Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/3.3.1
3.3.1 De Wet op de Arbeidsovereenkomst: bescherming van de werknemer als ‘economisch zwakkere’ contractspartij
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583437:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Een en ander heeft geresulteerd in een tamelijk lijvig pakket aan parlementaire stukken, zo is in de Tweede Kamer zelfs uitdrukkelijk benoemd: ‘Enkele leden klaagden over de uitgebreidheid en uitvoerigheid van de Memorie van Toelichting, die van citaten overvloeit en wemelt van verwijzingen naar vreemde wetgevingen en literatuur, zie Bles Deel I, p. 263. Het overgrote deel van de nieuwe regeling moest immers uit eigen koker komen. Zo is in de Memorie van Toelichting ook opgemerkt: ‘In het geldende Nederlandsche recht is voor den opbouw der toekomstige wetgeving weinig materiaal te vinden.’, zie Bles Deel I, p. 257. Wel is in nationaal verband onder meer acht geslagen op de regeling in het Wetboek van Koophandel omtrent het huren van scheepsofficieren en scheepsgezellen, zie Bles Deel I, p. 259. Voor kennis van de ‘feitelijke toestanden’ kon de wetgever voorts putten uit verslagen die tussen 1890 en 1894 zijn uitgebracht door de Staatscommissie Arbeidsenquête over de arbeidstoestanden in verschillende sectoren, waaronder de spoorwegindustrie en veenkoloniën (Staatscommissie tot het houden van Arbeidsenquête, ingesteld krachtens de Wet van 19 Januari 1890 (Stb. 1), 1890-1892 (1894). De hier bedoelde verslagen zijn te raadplegen in het Nationaal Archief, nummer archiefinventaris: 2.09.38.).
Zie paragaaf 2.2.1.
Bles 1907, Deel I, p. 9 (Voorloopig Verslag der Tweede Kamer).
Bles 1907, Deel I, p. 11-12.
Bles 1907, Deel I, p. 11 (Voorloopig Verslag der Tweede Kamer); zie hierover tevens Bles 1907, Deel I, p. 13 (Memorie van Antwoord). Deze stelling werd overigens niet door alle Kamerleden zonder meer voor waar aangenomen. Zo is bij de beraadslaging in de Eerste Kamer opgemerkt dat het voorgaande niet op zou gaan, omdat andere ruilwaar ook aan bederf onderhevig zou zijn, waarbij meer in het bijzonder is gewezen op kersen(boomgaarden): ‘De heeren onder ons die kersenboomgaarden hebben, zullen niet wachten tot die kersen rijp aan de boomen hangen om te trachten er een afnemer voor te vinden, en het geheele argument, waarop de wet rust, wordt wederlegd door de omstandigheid, dat in normale gevallen de arbeid altijd op tijd verkocht wordt. Een dienstbode wacht niet totdat zij buiten dienst is, om naar een nieuwen dienst te zoeken. Er wordt altijd vroeger in voorzien. Zoo ook bij de vaste arbeiders; die hebben altijd over een langen tijd hun diensten verhuurd en de practijk brengt mede dat, als zij ontslagen worden, hun dit eenigen tijd te voren wordt aangekondigd.’, zie: Bles 1907, Deel I, p. 77 (Beraadslagingen in de Eerste Kamer).
Zo vermeldt de Memorie van Toelichting: ‘wie van het verkoopen van zijn handenarbeid moet bestaan, [heeft] in den regel niets anders (…) dan dezen arbeid om van te leven’, zie Bles 1907, Deel I, p. 6 (Memorie van Toelichting).
Bles 1907, Deel I, p. 11, p. 68 (Voorlopig Verslag der Tweede Kamer).
Bles 1907, Deel I, p. 122 (Voorlopig Verslag der Eerste Kamer).
Bles 1907, Deel I, p. 59 (Voorlopig Verslag der Eerste Kamer).
Bles 1907, Deel I, p. 56 (Voorlopig Verslag der Eerste Kamer). Met de invoering van bepalingen die de positie van de economisch zwakkere werknemer moesten versterken,zou de werkgever bovendien steeds zwakker worden, omdat de wetgever zich ‘steeds meer met hen gaat bemoeien en hun zwaardere verplichtingen oplegt’. Zie tevens: Bles 1907, Deel I, p. 224 (Voorlopig Verslag der Eerste Kamer).
Bles 1907, Deel I, p. 62 (Voorlopig Verslag der Eerste Kamer).
Bles 1907, Deel I, p. 60 (Voorlopig Verslag der Eerste Kamer).
Hier uit zich het ‘paternalistische’ karakter van het arbeidsrecht, zie hierover uitgebreid: Davidov 2020.
