Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/4.3
4.3 Belanghebbende, relativiteit en procesbelang
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor deze vijf eisen ā overigens in een andere volgorde ā Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht (2008), p. 69.
PG Awb I, p. 148. Een uitzondering hierop vormt de onjuiste adressering (CBb 28 mei 1998, NA 1998/276).
Zie bijvoorbeeld ABRvS 16 november 1998, JB 1999/9; 21 januari 1999, AB 1999/297 en 14 oktober 1999, Gst. 7116/6.
Zie ook ABRvS 23 juni 1998, Rawb 1998/155 en 30 oktober 1998, JB 1998/262.
Bijvoorbeeld ABRvS 29 september 2006, AB 2006/402 en CRvB 18 mei 1999, RSV 1999/213.
Bijvoorbeeld ABRvS 18 september 2002, JB 20021327; 20 oktober 2004, LJN AR4300; CRvB 31 oktober 2002, AB 2003/62 en CBb 12 maart 2004, AB 2004/160.
De VAR-Commissie rechtsbescherming pleitte in haar advies De toekomst van de rechtsbescherming tegen de overheid. Van toetsing naar geschilbeslechting (2004), p. 103-104, al voor het loslaten van het rechtstreekscriterium.
ABRvS 23 maart 2006, AB 2006/60 en 24 mei 2006, LJN AX4429.
ABRvS 14 september 2005, JB 2006/319 en 17 mei 2006, JB 2006/211. Enkele zwaluwen maken echter nog geen zomer, aldus Damen. Hij wijst in dit verband onder meer op ABRvS 7 juni 2006, JB 2006/219 en 5 juli 2006, Gst. 2006/168. Zie Damen, `Bestuurorgaan, belanghebbende, besluit: meer rechtseenheid', in: In eenheid. Over rechtseenheid en uniforme rechtstoepassing in het bestuursrecht (2007), p. 35.
Zie Roth, 'De belanghebbenden in het financieel toezichtsrecht: wie zijn het, wat kunnen ze?', Ondernemingsrecht 2011/38, p. 193. Zie voorts impliciet CBb 27 september 2005, JOR 2006/11 (VPV) en 28 april 2006, JB 2006/202 (Quinta).
BR 3 februari 2006, AB 2006/69.
Zie onder meer CRvB 13 februari 2002, RSV 2992/127 en 24 september 2002, RSV 2002/288. Zie voorts Noordam, 'De werkgever als belanghebbende in de sociale verzekering', JBplus 2003/2.
CRvB 13 december 2005, RSV 2006/96.
CRvB 11 februari 2003, USZ 2003/141.
Onder meer CBb 4 december 2003, AB 2004/82 en 16 november 2006, AB 2007/13.
PG Awb I, p. 148.
CBb 31 augustus 2001, LJN AD3484 en 20 februari 2004, JB 2004/166.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 9 oktober 2002, AB 2003/34 en 17 mei 2006, AB 2006/212.
ABRvS 8 januari 1998, AB 1998/194 en 16 oktober 2002, JB 2003/4.
Dit leidt tot wisselende uitkomsten. Vergelijk ABRvS 6 augustus 2003, AB 2004/168; 22 oktober 2003, JB 2003/341; 14 september 2005, JB 2005/319 en 5 april 2006, JB 2006/148.
BR 21 juni 2002, AB 2002/334; ABRvS 2 april 2003, AB 2003/262 en CBb 25 januari 2005, AB 2005/142.
Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure (Stb. 2005, 282).
BR 14 juli 2000, BNB 2000/284.
Rechtspersoonlijkheid is wel een voorwaarde. Zie ABRvS 25 juni 2003, AB 2004/5; 19 november 2003, JB 2004/18; 7 januari 2004, AB 2005/20 en 1 februari 2006, AB 2006/166. Het kan daarbij gaan om een informele vereniging in de zin van art. 2:26 BW. Zie ABRvS 12 maart 2008, AB 2009/201 en 29 juli 2009, JB 2009/197.
Een optelsom van persoonlijke belangen kan een collectief belang opleveren. Uit ABRvS 23 augustus 2006, AB 2006/365 volgt dat een belangenorganisatie die voor het belang van haar leden opkomt daarmee opkomt voor een collectief belang, tenzij het tegendeel blijkt. Zie ook ABRvS 24 juni 2009, AB 2009/336 waarin werd geoordeeld dat een vereniging ook een bundeling van individuele belangen tot stand kan brengen. In die bundeling kunnen de feitelijke werkzaamheden als bedoeld in art. 1:2 lid 3 Awb besloten worden geacht.
ABRvS 23 november 1998, Gst. 7097/7 en 18 februari 2004, AB 2004/113.
PG Awb I, p. 147. Zie voorts bijvoorbeeld ABRvS 25 november 1997, AB 1998/2 en 16 oktober 2002, JB 2003/4. Een politieke partij kan uiteraard wel als geadresseerde van een besluit belanghebbende zijn over de band van art. 1:2 lid 1 Awb. In dit verband is vermeldenswaard ABRvS 30 juli 1998, JB 1998/203 waarin speelde dat destijds een ieder op grond van de Wet milieubeheer een handhavingsbesluit kon uitlokken.
