Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.1.5.2
7.1.5.2 Beklag ex art. 552a Sv
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS621523:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis.
Zie HR 20 juni 1988, NJ 1989/213; HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN4301, NJ 2010/563 en zie T&C Sv, aant. 3 bij art. 552a voor meer rechtspraakverwijzingen.
Zie HR 9 januari 1990, NJ 1990/369 en HR 15 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3818, NJ 2003/363.
Zie HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8737, NJ 2013/128 m.nt. Keulen.
Vgl. AG Knigge in zijn conclusie voor HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1157.
Vgl. HR 4 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5740, waarin de HR in een 552f-zaak toepassing van het Zwolsmancriterium bij de beoordeling van een beroep op niet-ontvankelijkheid van het OM onjuist noch onbegrijpelijk oordeelde.
Een uitzondering moet worden gemaakt voor voorwerpen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Ook indien de strafzaak zou eindigen in niet-ontvankelijkverklaring van het OM, brengt de aard van die voorwerpen mee dat geen teruggave kan volgen. In de beoordeling zal voorts moeten worden betrokken of de handhaving van het beslag niet aangewezen is in verband met een andere zaak dan die waarin het OM hoogstwaarschijnlijk niet-ontvankelijk wordt verklaard. Ook hier zal dan immers de zogenaamde salami-regel (zie par. 7.2.6) moeten worden toegepast.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis
Zie HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma.
Vgl. Kuiper 2008, p. 102-103 en HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis (rov. 2.2).
Zoals het hof uitdrukkelijk deed in de zaak die leidde tot HR 27 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4956.
In zoverre deel ik niet de zorg die Keulen uitspreekt met betrekking tot dit soort zaken in punt 6 van zijn noot onder HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8735, NJ 2013/ 128.
Zie nader par. 8.4.4.3.2.
Vgl. HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0666, NJ 2011/425 m.nt. Reijntjes en HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6144. Zie ook HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR: 2013:BV3004.
Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:130.
Zie HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3564, NJ 2008/113.
Zie HR 22 februari 1994, NJ 1994/490.
Zie Vennix 1998, p. 348.
Zie hierover ook Keulen 2013.
Zie HR 5 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2970 en HR 25 januari 2005, ECLI:NL:HR: 2005:AR6604 (oordeel rechtbank dat het politie-pv zodanig tekortschoot dat zij rechtmatigheid beslaglegging en vraag of belang strafvordering zich tegen teruggave verzette niet kon beoordelen en tot teruggave besloot, vernietigd).
Zie HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2300, NJ 2010/548.
Zie bijv. HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5979, NJ 2009/263 m.nt. Legemaate.
Zie HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY0193, NJ 2006/592 en het vervolg op die zaak in HR 27 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4956.
AG Vellinga ging op de ontvankelijkheidsvraag uitgebreid in in zijn conclusie voor HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY0193, NJ 2006/592.
Dat gold niet voor de afweging tussen het belang van waarheidsvinding en het commerciële belang van het bedrijf dat vreesde voor omzetverlies als informatie uit retreevers aan justitie ter beschikking gesteld zou moeten worden. Maar die vrees achtte het hof te weinig onderbouwd en, zo zij al terecht zou zijn, van onvoldoende gewicht in verhouding tot het belang van waarheidsvinding dat met kennisneming van de gegevens gediend was.
Het ging daarbij om gegevens van de gebruikers tussen tien en twaalf uur ‘s nachts van het tourniquetsysteem op twee metrostations ‘om te zetten in naam, adres, postcode, woonplaats en eventuele foto van deze gebruikers’.
In cassatie klaagde het OM over het oordeel van de rechtbank dat de OvJ art. 126nf Sv – dat een schriftelijke machtiging van de RC vereist – aan zijn vordering ten grondslag had moeten leggen.
Vgl. HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3369, NJ 2011/222 m.nt. Borgers.
In de overzichtsbeschikking over beklag op de voet van art. 552a Sv tegen beslag dat is gelegd op de voet van art. 94 of 94a Sv stelde de Hoge Raad het ‘summier karakter’ van de beklagprocedure voorop. Dat karakter brengt mee dat van de beklagrechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is volgens de Hoge Raad in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel.1 De vraag rijst wat dit betekent voor de taak van de beklagrechter wat betreft het controleren en reageren op vormfouten.
