Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VI.4.4.2
VI.4.4.2 Het bestuur is bevoegd tot schorsing van een uitvoerend bestuurder…
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242932:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 43.6, p. 741. In de praktijk wordt hier overigens anders over gedacht. Volgens de statuten van OCI NV kan de schorsing te allen tijde worden opgeheven door de algemene vergadering. Zie art. 14.7 van de statuten van OCI NV d.d. 15 september 2016.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 19 (MvT).
Onder anderen Croiset van Uchelen, TOP 2014/242; Lennarts & Roest 2016, p. 123; en Nowak, Ondernemingsrecht 2013/8.
Zie de memorie van toelichting bij het Ontwerp Nelissen uit 1910, opgenomen in Belinfante 1929, p. 95.
Idem onder anderen Lennarts & Roest 2016, p. 123; en Nowak, Ondernemingsrecht 2013/8. Zie evenzo de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht, Advies Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht d.d. 5 juni 2008, p. 4.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 19 (MvT). In gelijke zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/450; en Handboek 2013/253, p. 549.
In gelijke zin Dortmond, Ondernemingsrecht 2016/82; en Kersten 2018, p. 27.
Ook Nowak, Ondernemingsrecht 2013/8, wijst op dit probleem.
Opvallend genoeg rust de bevoegdheid tot schorsing van een uitvoerend bestuurder in een one tier board niet op de niet-uitvoerende bestuurders. Naast degene die de uitvoerende bestuurders benoemt, is het gehele bestuur op grond van het eerste lid van art. 2:134/244 BW te allen tijde bevoegd een uitvoerend bestuurder te schorsen. Deze bevoegdheid kan het bestuur niet worden ontnomen. De schorsing kan evenmin worden opgeheven door de vergadering van aandeelhouders die de uitvoerende bestuurder heeft benoemd.1 Het meest in het oog springende verschil tussen art. 2:134/244 lid 1 BW en art. 2:147/257 BW is dat de schorsingsbevoegdheid niet op de toezichthouders in het bestuur, maar op het gehele bestuur rust.
De toelichting leert dat juist in een monistisch bestuur behoefte aan schorsing kan bestaan wanneer het vertrouwen in een van de bestuurders ontbreekt.2 Dat het wenselijk is dat een uitvoerend bestuurder kan worden geschorst door een ander dan het orgaan dat hem heeft benoemd, staat buiten kijf. Ik betwijfel alleen of het bestuur daartoe de meest aangewezene is.
Het gros van de auteurs meent dat het schorsen van een bestuurder bij uitstek een taak van de toezichthouders is.3 Ik zie dat niet anders. Zoals al in 1910 werd bepleit, hebben de toezichthouders deze bevoegdheid nodig om effectief toezicht te kunnen houden.4 De schorsingsbevoegdheid had dan ook niet bij het bestuur, maar bij de niet-uitvoerende bestuurders moeten liggen.5 De wetgever heeft echter verzuimd dit goed in de wet op te nemen.
Het gevolg is dat de niet-uitvoerende bestuurders niet zonder meer aan het langste eind trekken. Het besluit tot schorsing van een uitvoerend bestuurder moet immers op grond van art. 2:134/244 lid 1 BW worden genomen door de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders tezamen. Enkel de te schorsen uitvoerende bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming, zo volgt uit art. 2:129/239 lid 6 BW.6 Hebben de uitvoerende bestuurders zelfs zonder de te schorsen bestuurder een numeriek overwicht en/of de meerderheid van de stemrechten, dan kunnen zij het schorsingsbesluit eenvoudig blokkeren.7 Hetzelfde probleem kan opdoemen wanneer de statuten een gekwalificeerde meerderheid voorschrijven. Tot slot is het houden van effectief toezicht problematisch wanneer de statuten aan de totstandkoming van het schorsingsbesluit een quorumeis verbinden. Blijven de uitvoerende bestuurders weg waardoor het quorum niet kan worden gehaald, dan kan de uitvoerende bestuurder niet worden geschorst.8