Albers en Schlo5ssels, 'De bestuurlijke boete: een koekoeksei in het bestuursprocesrecht?', NTB 2002/7.
Bffiring en Jurgens, 'De bestuurlijke boete is zo gek nog niet!', NTB 2006/48.
Zij plaatsen dit in de sleutel van de rechtsbescherming, hetgeen begrijpelijk is vanuit een bestuursrechtelijke invalshoek. Vanuit het perspectief van de verdachte moet dit veeleer als instrumentaliteit worden gekarakteriseerd. Ik verwijs in dit verband naar het inleidende hoofdstuk.
Beide wetten omschrijven consumentenorganisaties als volgt: stichtingen of verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die krachtens hun statuten tot taak hebben het behartigen van de collectieve belangen van consumenten (zie art. 1 onderdeel p Mededingingswet en art. 1, onderdeel d, Wet handhaving consumentenbescherming).
De toezichthouder kan immers zelf prioriteiten stellen. Zie daarover Korsten en Van Wanrooij, Nederlands Mededingingsrecht (2008), p. 300 en 75-76. Een mislukte poging in het kader van de Mededingingswet was de inzet in CBb 20 februari 2004, JB 2004/166. In CBb 28 mei 2004, AB 2004/449 leidde een klacht van Norsk Hydro, een zelfopwekker van energie, tot boeteoplegging door de toenmalige D-G NMa aan de samenwerkende elektriciteitsbedrijven wegens de weigering Norsk Hydro medewerking te verlenen voor elektriciteitstransport als bedoeld in art. 47 Elektriciteitswet 1989, hetgeen een inbreuk op art. 24 Mededingingswet opleverde. Norsk Hydro is als derdepartij toegelaten tot het geding. De toezichthouder is in die zaak echter niet door deze derde belanghebbende via de rechter gedwongen tot boeteoplegging. Wel heeft die derde een belang bij de boetezaak en kan dan eventueel schadevergoeding in een civiele procedure vorderen op basis van het oordeel van de NMa en de bestuursrechter omtrent de overtreding van de Mededingingswet. Zie voorts CBb 3 juli 2008, AB 2009/305 (Dierenartsencffiperatie). In die laatste uitspraak werd overwogen dat alleen de oorspronkelijke klager (aanvrager) derde belanghebbende is en niet andere benadeelden. Zie voorts Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 129.
ABRvS 1 oktober 2008, AB 2008/348. In gelijke zin ABRvS 28 mei 2008, AB 2008/238; 15 oktober 2008, AB 2008/249 en 22 oktober 2008,AB 2008/350. Zie voorts CBb 2 december 2008, AB 2009/12.
Zie de noot van Marseille bij ABRvS 24 juni 2009, AB 2009/336.
Zie ABRvS 28 oktober 2008, JB 2008/5 en CBb 21 januari 2009, AB 2009/58.
Zie bijvoorbeeld CRvB 27 maart 2003, RSV2003/146 en 18 mei 2004, RSV2004/262: de gemeente is als werkgever belanghebbende bij de premiebesluiten en niet het college van burgemeester en wethouders. In de laatste uitspraak speelde het beruchte art. 164 Gemeentewet een rol. Ook na dualisering van het gemeentebestuur blijft het oppassen. In ABRvS 4 februari 2004, JB 2004/126 werd terecht geoordeeld dat het college wel zonder meer bevoegd was om namens de gemeenteraad beroep in te stellen, maar dat dit onverlet laat dat binnen de beroepstermijn duidelijk moet zijn dat het rechtsmiddel namens de raad wordt ingesteld.
Een gemeente kan ook voor meerdere ankers gaan liggen door ƩƩn of meer van haar organen zowel namens haar als namens zichzelf beroep te laten instellen. Zie bijvoorbeeld Rb Rotterdam 16 juni 2006, LJN AX8958 inzake de weigering een tweede vestiging van een speelcasino toe staan in Amsterdam en Rotterdam.
In CRvB 31 maart 2006, RSV 2006/156 werd de Staatssecretaris van SZW met betrekking tot het buitenwettelijke bovenregionale gehandicaptenvervoersysteem Valys als belanghebbende aangemerkt, onder het motto: het door de Staatssecretaris aan zich getrokken belang moet op ƩƩn lijn worden gesteld met een aan hem toevertrouwd belang.
ABRvS 6 november 2002, JB 2003/5 en 29 januari 2003, NA 2003/45: de korpschef is geen belanghebbende bij het besluit van de Minister van Justitie tot vernietiging van zijn besluit omdat hij niet een van de Minister te onderscheiden belang heeft.
In ABRvS 9 februari 2005, AB 2005/98 werd geoordeeld dat GS van rechtswege partij was omdat de verleende verklaring van geen bezwaar een voorwaarde was voor de aangevochten vrijstelling.
PG Awb I, p. 153. Zie voorts ABRvS 2 juli 2003, AB 2003/393; 19 november 2003, JB 2004/18; 21 juli 2004, JB 2004/299 en 31 januari 2007, JB 2007/53.
