens dit hoofdstuk vergunningen zijn verleend, alsmede van de duur waarvoor deze vergunningen gelden. '.
Dit is vergelijkbaar met luchtrechten. Dit fenomeen is afkomstig uit de Verenigde Staten, waar het al lange tijd mogelijk is om de bouwrechten van percelen wanneer deze onderontwikkeld zijn te verkopen aan omliggende grondeigenaren die daarmee extra veel volume kunnen bouwen. De luchtrechten worden op een bepaalde wijze gewaardeerd. Zie hierover: De Wilde 2006 en Hereijgers 2008, p. 39-41.
Goederenrechtelijke rechten schetsen de verhouding van de mens tot een goed en kenmerken zich door hun absolute karakter (goederenrechtelijke rechten werken tegenover iedereen). Goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten (artikel 3:1 BW). Wanneer de elementen van een vaste straalverbinding enige goederenrechtelijke relevantie zouden hebben, zullen deze als een zaak of als een vermogensrecht gekwalificeerd moeten kunnen worden, of zolang, in dit geval, (de elementen van) een straalverbinding voor het vermogensrecht geen functie he(bben)eft houdt dit recht zich er niet mee bezig.1 Het vermogensrecht verbindt aan het zijn van een 'goed' diverse gevolgen.2 De goederenrechtelijke relevantie van de zend- en ontvangstantenne moge duidelijk zijn. Genoemde antennes zijn voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten die een economische waarde hebben en in eigendom overgedragen of bezwaard kunnen worden. Daarmee is nog niet gezegd dat deze bestanddelen van een vaste straalverbinding onder de nieuwe eigendomsbepaling betreffende netten vallen. De antennes zullen bovengronds zijn aangebracht op gebouwen of masten (opstelpunten) en de antennes zullen volgens verkeersopvatting als bestanddeel van het (totale) net beschouwd kunnen worden en dus op basis van de horizontale natrekking toebehoren aan de eigenaar van het fysieke net, aldus Sitompoel.3 Overigens geeft zij aan dat er nog onduidelijkheid bestaat of bij opstelpunten voor antennes en antennes aangebracht op of aan bestaande bebouwing, het criterium van artikel 3:4, eerste lid BW (volgens verkeersopvatting = maatschappelijk criterium), dan wel het tweede lid (verbondenheid = fysiek criterium) van toepassing is. Zijzelf geeft de voorkeur aan het maatschappelijk criterium en stelt dat antennes en opstelpunten voor antennes op basis van de horizontale natrekking als bestanddeel toebehoren aan de neteigenaar, ondanks dat de wetgever niet expliciet gekozen zou hebben voor een horizontale natrekkingsregeling bij eigendom van netwerkonderdelen. Met deze laatste stelling ben ik het niet helemaal eens omdat uit de kabelarresten volgt dat het net, inclusief zijn onderdelen, als feitelijke en functionele eenheid beschouwd moet worden, hetgeen ook volgt uit de geldende verkeersopvatting (waaraan Sitompoel refereert). Daarnaast heeft de wetgever in de parlementaire geschiedenis van de nieuwe eigendomsregeling betreffende netten, expliciet aangegeven dat wanneer de nieuwe bepaling niet opgaat er plaats zal zijn voor horizontale natrekking en dat dan van verticale natrekking door de grond niet (snel) meer sprake zal zijn. Ik zie geen redenen om deze lijn niet door te trekken naar netwerkonderdelen. Deze onderdelen zijn immers bestanddeel van het net en dus zal ook voor netwerkonderdelen de horizontale natrekking prevaleren boven de verticale.
Voor de (constante stroom aan) radiogolven en de frequentieruimte is dit minder eenvoudig vast te stellen. Men zou kunnen stellen dat het 'zelfstandig' beschikken over deze elementen niet noodzakelijk is als men eenmaal beschikt over de zenden ontvangstantenne of andersom: zonder zend- en ontvangstantenne kunnen de radiogolven niet bestaan/ontstaan en dus is het onnodig om naast genoemde antennes óók nog te moeten kunnen 'beschikken' over de radiogolven en de frequentieruimte (of: zeggenschap daarover te kunnen uitoefenen). Dit laatste moet genuanceerd worden. Voor het verzenden en ontvangen van radiogolven (het samenspel van elektrische en magnetische velden) is noodzakelijk dat deze een 'direct zicht' verbinding hebben, evenals een vast tracé hebben in het luchtruim of in de beschikbare frequentieruimte. Wanneer de vaste stroom aan radiogolven door oprichting van nieuwe, hoge bebouwing wordt onderbroken, of wanneer een derde partij (opzettelijk) de frequentie(ruimte) verstoort waardoor het gebruik van de verbinding onmogelijk wordt gemaakt, is verdedigbaar dat de gebruiker van de vaste verbinding tegen deze inbreuk kan optreden4 op basis van het feit dat hij beschikt over een vaste — door de overheid toegewezen en geregistreerde5 — locatie in het luchtruim (of: de frequentieruimte) waarin `zijn' radiogolven (met 'zijn' data) worden verzonden. Het (enkele) feit dat de gebruiker van de vaste verbinding eigenaar/rechthebbende is van de zend- en ontvangstantenne lijkt me in de hiervoor genoemde situatie dan ook niet voldoende om op te treden tegen de inbreuken die worden gemaakt en verstoring van de straalverbinding opleveren. Naast de vraag of een gebruiker van een vaste verbinding zou kunnen optreden tegen eventuele inbreuken die derden maken ten aanzien van (onderbreking van) de stroom aan radiogolven of het verstoren van de frequentie(ruimte), kan gesteld worden dat deze elementen een bepaalde vermogenswaarde kunnen vertegenwoordigen. Discutabel is of de radiogolven op zichzélf een waarde kunnen vertegenwoordigen; in ieder geval kan wel gesteld worden dat de frequentieruimte6 een bepaalde vermogenswaarde kan vertegenwoordigen. Voor het gebruik van frequentieruimte is bijvoorbeeld een vergoeding verschuldigd aan AT en bij frequentieverdelingen kunnen bepaalde frequentie(ruimtes) voor veel geld worden aangeschaft. Gelet op het voorgaande acht ik het waarschijnlijk dat naast de zend- en ontvangstantennes, de frequentieruimte eventueel samen met de vaste stroom aan radiogolven goederenrechtelijke relevantie kunnen hebben.