Daarbij kwam dat het onderscheid tussen ‘werktuiglijken’ en ‘intellectueelen’ arbeid niet zonder meer helder was. Zo is in dit verband opgemerkt: ‘Waar begint de intellectueele arbeid, waar de lichamelijke? Waar zou te dezen opzichte de wetgever de juiste grens moeten stellen en in zijn voorschriften formuleeren? Het geldt hier veelal louter een quantitatief verschil, een verschil in de hoeveelheid van beide factoren, die beide, in meerdere of mindere mate, bij allen, die eenig werk verrichten, aanwezig moeten zijn’. Bles Deel I, p. 66 (Antwoord der Regering).
Bles 1907, Deel I, p. 224 (Antwoord der Regering).
Bles 1907, Deel I, p. 224 (Antwoord der Regeering).
Bles 1907, Deel I, p. 224-225 (Antwoord der Regeering).
Bles 1907, Deel I, p. 153 (Antwoord der Regeering).
Bles 1907, Deel I, p. 141 (Beraadslagingen in de Tweede Kamer).
Bles 1907, Deel I, p. 141 (Beraadslagingen in de Tweede Kamer).
Bles 1907, Deel I, p. 154 (Antwoord der Regeering).
In dit verband is onder meer gewezen op Duitsland, waar men wel een gedifferentieerde regulering van arbeid kende, zie Bles 1907, Deel I, p. 154 (Antwoord der Regering). Ook het voorstel om tot drie afzonderlijke regelingen te komen is gesneuveld. Dit voorstel voorzag in een regeling voor arbeiders in fabrieks- en handwerknijverheid, een regeling voor dienstbode, en een regeling voor alle overige in loondienst zijnde personen, zie Bles 1907, Deel I, p. 154 (Antwoord der Regeering). Directeuren van naamloze vennootschappen, en andere, vergelijkbare werkenden die feitelijk als werkgevers fungeerden, moesten overigens van de derde categorie worden uitgesloten.
Zo is bijvoorbeeld opgemerkt dat het er voor de toepassing van de wettelijke regeling inzake de koopovereenkomst ook niet toe deed welke zaak werd verkocht: ‘een landgoed van tonnen gouds, een brood bij den bakker of een lading graan’. Op gelijke wijze zou het er voor de toepassing van de regeling inzake de arbeidsovereenkomst evenmin toe doen wat de aard van de arbeid was. In essentie hadden alle arbeidsovereenkomsten, ondanks onderlinge verschillen, altijd de meest essentiële kenmerken met elkaar gemeen: er werd arbeid verricht, tegen loon, onder gezag van de werkgever. Zie: Bles 1907, Deel I, p. 155-156 (Antwoord der Regeering).
Bles 1907, Deel I, p. 132 (Memorie van Toelichting, ontwerp Drucker).
Bles 1907, Deel I, p. 219 (Voorloopig Verslag der Eerste Kamer).
Bles 1907, Deel I, p. 7 (Memorie van Toelichting).
Bles 1907, Deel I, p. 124 (Antwoord der Regeering).
Bles 1907, Deel I, p. 125 (Antwoord der Regeering).
Bles 1907, Deel I, p. 219 (Voorloopig Verslag der Eerste Kamer).
Zie ook: paragraaf 2.2 en 2.3.
Bles 1907, Deel I, p. 228 (Antwoord der Regeering).
Hoewel de noodzaak voor een nieuwe regeling breed erkend werd, bestond er geen algehele consensus over de gewenste reikwijdte en inhoud daarvan. Bij de parlementaire behandeling van de Wet op de Arbeidsovereenkomst is hier dan ook uitvoerig over gedebatteerd.1 Het debat over de beoogde reikwijdte van de nieuwe regeling spitste zich met name toe op de machtsverhouding tussen werkgevers en werknemers: hoe meer die verhouding uit balans was, hoe meer aanleiding er was om die balans te herstellen. Dit sluit aan bij de in hoofdstuk 2 uiteengezette gedachte dat van (daadwerkelijke) contractsvrijheid enkel sprake is, indien en voor zover sprake is van gelijke contractspartijen.2
In de parlementaire geschiedenis is in dit verband aangehaald dat in ‘arbeidskringen’ de overtuiging leefde dat de voormelde machtsverhoudingen voornamelijk zouden worden bepaald door de verhouding tussen de factoren kapitaal en arbeid. Aanvankelijk heeft nog discussie bestaan over de vraag of deze balans tussen partijen wel hersteld kon worden. Door sommige Kamerleden werd betoogd dat een wettelijke regeling hier geen noemenswaardige verandering in zou kunnen brengen:
‘Waar de economische overmacht is aan de zijde der werkgevers, zullen bepalingen van dwingend recht gemakkelijk worden ontdoken en voor de arbeiders gunstige bepalingen van aanvullend recht in den regel worden ter zijde gesteld. Waar daarentegen de arbeiders, ten gevolge van aaneensluiting in vakvereenigingen, economisch sterk zijn tegenover den werkgever, zullen voorschriften van dwingend recht hunne actie vaak belemmeren.’3
Met andere woorden: verondersteld werd dat de economische overmacht van de werkgever dusdanig groot was, dat hier geen wet tegenop gewassen zou zijn. In de Memorie van Antwoord is deze ietwat fatalistische redenering overigens gerelativeerd. Volgens de regering was het wantrouwen dat in de voormelde denkwijze doorklinkt geheel ongegrond, nu deze redenering was ontleend aan ‘de troebele bron van den klassenstrijd’, waarin de factoren kapitaal en arbeid als twee machten worden gezien die vijandig tegenover elkaar staan:
‘Naar hunne leer is de werkgever de natuurlijke vijand van den werknemer, de zelfzuchtige egoïst, voor wien de arbeider slechts is het uit meer of minder krachtige spieren opgebouwde werktuig, bestemd en daadwerkelijk dienende tot vermeerdering van den rijkdom des patroons.’4
Volgens de regering diende er echter vanuit te worden gegaan dat kapitaal en arbeid verbonden zijn door een ‘natuurlijken, van Boven verordende’ band, die in het belang van beide partijen moest worden verstevigd.