In eerdere rechtspraak is geoordeeld dat in de beklagprocedure ook de rechtmatigheid van de inbeslagneming kan worden getoetst en werden aan de omvang van die toetsing geen duidelijke restricties gesteld.2 Wel werd duidelijk gemaakt dat na beëindiging van het beslag niet over de onrechtmatigheid daarvan kon worden geklaagd op de voet van art. 552a Sv.3
Voor de hand ligt evenwel dat de invoering van art. 359a Sv en de ontwikkeling in de rechtspraak sedertdien, hun weerslag hebben op de taak die de beklagrechter in dit opzicht heeft. De vroegere rigide toepassing van reacties op vormfouten werkte door in de benadering van de beklagrechter en maakte gemakkelijker te voorzien wat de zittingsrechter zou doen. Gegrondverklaring van een beklag en teruggave was destijds niet zozeer vooruitlopen op de beslissing van de zittingsrechter, maar redelijk handelen in de zekere wetenschap van de komende toepassing van bewijsuitsluiting door de zittingsrechter. Dit is sterk veranderd door de in art. 359a Sv voorgeschreven belangenafweging en de beperkende tendens in de rechtspraak wat betreft de toepassing van ingrijpende reacties op vormfouten. Dat het zwaartepunt van de beoordeling zo duidelijk is gelegd bij de zittingsrechter, betekent een beperking van de rol van de beslagrechter: die heeft geen houvast meer aan rigide bewijsuitsluitingsregels en kan niet goed voorspellen wat de uitkomst van de belangenafweging van de zittingsrechter zal zijn.
Dus: waarop heeft tegenwoordig de toetsing van de beklagrechter betrekking en hoe diepgaand kan die toetsing zijn?
Buiten twijfel staat dat de toetsing door de beklagrechter betrekking heeft op de materiële eisen die gelden voor inbeslagname op de voet van art. 94 of 94a Sv, zoals de vraag of het gaat om een voorwerp dat kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen, onderscheidenlijk of het voorwerp kan dienen tot bewaring van het recht tot verhaal. De maatstaven voor die toetsing heeft de Hoge Raad in de overzichtsbeschikking op een rij gezet. AG Knigge noemt dit in zijn conclusie voor HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8735, NJ 2013/128 m.nt. Keulen, de controle op de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag. Daarvan onderscheidt hij de controle op de rechtmatigheid van de beslaglegging zelf, waarin het gaat om de vraag of ten tijde van de beslaglegging aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. In de beslissing van de Hoge Raad werd bevestigd dat ook tegenwoordig nog over de onrechtmatigheid van ‘de beslaglegging zelve’ kan worden geklaagd en werd enige duidelijkheid verschaft over de daarbij geldende stelplicht van de klager, de verdeling tussen klager en OM van de last tot substantiëring van stellingen en over de motiveringsplicht van de rechter. De beklagrechter hoeft, zo oordeelde de Hoge Raad in reactie op een middel, niet ambtshalve te onderzoeken en in zijn beschikking ervan blijk te geven of ‘de formaliteiten’ bij de beslaglegging in acht zijn genomen. Wel zal, indien in het klaagschrift teruggave wordt verzocht met een beroep op feiten en omstandigheden op grond waarvan de beslaglegging zelve onrechtmatig moet worden geacht, de rechter moeten onderzoeken of hij de feitelijke grondslag van dat beklag voldoende aannemelijk acht en of die onregelmatigheid bij de beslaglegging tot gegrondverklaring van het klaagschrift dient te leiden. De rechter mag in zo een geval de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de klager leggen, aldus de Hoge Raad.4
Hiermee werd nog niet duidelijk waaruit deze categorie van ‘de beslaglegging zelve’ onrechtmatig makende onregelmatigheden bestaat en welke inhoud de toetsing van de beklagrechter precies heeft. Om daarop wat meer greep te krijgen is het denk ik zinvol een nadere – op een goede taakverdeling tussen beklagrechter en zittingsrechter gestoelde – categorisering te hanteren van de uiteenlopende gevallen waaraan kan worden gedacht: a. onrechtmatigheden waarvan het rechtsgevolg niet uit de wet voortvloeit en op basis van een belangenafweging moet worden bepaald, b. onrechtmatigheden die zich per definitie niet lenen voor beoordeling in de beklagfase en c. onrechtmatigheden waarvan het rechtsgevolg uit de wet voortvloeit.