Zie ondermeer Dingemans en Widdershoven, 'De Schutznormleer in communautair perspectief: het Duitse debat', NTB 2006/46 en Verheij, 'Uit zuinigheid naar relativiteit', in: Het bestuursrecht beschermd (2006). Schreuder-Vlasblom meent dat het feitelijk belang als rechtsingang het ongewenste gevolg heeft dat de rechter vanzelf aan de grenzen van het specialiteitsbeginsel gaat trekken. Zie bijvoorbeeld Schreuder-Vlasblom, 'Kroniek bestuursprocesrecht', NTB 2004/31, p. 188 en idem, `Het gewijzigde artikel 6:13 Awb, een trechter tussen bestuur en rechter', J73phis-Verklaard 2006, p. 13-14. Een tegengeluid komt van De Waard, 'Relativiteit en rechtsbescherming', NTB 2007/2 en idem, 'Bestuursrechtelijke rechtsbeschermingsleer en relativiteit', NTB 2007/9. Ook Jurgens toont zich kritisch ten opzichte van de invoering van een algemeen relativiteitsvereiste. Zie Jurgens, 'De bestuursrechtelijke relativiteitseis', in: De toegang tot de rechter beperkt (2010).
Het kabinet heeft de wenselijkheid van een relativiteitseis laten onderzoeken. De commissie Scheltema, die verdeeld was over het nut en noodzaak ervan, heeft volstaan met een opsomming van voors- en tegens. Zie de brief van de commissie Scheltema van 20 februari 2007, www.justitie.nl/Onderwerpen/Algemene_wet_bestuursrecht/Praktische_uitvoering. Soms neigt de Afdeling naar toepassing van een (buitenwettelijk) relativiteitsvereiste, zo leid ik af uit ABRvS 8 maart 2006, JB 2006/117; 5 april 2006, JB 2006/148 en 25 april 2007, JB 2007/106.
Aldus Van Ettekoven, 'Bestuursrechtspraak voor Jan & Alleman? Op weg naar een stelsel van subjectieve rechtsbescherming'. In: Rechtsbescherming in het omgevingsrecht (2009), p. 106 en Schueler, 'De relativiteitseis: sneller of beter?', TBR 2009/5, p. 37.
Zie instemmend Van Ettekoven, 'Bestuursrechtspraak voor Jan & Alleman? Op weg naar een stelsel van subjectieve rechtsbescherming'. In: Rechtsbescherming in het omgevingsrecht (2009), p. 104. Anders Schueler, 'De relativiteitseis: sneller of beter?', TBR 2009/5, p. 37. Schueler meent dat de rechter zelf niet ambtshalve zou moeten onderzoeken of de ingeroepen norm wel strekt tot bescherming van de belangen van de eiser, maar slechts indien daarop bij exceptie een beroep wordt gedaan door het bestuursorgaan of de (beoogd) vergunninghouder. Uit ABRvS 19 januari 2011, AB 2011/47 kan worden afgeleid dat de rechter eerst toetst of een beroepgrond op zich terecht is voorgesteld en eerst daarna of ook aan de relativiteitseis is voldaan.
Het enige verschil is dat de term administratieve rechter wordt vervangen door bestuursrechter. Met de invoering van art. 8:69a Awb komt art 19 Crisis- en herstelwet te vervallen.
ABRvS 19 maart 2003, AB 2003/191. Dit voorbeeld wordt ook aangehaald in de MvT bij het wetvoorstel Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, p. 53).
In gelijke zin Schueler, 'De relativiteitseis: sneller of beter?', TBR 2009/5, p. 38.
Schreuder-Vlasblom, 'Relativiteit in het bestuursrecht; een discussiebijdrage', NTB 2007/8, p. 50.
Aldus Schreuder-Vlasblom, 'Relativiteit in het bestuursrecht; een discussiebijdrage', NTB 2007/8, p. 52.
Zie daarover het volgende hoofdstuk.
Dingemans en Widdershoven, 'De Schutznormleer in communautair perspectief: het Duitse debat', NTB 2006/46, p. 329-330.
Dingemans en Widdershoven, 'De Schutznormleer in communautair perspectief: het Duitse debat', NTB 2006/46, p. 328-329. Ontleend aan een rapport van Ch. W. Backes geeft De Waard op p. 10 van zijn bijdrage, 'Relativiteit en rechtsbescherming', NTB 2007/2, overigens een horrorvoorbeeld van de Duitse rechtspraak inzake toepassing van een Schutznorm in milieuzaken. Ook Schk5ssels waarschuwt ervoor dat bij een relativiteitseis naar Duits model meer werk voor de bestuursrechter zal opleveren. Zie Schk5sssels, Van Ettekoven, Schueler en Van Harten, 'Bijdragen aan het relativiteitsdebat', NTB 2007/34, p. 246.
Zie de toelichting bij het wetvoorstel Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken /7 2009/10, 32 450, 3, p. 37-38). De vraag is of die bepaling veel toegevoegde waarde heeft naast art. 8:72 lid 3 Awb, dat ziet op de mogelijkheid dat de rechter de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit in stand laat. De praktijk zal dit moeten uitwijzen. Zie Zijlstra (onderdeel 3) in Konijnenbelt, Daalder, Zijlstra, Schk5ssels, Weggemann, Koeman, 'Herziening bestuursprocesrecht ter tafel', NTB 2006/36; De Poorter, 'kroniek bestuursprocesrecht', NTB 2006/40 en De Waard, 'Relativiteit en rechtsbescherming', NTB 2007/2, p. 14.
