Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.5.6.3:8.5.6.3 Begrenzing van het toepassingsbereik
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.5.6.3
8.5.6.3 Begrenzing van het toepassingsbereik
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS616726:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit zinnetje ontlokt de annotator bespiegelingen over de vraag in welk rechtens te respecteren belang de medeverdachte dan wel zou zijn getroffen. Art. 40 Schengenverdrag lijkt geen norm die strekt tot bescherming van de belangen van verdachten.
Verdachte ontkende bij het op de weigering gevolgde verhoor in aanwezigheid van zijn raadsvrouw.
Zie bijv. HR 29 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3297, NJ 2006/193 m.nt. Buruma en HR 22 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6277, NJ 2006/483.
Zie par. 8.5.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de rechtspraak van na 1998 is de toepassing van strafvermindering in de rechtspraak van de Hoge Raad strikter gebonden aan de voorwaarden die ook bij de toepassing van de andere mogelijke reacties op de voet van art. 359a Sv zijn gesteld en waarop in hoofdstuk 7 uitgebreid is ingegaan.
Het Schutznormvereiste kwam ook in relatie tot strafvermindering tot ontwikkeling. In HR 7 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1678, NJ 2000/539 m.nt. Schalken ging het hof ervan uit dat de aanhouding van de medeverdachte en de inbeslagneming van de drugs in Engeland het gevolg waren van de grensoverschrijdende observatie, waarbij art. 40 Schengenverdrag niet was nageleefd. ‘s Hofs oordeel dat geen bewijsuitsluiting behoefde te volgen, omdat niet viel in te zien in welk rechtens te respecteren belang de verdachte was getroffen, oordeelde de Hoge Raad onjuist noch onbegrijpelijk ‘nu niet de verdachte het object van die observatie was’.1 In dit licht hoefde evenmin nader te worden gemotiveerd waarom geen strafvermindering volgde. In zijn conclusie voor deze zaak haalt AG Machielse HR 6 juli 1999, nr. 111.158 aan, waarin een met art. 50 Sv strijdige weigering van een onderhoud tussen de verdachte en zijn raadsvrouw voorafgaand aan zijn verhoor niet tot strafvermindering behoefde te leiden, omdat hij door het verzuim redelijkerwijs niet in zijn belangen was geschaad.2 In HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR: 2003:AM0241, NJ\ 2004/132 stuitte een beroep op strafvermindering wegens schending van een voorschrift uit de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden af op de omstandigheid dat dat voorschrift niet strekt tot bescherming van de belangen van de verdachte. Wil strafvermindering in aanmerking komen, zo volgt uit deze arresten, dan moet sprake zijn van overtreding van een norm die de belangen van de verdachte beoogt te beschermen, terwijl de verdachte door de schending van die norm ook daadwerkelijk in zijn belang is geschaad. Deze eisen geven ook inhoud aan het soort nadeel dat voor compensatie met strafvermindering in aanmerking komt. Daarop kom ik in paragraaf 8.5.7 terug.
Ook werd het toepassingsbereik van strafvermindering beperkt door de salami-regel. Alleen aan vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek ter zake van feiten waarvoor de verdachte wordt vervolgd kan op grond van art. 359a Sv een rechtsgevolg worden verbonden.3 Voorts werken de restrictieve interpretatie van de termen voorbereidend onderzoek uit art. 359a Sv en de rechtspraak over het gesloten stelsel van rechtsmiddelen door op het toepassingsbereik van strafvermindering op de voet van deze bepaling evenals het non-profit-karakter van deze bepaling. De gedachte dat de verdachte toch enig voordeel zou moeten hebben van een vormverzuim (bij Embregts in spiegelbeeld min of meer herkenbaar in de gedachte dat de overheid enig nadeel moet ondervinden),4 zodat strafvermindering op haar plaats zou zijn indien na bewijsuitsluiting in reactie op een vormverzuim desalniettemin een veroordeling volgt, werd in HR 23 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9594, NJ 2001/327 expliciet verworpen.