Ad a. Geredeneerd vanuit de logica en taakverdeling die art. 359a Sv propageert, komen onrechtmatigheden waarvan het rechtsgevolg niet uit de wet voortvloeit, maar op basis van een belangenafweging moet worden bepaald, slechts voor een marginale toetsing door de beklagrechter in aanmerking.
Deze onrechtmatigheden kunnen in de beklagfase alleen gevolgen hebben als hoogst waarschijnlijk is dat de zittingsrechter een reactie zal gaan toepassen die in de beklagfase gegrondverklaring en teruggave rechtvaardigt.5 De beklagrechter zal zich daarbij moeten oriënteren op de maatstaven die de zittingsrechter bij de toepassing van bewijsuitsluiting en niet-ontvankelijkverklaring van het OM aanlegt.6 Alleen als niet-ontvankelijkverklaring hoogst waarschijnlijk is, zou dit tot gegrondverklaring en teruggave kunnen leiden, omdat dan immers hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter tot een veroordeling zal komen,7 hetgeen de maatstaf is waaraan de beklagrechter in een dergelijk geval toetst.8 Bij de huidige minimale ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring, zal deze situatie zich zo goed als nooit voordoen, ook al omdat de zware motiveringseisen9 die in dit opzicht worden gesteld aan de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM een onderzoek vergen dat het summiere karakter van de beklagprocedure vrijwel steeds te buiten gaat.10 Iets beter denkbaar is het geval waarin in de beklagfase met een hoge mate van waarschijnlijkheid is te voorzien dat bewijsuitsluiting zal volgen. Maar ook in dergelijke zaken dient de beklagrechter zich uiterst terughoudend op te stellen, zo luidt mijns inziens de boodschap in HR 4 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2818, waarin de rechtbank teruggave gelastte wegens onrechtmatigheid van de aanhouding en de daarop gevolgde inbeslagneming van geld. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank had moeten beoordelen of latere verbeurdverklaring hoogst onwaarschijnlijk was. Met haar beslissing was de rechtbank volgens de Hoge Raad dan ook vooruitgelopen op het in de hoofdzaak te geven oordeel. Vaak leveren onregelmatigheden bij inbeslagneming een schending op van art. 8 EVRM en juist in die categorie van vormfouten zijn rigide bewijsuitsluitingsregels zeldzaam.
Bij de huidige beperkte en sterk van de – in de beslagfase vaak nog niet volledig bekende – omstandigheden van het geval afhankelijke toepassing van bewijsuitsluiting en niet-ontvankelijkverklaring van het OM, zal de beklagrechter bij onregelmatigheden waarvan het rechtsgevolg niet uit de wet voortvloeit daarom meestal moeten verwijzen naar de zittingsrechter.11 Dat geldt te meer omdat na de behandeling van het beklag sommige vormverzuimen mogelijk nog kunnen worden hersteld en de beklagrechter niet het genuanceerde reactiearsenaal van de zittingsrechter ter beschikking staat. Een uitzondering hierop vormen de beklagzaken waarin een beroep op het verschoningsrecht centraal staat. Voor die zaken heeft de Hoge Raad een specifiek beoordelingskader ontwikkeld dat de beklagrechter in staat stelt tot een ‘eindoordeel’ te komen over de toelaatbaarheid van de inbeslagneming (en kennisneming) van het betreffende materiaal. Dat komt er (van alle nuance ontdaan) op neer dat materiaal dat onder het verschoningsrecht valt niet in het strafproces mag worden gebruikt en moet worden teruggegeven, tenzij sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin het belang van waarheidsvinding prevaleert boven de met eerbiediging van het verschoningsrecht gemoeide belangen. Daarmee spoort dat op dit vlak voor de zittingsrechter een bewijsuitsluitingsregel bestaat die, zodra vast staat dat bepaald materiaal onder het verschoningsrecht valt – afgezien van ‘zeer uitzonderlijke’ gevallen waarin de waarheidsvinding prevaleert – in beginsel niet veel ruimte voor afweging biedt.12 Materiaal dat is verkregen met schending van het verschoningsrecht dient ingevolge de eerste bewijsuitsluitingsregel uit de arresten van 19 februari 2013 in beginsel van het bewijs te worden uitgesloten.13