Rb Rotterdam 19 oktober 2004, AB 2006/39 (Added Value Investment Services).
ABRvS 10 februari 1997, AB 1997/387 en CRvB 8 juni 1999, JABW 1999/109.
HR 3 december 2010, BNB 2011/69; ABRvS 10 december 2003, AB 2004/175; CRvB 16 november 2007, RSV 2008/43 en CBb 28 december 2007, RF 2008/35. De bestuursrechter is alleen dan tot het beoordelen van rechtsvragen geroepen als sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Indien een dergelijk geschil niet langer bestaat, kan van de rechter geen uitspraak worden gevraagd uitsluitend wegens de principiƫle betekenis ervan. Zie ABRvS 26 november 2003, L1N AN8822; CRvB 8 juni 1999, JABW 1999/109 en CBb 7 mei 2004, AB 2004/464. Naar huidige inzichten kan nog wel een procesbelang resteren bij een beoordeling van een besluit, ook indien dat voor de belanghebbende geen enkel gevolg meer kan hebben, omdat de beoordeling van dat besluit kan worden betrokken bij de beoordeling van eventuele toekomstige vergelijkbare aanvragen van deze belanghebbende. Zie ABRvS 9 maart 2005, JB 2005/121; 25 februari 2009, LTNBH4009; CRvB 9 februari 2011, L1N BP3990 en CBb 19 juni 2009, LTNBJ0699.
HR 8 april 2005, BNB 2005/186; ABRvS 8 augustus 1996, JB 1996/197; CRvB 24 januari 2002, TAR 2002/72 en CBb 15 juli 2003, AB 2003/351. Let wel: voor vergoeding van griffierecht en in beroep gemaakte proceskosten is gelet op de art. 8:74 en 8:75 Awb geen gegrond beroep nodig. Zie HR 3 december 2010, BNB 2011/69; ABRvS 18 september 2002, AB 2003/41; 26 februari 2003, AB 2003/153; CRvB 24 januari 2002, TAR 2002/72 en 25 juli 2003, RSV 2003/237. Voor een schadevergoeding is gelet op de tekst van art. 8:73 Awb en de leer van de formele rechtskracht wel een gegrond beroep nodig. Zie HR 3 december 2010, BNB 2011/69; ABRvS 23 januari 1998, JB 1998/56; CRvB 1 juni 2004, LTN AP3184 en CBb 17 januari 2002, AB 2002/193. Ook met betrekking tot de vergoeding van in bezwaar gemaakte proceskosten is gelet op de tekst van art. 7:15 Awb van belang dat de (on)rechtmatigheid van het primaire besluit wordt vastgesteld. Zie ABRvS 6 mei 2004, 1.1N A08874; CRvB 16 november 2004, USZ 2005/52 en Rb Rotterdam 13 januari 2006, LJN AU9926.
Zo volgt uit het systeem van art. 6:20 lid 6 in verbinding met art. 8:72 lid 1 Awb.
ABRvS 2 maart 2005, AB 2005/123; 15 juni 2005, LTNAT7420; CRvB van 8 december 2004, RSV 2005/71; 22 april 2005, JB 2005/198 en 13 mei 2005, RSV2005/222. Een andere lijn werd gevolgd in CRvB 11 maart 2003, RSV 2003/159; 11 februari 2004, RSV 2004/136 en 18 februari 2005, USZ 2005/138.
CBb 30 januari 2009, AB 2010/146. Zie ook ABRvS 23 september 2009, AB 2010/70, waarin werd overwogen dat de exploitant die zich terugtrok uit de onderneming, die wegens zijn 'slecht levensgedrag' met een intrekking van de exploitatievergunning werd geconfronteerd, belang hield bij zijn hoger beroep omdat het niet onaannemelijk werd geacht dat de voormalige exploitant een slechte naam heeft gekregen door het in bezwaar gehandhaafde intrekkingsbesluit.
Algemeen uitgangspunt in de Awb is dat slechts de belanghebbende rechtsmiddelen kan instellen. Ingevolge art. 8: 1 lid 1 Awb komt immers alleen aan een belanghebbende het recht toe beroep in te stellen tegen een besluit, terwijl degene die het recht heeft beroep in te stellen (dat wil zeggen: de belanghebbende) ingevolge art. 7:1 lid 1 Awb eerst bezwaar dient te maken, tenzij elders anders is bepaald. In art. 1:2 Awb is het belanghebbendebegrip neergelegd:
'1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
2. Ten aanzien van bestuursorganen worden de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.
3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.'
