Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.2.1.2.3:3.2.1.2.3 Uitgeven en drukken van geschriften of afbeeldingen van strafbare aard
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.2.1.2.3
3.2.1.2.3 Uitgeven en drukken van geschriften of afbeeldingen van strafbare aard
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946122:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Die strafbepalingen zijn bij de invoering van de Auteurswet in 1912 naar de desbetreffende bijzondere wet overgeheveld (Stb. 1912, 308), waarna het klachtvereiste bij deze bepalingen in 1972 is vervallen (Stb. 1972, 579).
Niet elke overtreding van de in titel XI vervatte beledigingsdelicten levert een klachtdelict op. Ingevolge art. 269 Sr is eenvoudige belediging van de in art. 267 sub 1 en 2 Sr vermelde personen en instanties van het klachtvereiste uitgezonderd.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook het uitgeven en drukken van geschriften of afbeeldingen van strafbare aard verdient bespreking. Deze feiten moeten worden onderscheiden van de drukpersdelicten die in hoofdstuk 2 aan bod zijn gekomen en die zien op het maken van inbreuk op andermans auteursrecht.1 Het betreft in dit geval art. 418 en 419 Sr waarin respectievelijk het uitgeven en het drukken van geschriften of afbeeldingen van strafbare aard onder een tweetal alternatieve voorwaarden strafbaar is gesteld. Ten eerste is de uitgever strafbaar, indien de dader niet bekend is en niet op eerste vordering van de rechter-commissaris wordt bekendgemaakt. Ten tweede is de uitgever strafbaar, indien hij wist of moest vermoeden dat de dader ten tijde van de uitgave niet vervolgbaar is of dat deze buiten het Rijk in Europa gevestigd is. Voor strafbaarheid van de drukker gelden diezelfde alternatieve voorwaarden, met dien verstande dat in plaats van dader moet worden gelezen de persoon op wiens last het stuk is gedrukt. De strafbaarstellingen zien in de kern op het uitgeven en drukken van geschriften van strafbare aard, terwijl de uitgever of drukker de verantwoordelijke niet kan of wil noemen of wist of moest vermoeden dat deze niet vervolgbaar zou zijn.
In art. 420 Sr is bepaald dat voornoemde delicten uitsluitend kunnen worden vervolgd op klacht van de persoon tegen wie het misdrijf is gepleegd, ‘indien de aard van het geschrift of de afbeelding een misdrijf oplevert dat alleen op klacht vervolgbaar is’. Daarvan is bijvoorbeeld sprake, indien het geschrift (dat is uitgegeven of gedrukt) een overtreding bevat van de in Titel XI strafbaar gestelde beledigingsdelicten zoals smaad.2 Zo kan het drukken van opruiende geschriften ambtshalve worden vervolgd, maar is voor het vervolgen van de uitgever die verantwoordelijk is voor een smadelijke uitlating een klacht vereist. Er is dus – net als bij de strafbepaling in art. 272 Sr – sprake van absolute klachtdelicten, terwijl niet in alle gevallen aan een klachtvereiste dient te worden voldaan. De vraag of ambtshalve of uitsluitend op klacht kan worden vervolgd, wordt beantwoord aan de hand van de aard van de gedraging en daarvoor is niet de aard van de relatie tussen dader en slachtoffer bepalend. Er is dus geen sprake van relatieve klachtdelicten. Het betreft – net als art. 272 Sr – voorwaardelijk absolute klachtdelicten.