Ad b. Als subcategorie van de gevallen waarin het rechtsgevolg van de onrechtmatigheid niet uit de wet volgt, kan nog worden gewezen op de gevallen die zich per definitie niet lenen voor beoordeling in de beslagfase. Een voorbeeld hiervan bieden de beklagzaken waarin een beroep werd gedaan op het nemo tenetur beginsel. Voor de beoordeling van een beroep op schending van dit beginsel is het in de beklagprocedure te vroeg. Beslissend voor de vraag of dit beginsel is geschonden, is of het gebruik tot het bewijs van een al dan niet in een document vervatte verklaring van de verdachte in een strafzaak zijn recht om te zwijgen en daarmee zijn recht om zichzelf niet te belasten van zijn betekenis zou ontdoen.14 In het algemeen zal alleen de zittingsrechter hierover kunnen oordelen. In de beslagfase is van ‘gebruik tot het bewijs’ immers nog geen sprake.
Ad c. Alleen onrechtmatigheden waarvan het rechtsgevolg (impliciet) uit de wet voortvloeit, zoals het geval is bij bepaalde wettelijke voor het beslag constitutieve vereisten zoals neergelegd in de art. 94b Sv e.v.,15 kan de beslagrechter naar aanleiding van een hierop gericht betoog in het klaagschrift ten volle toetsen. In HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV3004 bakende de Hoge Raad deze categorie al iets duidelijker af door te oordelen dat uit het summiere karakter van de raadkamerprocedure voortvloeit dat ‘het onderzoek in raadkamer zich wel kan uitstrekken tot vragen met betrekking tot de rechtmatigheid van het beslag zelf, waarmee wordt gedoeld op de formaliteiten waaraan een inbeslagneming moet voldoen, doch niet tot vragen die betrekking hebben op de mogelijke onrechtmatigheid van gebruik voor het bewijs van hetgeen door de inbeslagneming is verkregen’.
Naar deze zaak verwees de Hoge Raad in HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR: 2013:130, waarin het ook zijn eerdere beslissing over de aard en omvang van de rechtmatigheidstoetsing in de 552a-procedure (NJ 2010/654 en NJ 2013/128) herhaalde. Namens de klager was in die zaak aangevoerd dat de inbeslagneming onrechtmatig was, omdat niet bleek van een redelijke verdenking ten tijde van zijn aanhouding en de doorzoeking van zijn auto. De rechtbank had vastgesteld dat de klager was aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij een ramkraak in een casino en dat in het kader van deze verdenking zijn auto is onderzocht en de fouillering van de klager heeft plaatsgevonden. Op grond daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat ‘het beslag niet onrechtmatig is’. Dat oordeel achtte de Hoge Raad niet onbegrijpelijk. Daarbij overwoog de Hoge Raad:
‘In het kader van een beklagprocedure dient de vraag of jegens de klager een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond op het moment van zijn aanhouding en de doorzoeking van zijn auto, beoordeeld te worden met het oog op beantwoording van de vraag of een belang van strafvordering aanwezig is voor het voortduren van het beslag. Met de formaliteiten (…) [(zoals de in art. 94b Sv gestelde vereisten) waaraan de inbeslagneming moet voldoen], heeft die vraag niet van doen. Voor zover hetgeen namens de klager is aangevoerd strekt ten betoge dat het resultaat van de inbeslagneming niet voor het bewijs mag worden gebezigd, heeft te gelden dat het onderzoek in raadkamer zich daartoe niet uitstrekt.’