Een persoon of organisatie is rechtstreeks met zijn of haar belang bij een besluit betrokken als bedoeld in art. 1:2 lid 1 Awb indien is voldaan aan vijf voorwaarden. Het moet namelijk een objectief bepaalbaar, persoonlijk, eigen belang betreffen dat rechtstreeks is betrokken bij het besluit en het moet actueel zijn.1 Bij besluiten op aanvraag of ambtshalve genomen besluiten zal in elk geval de geadresseerde belanghebbende zijn.2 Indien een handhavingsbesluit is gericht aan een natuurlijke of een rechtspersoon dan is die belanghebbende als bedoeld in art. 1:2 lid 1 Awb. De belanghebbendheid van rechtspersonen als bedoeld in het derde lid van dat artikel is dan niet in geding. Bij bestuursdwang speelt overigens ā anders dan bij een boete of een last onder dwangsom ā dat de beschikking tot bekendmaking zich (mogelijk) ook richt tot anderen dan de overtreder, namelijk de rechthebbenden op het gebruik ten aanzien van de zaak ten aanzien waarvan bestuursdwang zal worden toegepast (art. 5:24 lid 3 Awb), die niet noodzakelijk zelf de overtreder hoeven te zijn.3 De kosten kunnen uiteraard enkel op de overtreder worden verhaald (art. 5:25 Awb).4 De partner of een familielid van de geadresseerde wordt naar vaste jurisprudentie niet rechtstreeks getroffen in zijn belang.5 Ook een derde die via een contractuele relatie of uit hoofde van een andere verbintenis gevolgen ondervindt van een aan die ander gericht besluit wordt vanouds geacht niet rechtstreeks in zijn belang te worden getroffen, maar slechts een afgeleid belang te hebben.6 Het leerstuk van het afgeleid belang is echter in beweging.7 Zo lijkt de Afdeling thans de mogelijkheid van een eigen rechtstreeks belang van personen die getroffen worden door een afwijzende beslissing op een aanvraag van een ander niet langer uit te sluiten8 en wordt vaker aangenomen dat een eigenaar van een pand rechtstreeks belang heeft bij een besluit dat vooralsnog (enkel) directe gevolgen heeft voor de huurder.9 Voorts lijkt het College van Beroep voor het bedrijfsleven zich ruimhartiger op te stellen waar het gaat om een aanwijzing aan of een doorhaling van een onderneming die (mede) het gevolg heeft dat de bestuurders vanwege een negatief betrouwbaarheidsoordeel door de AFM of DNB naar huis worden gestuurd.10
Ten aanzien van degenen die een afgeleid belang hebben fungeert de burgerlijke rechter als restrechter. Zo overwoog de Hoge Raad: 'De eisen van een doeltreffende rechtsbescherming van de burger tegen de overheid laten niet toe, ook niet met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken, dat de formele rechtskracht van het desbetreffende besluit evenzeer zou gelden indien de bestuursrechter weliswaar reeds over de rechtmatigheid van het besluit heeft geoordeeld, maar dit is gebeurd in een procedure waaraan de eerdergenoemde partij bij gebreke van het rechtens vereiste belang niet heeft kunnen deelnemen.'11
Waar de wet wel voor een derde, de werkgever, directe gevolgen verbindt aan een besluit aan de ander, de werknemer, hanteert de Centrale Raad van Beroep een categoraal belanghebbendebegrip.12 Uiteraard brengt deze positionering van de werkgever met zich dat die zich in voorkomende gevallen als derde partij in het geding kan voegen.13 Om de poort niet te ver open te zetten hanteert de Centrale Raad wel een aanvullende ontvankelijkheidstoets: er moet wel sprake zijn processueel belang, dat wil zeggen dat de werkgever wel iets met zijn bezwaar of beroep moet kunnen bewerkstelligen.14 Wellicht kan de werkgever door die aanvullende voorwaarde buiten de deur worden gehouden als het gaat om boeten en maatregelen jegens de werknemer. Voorts is een concurrent met een tegengesteld belang belanghebbende.15 Waar een besluit (in potentie) gevolgen kan hebben voor een zeer grote groep mensen wordt als onderscheidende maatstaf gehanteerd dat alleen zij rechtstreeks in hun belang worden getroffen die een concreet en voldoende belang hebben dat valt te onderscheiden van de onbepaalde groep die door het besluit in enigerlei zin wordt geraakt.16 Met name in het mededingingsrecht komt men die maatstaf tegen,17 maar ook in het ruimtelijk bestuursrecht geldt een vergelijkbare norm. Zo wordt bij bouw- en kapvergunningen het zogenoemde zichtcriterium18 gehanteerd, wordt inzake geluidsoverlast belanghebbendheid gekoppeld aan geluidszones19 en speelt bij belanghebbendheid inzake verkeersbesluiten niet alleen de vraag of daarvan hinder wordt ondervonden, maar ook de vraag of reclamant in de directe omgeving van de betrokken weg woont of een bedrijf heeft.20
Indien in een bijzondere wet is vermeld dat een belanghebbende beroep kan instellen dan wordt voor de invulling van het belanghebbendebegrip aansluiting gezocht bij art. 1:2 Awb.21 In het verleden kon tegen besluiten die werden genomen op basis van een uitgebreide voorbereidingsprocedure door een ieder een zienswijze worden ingediend. Deze actio popularis is medio 2005 afgeschaft, ten faveure van het algemene belanghebbendecriterium.22 In een bijzondere wet, zoals de Wet op de ruimtelijke ordening, kan daarvan overigens weer worden afgeweken. Voorts kan in een bijzondere wet worden voorzien in een afwijkend belanghebbendecriterium,23 terwijl het belastingrecht voorziet in een gesloten stelsel van rechtsbescherming. Hoofdregel in het fiscale recht is dat enkel de degene tot een wie een aanslag zich richt daartegen kan opkomen.24 Er worden in de jurisprudentie wel enkele uitzonderingen gemaakt op al te rigide consequenties van dit gesloten stelsel. Indien de aanslag is opgelegd aan een ander dan de bestuurder van het voertuig, bijvoorbeeld aan de leasemaatschappij als houder van het voertuig, kan toch de foutparkeerder zelf ook opkomen tegen die aanslag.25
