Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.6.4
8.6.4 Verantwoordelijkheid voor het wanbeleid of een onjuist beleid
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652350:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Van Vliet 1990b, p. 805.
Zie ook Faber 2020, p. 268, die opmerkt dat een grotere mate van overeenstemming tussen het feitencomplex dat aan de aansprakelijkheidsvordering ten grondslag wordt gelegd en het feitencomplex dat als wanbeleid is gekwalificeerd de kans op een bewijsvermoeden doet toenemen.
Geerts (onder 3) in zijn annotatie bij HR 8 april 2005, Ondernemingsrecht 2005/98 (Laurus); Geerts 2006, p. 20; Van Wijk 2007, p. 397, voetnoot 99.
Veenstra 2010, p. 258-259.
HR 4 juni 1997 (r.o. 4.1.1-4.1.2), NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Text Lite); Veenstra 2010, p. 195-196, met verwijzingen; De Bie Leuveling Tjeenk (onder 5) in zijn annotatie bij OK 23 januari 2018, JOR 2018/148 (DEM). Daarbij komt echter wel voor dat de Ondernemingskamer zich uitspreekt over de verantwoordelijkheid voor het wanbeleid van een bestuurder, maar vervolgens geen voorzieningen treft of verhaal van de kosten van het onderzoek toewijst ten aanzien van die bestuurder, gelet op het gedane verzoek, zie bijv. OK 31 augustus 2017 (r.o. 4.27-4.28), JOR 2018/41, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Staphorst Ontwikkeling); OK 8 december 2017 (r.o. 4.18; 4.28), JOR 2018/9 (ZED+), waarover ook Josephus Jitta (onder 11) in zijn annotatie. Zie ook Makkink 2020, p. 62-63.
HR 10 januari 1990 (r.o. 7.6), NJ 1990/466, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2021/288, m.nt. P.D. Olden (Ogem); OK 13 juli 2011 (r.o. 3.13), JOR 2011/290, m.nt. J.B.S. Hijink (Meepo).
HR 4 juni 1997 (r.o. 4.1.1), NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Text Lite).
Zie bijv. OK 2 november 2015, JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde (Meavita).
Eykman 1986, p. 88; Van Solinge 1998, p. 39. Die verplichting gaat mijns inziens niet zo ver dat bestuurders en commissarissen verplicht zijn te verschijnen in de tweede fase van de enquêteprocedure, zie par. 8.5.7.
Zie ook HR 4 juni 1997 (r.o. 4.1.2-4.1.3), NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Text Lite). Anders nog OK 13 april 1995, TVVS 1995, p. 308, m.nt. Th.S. IJsselmuiden (Heron).
Veenstra 2010, p. 219.
De Hoge Raad spreekt in Laurus van een bewijsvermoeden dat de civiele rechter onder omstandigheden kan aannemen, zonder evenwel duidelijk te maken onder welke omstandigheden het de civiele rechter vrijstaat dit bewijsvermoeden aan te nemen. Mijns inziens kan een bewijsvermoeden in ieder geval niet op Laurus worden gegrond als bepaald handelen dat eveneens wordt getoetst in de aansprakelijkheidsprocedure niet zelfstandig als wanbeleid of onjuist beleid is gekwalificeerd of niet als onzorgvuldig handelen is aangemerkt dat slechts tezamen en in onderling verband met ander onzorgvuldig handelen als wanbeleid of onjuist beleid is gekwalificeerd.1
In de literatuur zijn verschillende omstandigheden genoemd die een bewijsvermoeden zouden kunnen rechtvaardigen.2 Geerts en Van Wijk noemen als mogelijke omstandigheid de situatie waarin er maar één bestuurder is en het wanbeleid van die bestuurder in de enquêteprocedure aan de rechtspersoon is toegerekend.3 Veenstra noemt de situatie waarin in het onderzoeksverslag uitgebreid aandacht is besteed aan de rol en betrokkenheid van de afzonderlijke bestuurders bij het wanbeleid of onjuist beleid en hierover ter terechtzitting een uitgebreid debat heeft plaatsgevonden.4
Maatgevend lijkt steeds de verantwoordelijkheid van een bestuurder of commissaris voor het wanbeleid of onjuist beleid. De Ondernemingskamer oordeelt enkel over de verantwoordelijkheid voor wanbeleid in het licht van te treffen voorzieningen en het verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek.5 Oordeelt de Ondernemingskamer dat een bepaald orgaan verantwoordelijk is voor het wanbeleid, dan betreft dit een collegiale verantwoordelijkheid voor het wanbeleid. Daartoe is niet vereist dat een individu dat deel uitmaakt van het orgaan steeds wetenschap van de onregelmatigheden had of die had kunnen voorkomen. Evenmin is nodig dat het orgaan van het wanbeleid een (ernstig) verwijt kan worden gemaakt.6 De verantwoordelijkheid van een orgaan van de rechtspersoon kan echter niet altijd los worden gezien van de individuele verantwoordelijkheid van de personen die van het orgaan deel uitmaken.7 Dat is met name goed voorstelbaar als het bestuur bijvoorbeeld slechts uit één functionaris bestaat. Bepaalde functionarissen kunnen ook zelfstandig, of meer of minder dan andere functionarissen verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid of onjuist beleid.8
Bestuurders en commissarissen van de rechtspersoon leggen in het enquêterecht verantwoording af, aan de Ondernemingskamer en de onderzoeker. Met hun verantwoordelijkheid komt een zekere verplichting om verantwoording af te leggen, met mogelijke sancties als afkeuring, schorsing en ontslag tot gevolg.9 Het oordeel wanbeleid gaat de rechtspersoon aan, maar wordt een bepaalde voorziening getroffen of verhaal van de kosten van het onderzoek toegelaten, dan heeft dit specifiek betrekking op een of meer functionarissen. De uitoefening van deze bevoegdheden door de Ondernemingskamer dient te worden gemotiveerd. Dat brengt met zich dat de Ondernemingskamer moet oordelen omtrent het functioneren van individuele bestuurders en commissarissen. Het is deze sleutel waarin de verantwoordelijkheid voor wanbeleid mijns inziens dient te worden begrepen, niet de sleutel van aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen.10
Wat hier verder ook van zij, verantwoordelijkheid van een individuele bestuurder of commissaris wordt in de enquêteprocedure enkel aangenomen indien dit de betreffende functionaris kan worden toegerekend, hetgeen het geval is indien hij in een zekere (ernstige) mate is tekortgeschoten in de vervulling van zijn taak of in belangrijke mate heeft bijgedragen aan (een substantieel aandeel heeft gehad in) het wanbeleid of onjuist beleid.11 Het is dan ook goed voorstelbaar dat de civiele rechter juist aan die verantwoordelijkheid hecht bij het aannemen van een bewijsvermoeden. Een dergelijk beeld ontstaat ook uit de lagere jurisprudentie (par. 8.6.5).