Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/3.4.1
3.4.1 Toezicht op de particuliere opsporing
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie in verband met de controle op de particuliere recherche een artikel van mijn hand getiteld ‘De particuliere recherche: ongecontroleerde opsporing?’ in: P.H.P.H.M.C. van Kempen et al. (red.), Levend strafrecht. Strafrechtelijke vernieuwingen in een maatschappelijke context (liber amicorum Ybo Buruma), Deventer: Kluwer 2011.
Kamerstukken II 1993-1994, 23 478, nr. 3 (MvT).
Zie de Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. Laatstelijk gewijzigd in Stcrt. 2007, 224, p. 9.
Zie hiervoor het rapport ‘Kwaliteit in particuliere veiligheid?!’ van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, bijlage bij Kamerstukken II 2008-2009, 29 279, nr. 93.
Zie hiervoor P. Klerks, ‘Terughoudend toezicht op omvangrijke private recherche’, Tijdschrift voor Veiligheid 2008-4, p. 9-19 en de gegeven definitie van recherchebureaus in art. 1 lid 1 onder f Wbpr.
Zie P. Klerks, ‘Terughoudend toezicht op omvangrijke private recherche’, Tijdschrift voor Veiligheid 2008-4, p. 9-19 en het rapport ‘Kwaliteit in particuliere veiligheid?!’ van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, bijlage bij Kamerstukken II 2008-2009, 29 279, nr. 93.
In relatie tot de bedrijfsmatige particuliere opsporing bestaan specifieke externe controlemechanismen voortvloeiend uit de bepalingen van de Wpbr.1 Deze buitenstrafvorderlijke externe controle is zowel abstract (de bepalingen van de Wpbr) als concreet (het toezicht door de politie). Zo zijn de recherchebureaus waarop deze wet van toepassing is op grond van art. 2 vergunningplichtig. Een vergunning wordt door de Minister van Veiligheid en Justitie op grond van art. 4 van de genoemde wet slechts verleend, indien hij verwacht dat het recherchebureau de bij of krachtens de wet gestelde regels zal naleven en ook overigens zal worden gehandeld in overeenstemming met hetgeen van een goed recherchebureau mag worden verwacht.2 Nadere regels omtrent het (toetsen van de betrouwbaarheid van) personeel van een recherchebureau en de aan dit personeel te stellen eisen, worden gegeven in een ministeriële circulaire.3 Tot slot kan worden vermeld dat in het geval een recherchebureau handelt in strijd met de uit de Wpbr voortvloeiende bepalingen dit tot een waarschuwing, het intrekken van de vergunning en zelfs tot het opleggen van een bestuurlijke boete kan leiden.
Ter relativering van het voorgaande dient een aantal opmerkingen te worden gemaakt. Ten eerste moet worden vermeld dat niet alle werkzame particuliere recherchebureaus een vergunning bezitten. Enerzijds omdat een deel van de vergunningplichtige recherchebureaus hun werkzaamheden verrichten zonder hiervoor de benodigde vergunning aan te vragen.4 Feitelijk werken zij hiermee dus illegaal. Anderzijds omdat bepaalde bedrijfsmatige particuliere opspoorders niet onder het bereik van de wet vallen. Denk in dit verband aan de eerdergenoemde bedrijfsrecherche.5 Het voorgaande, bezien in combinatie met de eerdere opmerkingen over de naleving van de privacygedragscode, rechtvaardigt dan ook de conclusie dat de uit de Wbpr voortvloeiende controlemechanismen niet goed functioneren en bovendien niet zien op de gehele sector van bedrijfsmatige particuliere opsporing. Het handelen van de bedrijfsmatige particuliere rechercheur en de wijze waarop hij zijn informatie vergaart, wordt aldus onvoldoende gecontroleerd.
Ten aanzien van een tweede uit de Wpbr voortvloeiend controlemechanisme kan een zelfde conclusie worden getrokken. Gedoeld wordt op de controle op (het handelen van) de particuliere recherchebureaus door de regionale politie. Op grond van art. 11 Wpbr is de politie immers belast met het toezicht op de particuliere recherchebureaus. Dit toezicht ziet onder andere op de naleving van de vergunningvoorschriften, de juiste uitvoering van de Wpbr en het handhaven en opsporen van overtredingen van de Wpbr en dat is dus een ander type controle dan de aanstonds te bespreken controle door politie en OM. Gesteld kan worden dat de politie door dit controlemechanisme een zekere verantwoordelijkheid bezit voor de wijze waarop particuliere rechercheurs hun informatie vergaren. In dit verband is het belangrijk te vermelden dat de politie nauwelijks uitvoering geeft aan deze toezichtfunctie en dat de controle van de politie op de particuliere recherchebureaus hiermee de facto illusoir is.6 Een gebrek aan capaciteit is hieraan onder andere debet.