Art. 1:2 lid 3 Awb ziet op rechtspersonen26 ā veelal verenigingen ā die een bepaald collectief belang27 behartigen en vanuit die invalshoek opkomen tegen een besluit dat aan dat collectieve belang raakt, maar dat niet aan die rechtspersoon zelf hoeft te zijn gericht. Een dergelijke belangenvereniging kan ook een herstelsanctie jegens een illegale situatie die hun collectieve belang raakt uitlokken.28 Een politieke partij is overigens niet een rechtspersoon als bedoeld in art. 1:2 lid 3 Awb.29 Kunnen die derden ook een bestraffende sanctie uitlokken? Albers en Schlƶssels30 achten het vanuit rechtstatelijk oogpunt geen aantrekkelijke gedachte dat rechtspersonen die zich mede tot doel stellen de (strafrechtelijke) handhaving van bepaalde delen van het bijzondere bestuursrecht te bevorderen betrokken raken bij boeteprocedures. Terecht stellen zij dat de invloed van die derde belanghebbende door het formuleren van bezwaar- en beroepsgronden verder kan reiken dan hetgeen een klager in een strafvorderlijke klachtprocedure (art. 12 Sv) kan bereiken en dat belangenorganisaties een (te) vergaande invloed op het `vervolgings' -beleid van het bestuur zouden kunnen krijgen. Brbring en Jurgens31 zien dit juist als een voordeel. Zij spreken in dit verband van controle door derden.32 De wetgever heeft er overigens in voorzien dat consumentenorganisaties handhavingsbesluiten kunnen uitlokken waar het gaat om mededinging of oneerlijke handelspraktijken. Zo voorziet art. 93 lid 3 Mededingingswet er thans in dat consumentenorganisaties worden geacht belanghebbende te zijn bij besluiten genomen op grond van deze wet. Een soortgelijke voorziening is opgenomen in art. 7.2 van de Wet handhaving consumentenbescherming.33 In de praktijk ben ik overigens weinig voorbeelden tegengekomen van boetebesluiten die zijn afgedwongen door derdenbelanghebbenden.34 Met betrekking tot handhaving door middel van herstelsancties is dit anders. Die sancties zien op het beĆ«indigen van een illegale situatie, zodat de koppeling met de belangen van derden die daar hinder van ondervinden sneller is gemaakt. Overigens ook dan geldt dat de Afdeling niet accepteert dat een stichting uitsluitend wordt opgericht om omgevingsprocedures te kunnen entameren.
`Het statutaire doel van de Stichting is zo veelomvattend dat het onvoldoende onderscheidend is om op grond daarvan te kunnen oordelen dat het belang van de Stichting rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit (...). De Afdeling overweegt dat het louter in rechte opkomen tegen besluiten als regel niet kan worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Een andere uitleg zou betekenen dat voor de ontvankelijkheid van een bezwaar of beroep van een rechtspersoon, in een geval als hier aan de orde, in zoverre voldoende is dat hij dergelijke rechtsmiddelen pleegt aan te wenden. De uitleg van de criteria van artikel 1:2, derde lid, van de Awb zou er dan op neerkomen dat het beroepsrecht in feite voor een ieder open zou staan (actio popularis).'35
Het komt er dus op neer dat collectieve belangenorganisaties eerder als belanghebbende worden aangemerkt dan organisaties die algemene belangen behartigen.36 Dit laat onverlet dat algemene belangenorganisaties wel als belanghebbende in de zin van art. 1:2 lid 3 Awb kunnen worden aangemerkt indien er structurele nevenactiviteiten zijn die geen verband houden met het voeren van procedures.37
Met betrekking tot de belanghebbendheid van bestuursorganen ingevolge art. 1:2 lid 2 Awb moet worden onderscheiden tussen een aantal situaties. De meest voorkomende is dat een bestuursorgaan zelf een besluit neemt. Het beslissende bestuursorgaan is automatisch belanghebbende bij dat besluit, wat niet wegneemt dat het uiteraard niet beroep kan instellen tegen zijn eigen beslissing op bezwaar, maar wel hoger beroep kan instellen nadat die beslissing in eerst aanleg is vernietigd. Ook kan een bestuur-orgaan in de hem toevertrouwde belangen worden getroffen door een besluit van een ander bestuursorgaan dat aan een derde is gericht. Te denken valt hier aan een tegengesteld belang aan dat van het beslissende orgaan. Ook kan het besluit zich tot dat andere bestuursorgaan richten of aan een publiekrechtelijke rechtspersoon. Vaak gaat hier wat mis, omdat anders dan wat betreft de identiteit van de besluitnemer, niet altijd duidelijk is welk orgaan van een rechtspersoon belanghebbende is.38 De hamvraag is dan aan welk orgaan welke belangen zijn toevertrouwd.39 Ook kan zich bij delegatie de vraag voordoen of het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan nog enige rol kan spelen in een procedure waarin de overgedragen bevoegdheid een de orde is.40 Waar het , n t gaat om besluiten waartegen administratief beroep openstaat of die goedkeuring in de bestuurskolom behoeven liggen de zaken soms evenmin eenvoudig. Is het lagere bestuurorgaan belanghebbende bij een vernietiging in administratief beroep?41En zijn Gedeputeerde Staten belanghebbende bij een beroep van omwonenden tegen een door hen goedgekeurd bestemmingsplan?42
