Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/3.4.2:3.4.2 Controle door de tactische recherche en de zaaksofficier
Startinformatie in het strafproces 2014/3.4.2
3.4.2 Controle door de tactische recherche en de zaaksofficier
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband ook F.W. Bleichrodt, Over burgers en opsporing (oratie Rotterdam), Deventer: Kluwer 2010.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De externe controle binnen het strafvorderlijk kader omvat in de eerste plaats de controle door de tactische recherche en de zaaksofficier. De in de inleiding beschreven vier fasen spelen ook bij dit type startinformatie. Specifiek aan dit soort startinformatie is het gegeven dat in de tweede fase (de fase van het aanvullende politiële betrouwbaarheidsonderzoek) het onderzoek van de politie zich zowel kan uitstrekken tot het toetsen van de betrouwbaarheid van de informatie, als het beoordelen van de motieven en de betrouwbaarheid van de burger die informatie verstrekt. Dit type startinformatie verschilt dan ook wezenlijk van de anonieme tip van een burger, waar het beoordelen van de achtergrond van de tipgever simpelweg niet plaats kan vinden. Net als bij de aangifte is de vraag niet eenduidig te beantwoorden of dit meebrengt dat aan het aanvullende politiële onderzoek in de tweede fase minder eisen hoeven te worden gesteld dan aan hetzelfde onderzoek bij een anonieme tip. Veel hangt af van het strafbare feit waarover informatie wordt aangeleverd en de persoon en achtergrond van de burger die deze gegevens aanlevert. Van de betrouwbaarheid van door een forensische accountant verstrekte informatie kan bijvoorbeeld eerder worden uitgegaan dan van de belastende informatie die een in een scheiding liggende burger doorspeelt over zijn ex-vrouw. In dat opzicht is er dus ruimte voor differentiatie in de omvang en de noodzaak van aanvullend politieel betrouwbaarheidsonderzoek in de tweede fase. Eerder is al opgemerkt dat omtrent de betrouwbaarheidstoets geen (interne) regelgeving bestaat. Ongeregeld blijft dan ook de manier waarop de betrouwbaarheid van dit soort informatie moet worden gecontroleerd. Ook in dit kader kan de vraag worden opgeworpen of een richtlijn moet worden geconcipieerd die het uitvoeren van een betrouwbaarheidsonderzoek verplicht stelt. Deze vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Politie en OM dienen vanuit hun professionaliteit te zijn doordrongen van de noodzaak van aanvullend onderzoek en kunnen bovendien vanuit dit perspectief differentiëren. Mocht op dit punt een onjuiste beoordeling worden gemaakt, dan kan de zittingsrechter achteraf, na een daartoe gevoerd verweer, een belangrijke toetsende rol vervullen.
Gelet op het bijzondere karakter van de startinformatie afkomstig van de particuliere opsporing, het heeft de status van een potentieel bewijsmiddel, kan in de vierde fase (de fase waarin startinformatie in de bewijsvoering wordt betrokken) voor de officier van justitie de noodzaak bestaan om (de betrouwbaarheid van) deze informatie nogmaals te beoordelen in het licht van de overige inhoud van het strafdossier. Aspecten van haalbaarheid van een strafrechtelijke veroordeling en wenselijkheid van het aanbrengen van de zaak voor de rechter spelen dan ook een rol. Heeft het politiële onderzoek bijvoorbeeld nauwelijks bevestiging opgeleverd van deze gegevens, dan kan deze beoordeling ertoe leiden dat de officier van justitie besluit de zaak om technische redenen te seponeren. Net als bij de aangifte kan de officier van justitie dus gehouden zijn op twee momenten in het strafproces een beoordeling te maken van (de betrouwbaarheid van) de startinformatie afkomstig van de particuliere opsporing.