Het gaat bij deze toetsing van de ‘formaliteiten waaraan een inbeslagneming moet voldoen’ dus om een uiterst beperkte categorie, terwijl over het belang van deze toch al beperkte toetsing nog een relativerende opmerking moet worden gemaakt. De Hoge Raad heeft immers geoordeeld dat een eenmaal onrechtmatig geoordeelde inbeslagneming kan worden gevolgd door een tweede rechtmatige inbeslagneming op dezelfde voorwerpen.16 Het verzuim dat kleefde aan de eerste inbeslagneming, was bij de tweede inbeslagneming hersteld. Deze rechtspraak roept de gedachte op dat de vaststelling van een onrechtmatige inbeslagneming in gevallen waarin met het voortduren van het beslag een belang van strafvordering is gemoeid, een vooral declaratoir karakter kan krijgen, mits de OvJ oplettend genoeg is om op de voorwerpen opnieuw, maar dan rechtmatig beslag leggen. Op de ‘kernvraag of het belang van strafvordering dan wel de beschermende functie van het strafprocesrecht de doorslag dient te geven’, die Keulen in zijn noot onder NJ 2013/128 aanhaalde uit de discussie in de literatuur over het al dan niet bestaan van een mogelijkheid tot conversie van een onrechtmatig in een rechtmatig beslag, heeft de Hoge Raad dus niet geantwoord dat ‘de nadruk moet worden gelegd op de rechtsbeschermende functie’, zoals Vellinga-Schootstra in – let wel – 1982 deed. Dat wil niet zeggen dat die functie nooit de doorslag kan geven, maar misschien kan de verandering sinds 1982 aldus worden geschetst als een benadering van ‘ja, tenzij’, naar ‘nee, tenzij’.
In die sleutel past ook de rechtspraak van de Hoge Raad die inhoudt dat waar het gaat om voorwerpen die vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, teruggave niet in aanmerking komt. In 1994 oordeelde de Hoge Raad dat de omstandigheid dat bij de inbeslagneming ‘bepaalde wettelijke voorschriften ter bescherming van de rechten van de beslagene niet in acht zijn genomen’ niet meebrengt dat die voorwerpen niet meer vatbaar zijn voor deze maatregel. Ook niet als de ‘rechterlijke vaststelling dat het strafbare feit bestaande uit het aanwezig hebben van die voorwerpen is begaan slechts door de bij de inbeslagneming begane onregelmatigheden mogelijk is geworden’. 17 Teruggave, zo schrijft Vennix ‘is dan dus geen optie’, omdat dat ertoe zou leiden ‘dat de ‘gevaarlijke’ voorwerpen terugkeren in de maatschappij en dat de beslagene die het voorwerp in zijn bezit krijgt zich wellicht schuldig maakt aan een strafbaar feit’.18
In het schema van de voormelde categorieën past de recente rechtspraak van de Hoge Raad. Uit die rechtspraak kan worden afgeleid dat er in de 552a-procedure wel enige ruimte bestaat voor controle en voor het reageren op vormfouten in het voorbereidend onderzoek, maar dat die ruimte in het algemeen uiterst beperkt is.19 Zoals de Hoge Raad bij ontnemingszaken een herhaling van zetten probeert te voorkomen in een procedure ná de hoofdzaak, voorkomt de hiervoor besproken rechtspraak een herhaling van zetten door de mogelijkheden om een beroep te doen op vormfouten te beperken in een aan de terechtzitting voorafgaande procedure.
De terughoudendheid die de beklagrechter in dit opzicht aan de dag moet leggen spreekt ook uit andere beslissingen. Zo is bijvoorbeeld bepaald dat de enkele omstandigheid dat het OM nalatig is geweest zijn standpunt met stukken te schragen, geen grond kan vormen voor het oordeel dat de inbeslagneming onrechtmatig is. Dat oordeel kan volgens de Hoge Raad alleen worden bereikt op grond van de vaststelling van de daarvoor relevante, de beslaglegging zelve betreffende, feiten en omstandigheden.20
Een andere beperkende factor is dat over de onrechtmatigheid van de inbeslagneming niet kan worden geklaagd door een derde onder wie het beslag niet is gelegd. Wanneer deze derde teruggave verzoekt, behoort een toetsing van de rechtmatigheid van de inbeslagneming niet tot de taak van de rechter, maar beoordeelt hij alleen of de derde een geldige aanspraak heeft op het inbeslaggenomen voorwerp.21 Dat doet denken aan het ook in het kader van art. 359a Sv gehanteerde Schutznormvereiste.