Voor het zijn van belanghebbende is vanouds niet van belang of het belang waarin betrokkene wordt getroffen een bij het besluit mee te wegen belang betreft.43 Het specialiteitsbeginsel dat is neergelegd in art. 3:4 lid 1 Awb is aldus van een andere orde dan het belanghebbendebegrip. In de literatuur44 en daarbuiten45 is gepleit voor de introductie van een relativiteitsvereiste, dat wil zeggen dat een belanghebbende alleen een besluit kan aanvechten voor zover de wettelijke bepalingen waarop dat besluit is gebaseerd ertoe strekken zijn belangen te beschermen. Inmiddels is de relativiteitseis ingevoerd met de Crisis- en herstelwet. Art. 1.9 Crisis- en herstelwet luidt:
`De administratieve rechter vernietigt een besluit niet op de grond, dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.'
Het gaat om een pilot die ziet op ruimtelijke infrastructurele projecten. Waar twijfel is omtrent het beschermingsbereik van een voorschrift zal de rechtzoekende het voordeel van de twijfel moet krijgen,46 hetgeen niet wegneemt dat de bestuursrechter wel ambtshalve de relativiteitstoets zal moeten verrichten.47 Het wetsvoorstel Wet aanpassing bestuursprocesrecht voorziet in de invoering van een relativiteitsvereiste in het gehele bestuursrecht door toevoeging van art. 8:69a Awb, dat vrijwel gelijkluidend is aan art. 1.9 Crisis- en herstelwet.48 De regering meent dat (vooral in het ruimtelijk bestuursrecht) behoefte bestaat aan het beperken van de toegang tot de rechter in kwalitatieve zin door het opwerpen van de relativiteitsdrempel bij de aangevoerde beroepsgronden. Een berucht voorbeeld is de casus waarin villabewoners opkomen tegen de vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning voor de vestiging van een woonwagenkamp, waarbij de villabewoners zich beroepen op mogelijk onaanvaardbare geluidhinder die de woonwagenbewoners te verwachten hebben vanwege het nabijgelegen zwembad.49
Vooropgesteld moet worden dat de keuze voor introductie van relativiteit in het bestuursrecht een rechtspolitieke keuze is en niet een logische noodzaak.50 Anders dan Schreuder-Vlasblom zie ik niet in dat het feitelijk belang als toegang tot rechtsbescherming in combinatie met het aanvoeren van gronden die zien op de rechtmatigheid van het bestreden besluit, dat juist niet primair zal zijn betrokken op specifieke subjectieve rechten, maar op het algemeen belang, een niet goed doordacht systeem van rechtsbescherming oplevert.51Het willekeurige52 van het huidige systeem zie ik niet als inherent problematisch. Juist omdat het bestuur besluiten neemt uit oogpunt van het algemeen belang en bij de daarbij in aanmerking te nemen deelbelangen gebonden is aan het specialiteitsbeginsel kunnen de inhoudelijke gronden tegen een besluit veelal niet zien op datgene dat de bezwaarmaker tot belanghebbende maakt. Deze door de Awb-wetgever voorgestane willekeurigheid is inherent aan de notie van rechtsbescherming als synoniem voor geschilbeslechting. Binnen datgene dat door de aanlegger is aangevoerd zal, gelet op art. 8:69 lid 2 Awb, overigens altijd een `objectieve toetsing' aan het recht plaatshebben terwijl de rechter voorts ambtshalve toetst aan bepalingen van openbare orde.53
De introductie van een relativiteitsvereiste in het gehele bestuursrecht, zoals in ons rechtssysteem van toepassing is bij een actie uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), zal leiden tot een verdergaande subjectivering van het bestuursprocesrecht. Indien een relativiteitsvereiste naar de Duitse Schutznorm-leer wordt ingevoerd in de Awb dan heeft dit overigens geen gevolgen voor de rechtsbescherming tegen sanctiebesluiten: bij belastende besluiten wordt aangenomen dat de adressant zonder meer in zijn belangen wordt getroffen. Diegene heeft volgens de Duitse doctrine recht op een in alle opzichten rechtmatig besluit, aldus Dingemans en Widdershoven.54 Wel kan de introductie van een relativiteitsvereiste in potentie gevolgen hebben voor de mate waarin derden handhavende besluiten kunnen afdwingen. Voor die derden geldt in het Duitse systeem namelijk wel de eis dat de overtreden rechtsnorm Schutzzweck (een beschermingsdoel) heeft en dat die derden vallen onder de Schutzumfang (het beschermingsbereik).55 In dit verband kan voorts worden gewezen op het voorstel om de reikwijdte van art. 6:22 Awb te verruimen, door ā voor zover belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld ā te voorzien in de mogelijkheid van het passeren van schending van voorschriften zonder meer, dus niet slechts van vormvoorschriften.56 Ook thans kan bij de toetsing van de totstandkoming van een besluit ā denk aan bewijsvergaring ā als maatstaf wordt gehanteerd of de belanghebbende door enig vormverzuim in zijn belang is getroffen.