Voorts dient zich de vraag aan naar de noodzaak van het toetsen van de rechtmatigheid van de door de opsporende burger toegepaste informatievergarende methoden. Een onrechtmatigheid kan betrekking hebben op het verkrijgen van informatie op een privacyschendende en daarmee mogelijk strafbare manier, maar een onrechtmatigheid kan zich ook op het vlak van de instigatie bevinden of zien op de dwang die door de opsporende burger is toegepast om belastende informatie te verkrijgen. Gelet op het voorgaande bestaat de noodzaak in de tweede en derde fase stil te staan bij de rechtmatigheid van de vergaring van informatie door de opsporende burger. De (zaaks)officier is gehouden aan deze onderzoeksplicht te voldoen, waarbij heeft te gelden dat deze plicht in het bijzonder aanwezig is in het geval een particuliere rechercheur informatie verstrekt. De aan de politie toebedeelde toezichtfunctie brengt immers een verantwoordelijkheid met zich ten aanzien van de wijze waarop deze opsporende burger zijn informatie verkrijgt. Ten aanzien van de rechtmatigheidstoets is ruimte voor differentiatie. In die gevallen waarin de informatie evident rechtmatig is verkregen of slechts sprake is van een civielrechtelijke onrechtmatigheid, is nauwelijks ruimte voor en behoefte aan een dergelijke toets, terwijl hierbij in andere gevallen uitgebreider stil zal moeten worden gestaan. Wat betreft dit laatste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat een opsporende burger onder bedreiging een bekennende verklaring heeft verkregen van een andere burger. Vier redenen kunnen ten grondslag worden gelegd aan de noodzaak van de aan te leggen rechtmatigheidstoets: 1) het beoordelen van de wenselijkheid van het starten van een strafrechtelijk onderzoek en het toepassen van een dwangmiddel op basis van onrechtmatig verkregen informatie, 2) het beoordelen van de wenselijkheid van het betrekken van onrechtmatig verkregen informatie in de bewijsvoering, 3) het in het verlengde van de vorige punten beoordelen van de strafvorderlijke consequenties die (door de rechter) kunnen worden verbonden aan het betrekken van dat soort informatie in het strafproces, en 4) het beoordelen of de opsporende burger zelf strafrechtelijk moet worden vervolgd voor de door hem gehanteerde methoden. Wat betreft de eerste drie punten kunnen twee met elkaar conflicterende argumenten dan wel belangen een rol spelen: de onwenselijkheid van het gebruik van onrechtmatig verkregen informatie in het strafproces enerzijds en de te rechtvaardigen opsporingsbelangen anderzijds. In dit verband kan de stelling worden betrokken dat het onwenselijk kan zijn dat informatie die is verkregen door het schenden van de rechten van de latere verdachte een rol speelt in het strafproces. Dit standpunt is ingegeven vanuit de gedachte dat een integer handelend OM niet in alle gevallen (ongeclausuleerd) gebruik moet maken van onrechtmatig verkregen informatie. Hierdoor ontstaat immers de onwenselijke situatie dat wordt geprofiteerd van de inbreuk op de rechten van de verdachte, het profijtargument dus. Los hiervan speelt het gegeven dat het gebruik van dat soort informatie bevorderend kan werken op het outsourcen van rechercheactiviteiten.1 Aan de andere kant spelen opsporingsbelangen een rol, in die zin dat het vanuit dit perspectief noodzakelijk kan zijn een strafrechtelijk onderzoek te starten, ook al is de informatie op onrechtmatige wijze verkregen. De officier van justitie is degene die in de eerste plaats de rechtmatigheid van de vergaring van informatie moet beoordelen en die in de tweede plaats, bij een gebleken (strafrechtelijke) onrechtmatigheid, een afweging moet maken tussen de ernst van de onrechtmatigheid en het belang van de informatie voor de opsporing. Op dit punt bestaat ruimte voor differentiatie, in die zin dat de officier van justitie bij een gebleken onrechtmatigheid wel kan besluiten tot de start van een strafrechtelijk onderzoek en het toepassen van een dwangmiddel met het oog op het vergaren van ander bewijsmateriaal, terwijl hij het niet wenselijk acht om deze informatie te betrekken in zijn bewijsvoering. De officier van justitie moet erop bedacht zijn dat als hij opsporingsbelangen laat prevaleren, ook al legt hij de onrechtmatig verkregen startinformatie slechts ten grondslag aan de start van een onderzoek en het toepassen van dwangmiddelen, dit tot strafprocessuele sanctionering kan leiden. Ten principale mag erop worden vertrouwd dat de (zaaks)officier in dit kader vanuit zijn professionaliteit een juiste dan wel te rechtvaardigen keuze maakt. Mocht op dit punt toch een niet te billijken beoordeling zijn gemaakt, dan vervult wederom de zittingsrechter achteraf een belangrijke toetsende rol.