7.1.5.2.1 Gesloten-enveloppe procedure
Een bijzondere categorie vormen in dit verband de zaken waarin voorwerpen of gegevens(dragers) ‘onder couvert’ in beslag zijn genomen, dat wil zeggen, zonder dat daarvan ten behoeve van het opsporingsonderzoek kennis is genomen. In die gevallen kan de 552a-procedure een functie vervullen die vergelijkbaar is met de ‘pre-trial procedure’ in de VS waarin een succesvol beroep op bewijsuitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal ertoe leidt dat dit materiaal de zittingsrechter niet onder ogen komt. Gewezen kan worden op de rechtspraak over de zogenaamde ‘gesloten-enveloppe procedure’.22 Als in een dergelijke procedure wordt geoordeeld dat de inbeslaggenomen stukken onder het verschoningsrecht vallen en doorbreking daarvan niet gerechtvaardigd is, volgt teruggave. In dat geval kunnen de inbeslaggenomen stukken dus ook niet bijdragen tot het bewijs in een eventueel volgende strafprocedure.
Buiten de sfeer van het verschoningsrecht komt een inbeslagname onder couvert sporadisch voor. Een voorbeeld hiervan biedt de zaak betreffende een inbeslaggenomen ‘retreever’, een soort uit de luchtvaart bekende zwarte doos, maar dan in een auto, waaruit de snelheidsgegevens (i.c. ten tijde van een ongeval) kunnen worden uitgelezen.23 In deze zaak klaagde het bedrijf dat de retreever zou moeten uitlezen over de voorgenomen kennisneming van deze gegevens. Die klacht werd ontvankelijk geoordeeld, waarmee een aan de kennisneming voorafgaande rechtmatigheidstoets ook hier mogelijk werd gemaakt.24 Verschillende klachten over rechtmatigheidsaspecten stuitten vervolgens erop af, dat het bedrijf bij die klachten geen rechtens te respecteren belang had.25 De verweren van de bestuurder van de auto van de strekking dat de gegevens uit de retreever vanwege hun onrechtmatige verkrijging niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, moesten naar het oordeel van het hof niet door beklagrechter, maar door de zittingsrechter beoordeeld worden.
In deze beschikking komt de beperkte bruikbaarheid naar voren van de 552a-procedure voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de inbeslagneming en het eventueel verbinden van rechtsgevolgen aan in dat opzicht geconstateerde vormfouten. Toch kan een dergelijk beklag ook buiten de sfeer van het verschoningsrecht heel soms tot succes leiden, zoals in HR 23 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6331, NJ 2010/355 m.nt. Mevis. In die zaak had de OvJ van de klaagster – een openbaar vervoerbedrijf dat zelf geen verdachte was – op grond van art. 126nd/126ud Sv historische OV-chipcardgegevens gevorderd.26 De klaagster leverde de foto’s uit en diende vervolgens met succes een 552a-beklag in. De rechtbank gelastte de teruggave van de foto’s en de vernietiging van eventueel gemaakte kopieën. Het cassatieberoep van het OM faalde.27 Mevis constateert in zijn noot bij deze zaak dat adequate afbakening en bewaking van de grenzen van het stelsel van bevoegdheden tot het vorderen van gegevens ‘voor een deel ook bestaat bij de gratie van standvastige gegevenshouders op dit punt’.
Overigens heeft de Hoge Raad een halt toegeroepen aan de mogelijke ontwikkeling van de 552a-procedure tot een afzonderlijke procedure waarin na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting over de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal kan worden geprocedeerd. In HR 17 januari 2012, ECLI:NL: HR:2012:BU2046, NJ 2012/67, werd overwogen dat de wet geen bepaling kent die de zittingsrechter bevoegd verklaart bewijsmateriaal dat naar zijn oordeel onrechtmatig is verkregen, alsnog uit het dossier te doen verwijderen28 en dat de wet evenmin een bepaling kent die het in art. 552a Sv bedoelde gerecht bevoegd verklaart om na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting stukken die bij het procesdossier zijn gevoegd, alsnog uit het dossier te doen verwijderen of te bepalen dat van die stukken geen kennis mag worden genomen dan wel dat daarvan bij de beantwoording van de vragen van de art. 348 en 350 Sv geen gebruik mag worden gemaakt.