Zo overwoog de rechtbank Rotterdam ten aanzien van de bewijsvergaring in het beroep tegen de oplegging van een bestuurlijke boete ondermeer: 'Voorzover DNB in het kader van een onderzoek door haarzelf of een strafrechtelijk onderzoek inzake gedragingen van Blankenhoef informatie heeft verkregen omtrent de bemiddelingsactiviteiten door eiseres, kan eiseres zich niet beroepen op de onrechtmatigheid van de bewijsvergaring, nu dat onderzoek niet op haar was gericht. Zij kan evenmin met succes klagen omtrent de wijze waarop het openbaar ministerie documenten aan DNB ter hand heeft gesteld. De rechtbank wijst in dit verband op de in de strafrechtelijke jurisprudentie ontwikkelde zogeheten "schutznorm"-theorie. Dit is slechts anders indien dat onderzoek naar Blankenhoef (door DNB) in feite is ingegeven door het oogmerk onderzoek te doen naar eiseres ā hetgeen strijdigheid met art. 3:3 Awb zou opleveren ā of indien de bewijsvergaring ā ook door derden ā anderszins flagrant in strijd met de toepasselijke rechtsregels is geschied. Daarvan is de rechtbank, mede gelet op het Convenant, niet gebleken.' 57
Volgens vaste jurisprudentie wordt als afgeleide van het in art. 1:2 Awb neergelegde belanghebbendebegrip ambtshalve beoordeeld of de oorspronkelijke belanghebbende op enig moment zijn procesbelang is kwijtgeraakt.58 Aan het beroep komt procesbelang te ontvallen indien de belanghebbende met zijn rechtsmiddel niet meer kan bewerkstellingen wat hij heeft beoogd en het resultaat voor deze indiener feitelijk geen betekenis meer kan hebben.59 Van het ontvallen van procesbelang is veelal sprake indien het bestuursorgaan hangende het beroep het bestreden besluit intrekt en daarvoor in de plaats ambtshalve een nieuw besluit neemt. Slechts indien de belanghebbende daarbij belang heeft bestaat in een dergelijk geval ruimte voor een vernietiging door de rechter van het reeds door het bestuur ingetrokken besluit (art. 6:19 lid 3 Awb). Van een gegrond beroep kan ook slechts sprake zijn indien de bestuursrechter het bestreden besluit vernietigt (art. 8:72 lid 1 Awb). Het ontbreken van procesbelang moet aldus worden beloond met een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar of beroep. Dezelfde lijn wordt gevolgd inzake het niet tijdig beslissen. Indien op de voet van art. 6:2 onder b Awb beroep is ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar en hangende dat beroep wordt alsnog een besluit op bezwaar genomen, dan wordt het oorspronkelijke beroep ingevolge art. 6:20 lid 5 Awb slechts alsnog gegrond verklaard indien de indiener daarbij belang heeft. Indien dat belang er niet is moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.60 Indien dat belang er wel is volgt gegrondverklaring en vernietiging van de weigering tijdig te beslissen.61 Ook bij een beroep tegen een reƫel besluit kan op analoge wijze worden beoordeeld of degene die beroep heeft ingesteld belang heeft bij de grief dat niet binnen de wettelijke termijn is beslist. Die wettelijke beslistermijn is een termijn van orde, zodat een termijnoverschrijding niet zonder meer tot vernietiging hoeft te leiden.62 Deze paragraaf eindig ik met een voorbeeld ter zake van het al dan niet ontbreken van procesbelang bij een beroep tegen een boetebesluit. Met betrekking tot de beslissing van een bestuursorgaan om de overtreder een boete van nihil op te leggen overwoog het College van Beroep voor het bedrijfsleven:
`Met betrekking tot de eerste grief van A, die in samenhang met de tweede grief van DNB kan worden behandeld, overweegt het College dat ter zitting is gebleken dat DNB, toen zij er achter kwam dat het samenstel van de toepasselijke wettelijke bepalingen niet toeliet dat een boete van een bepaalde hoogte werd opgelegd, er weloverwogen niet voor heeft gekozen om het besluit van 19 juli 2006, waarbij een boete was opgelegd, volledig te herroepen, maar om dit besluit in stand te laten, met uitzondering van het bedrag van de boete en deze te stellen op nihil. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat van het primaire boetebesluit louter een rechtsoordeel met betrekking tot de overtreding van de Wvb is overgebleven, waartegen volgens DNB het belang van A bij een rechterlijk oordeel over het besluit van 6 december 2006 zou zijn komen te ontvallen.ā63