Hoewel de regering dus minder pessimistisch was over het effect dat de nieuwe wet zou kunnen sorteren, werd niet ontkend dat de machtsverhouding tussen werkgevers en werknemers in grote mate bepaald werd door de verhouding tussen kapitaal en arbeid. In dit verband werd onder meer gewezen op de ‘eigenaardige natuur’ van de arbeidsovereenkomst, waarbij het ‘eigenaardige’ gelegen was in het feit dat de werknemer zijn ‘ruilwaar’ binnen die verhouding – arbeid – niet kon bewaren:
‘iedere andere waar dan de arbeid [kan] voor korteren of langeren tijd in voorraad worden gehouden, zonder dat zij aan quantiteit of qualiteit verliest, maar de arbeid [kan] geen oogenblik onaangewend blijven zonder te gelijk gedeeltelijk te zijn verspild’.5
Een werknemer die een dag niet werkte, was – en is! – zijn ruilwaar dus per definitie kwijt. Anders dan werkgevers hadden werknemers bovendien veelal niets anders te bieden dan hun arbeidskracht.6 Een en ander maakte dat de werknemer voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk was van zijn inkomsten uit arbeid, zodat hij ook eerder geneigd zou zijn om arbeid tegen ongunstige voorwaarden te aanvaarden.7 De werknemer was met andere woorden de economisch zwakkere partij binnen de arbeidsrelatie, en moest worden beschermd tegen mogelijk misbruik door de economisch sterkere werkgever.8
Hoewel dit uitgangspunt breed gedragen werd, bestond hier ook kritiek op. Zo zou deze veronderstelling niet opgaan voor werknemers die ‘geen werktuiglijken maar intellectueelen’ arbeid verrichtten, zoals directeuren en commissarissen. Dergelijke werknemers zouden in de regel goed in staat zijn hun belangen te behartigen, zodat zij geen dwingendrechtelijke bescherming nodig zouden hebben. Bovendien werd de verdeling van economische macht niet uitsluitend bepaald door partijen zelf, maar ook door vraag en aanbod op de markt, en ‘de mate waarin eene bevolking diensten van economische waarde kan aanbieden, van haar opvoeding’.9 Met de keuze voor deze grondslag zou de nieuwe regeling bovendien te zeer gericht zijn op de werknemer, en zou er te weinig oog bestaan voor de positie van de werkgever.10De vrees bestond dat velen de nieuwe wet als ‘een middel zouden zien om sterker te worden in den klassenstrijd’, en om die reden zou blijven vasthouden aan het ‘in de wet vastgelegde denkbeeld van noodzakelijke bescherming van de economisch zwakkeren’.11 Al met al werd dan ook betwijfeld of ‘economische zwakheid’ wel een geschikte grondslag was voor de nieuwe wettelijke regeling.12
Toch heeft de regering aan deze grondslag vastgehouden. Hoewel erkend werd dat niet alle werknemers economisch zwakker waren, werd er wel vanuit gegaan dat dit voor het overgrote deel van de werknemers gold.13 Daarbij werd benadrukt dat dit uitgangspunt niet alleen opging voor werknemers die ‘werktuiglijken’ arbeid verrichtten: ook werknemers die ‘intellectueelen’ arbeid verrichtten waren doorgaans evengoed afhankelijk van hun inkomsten uit arbeid.14 Volgens de regering kon in feite worden gesteld dat ‘bijna iederen arbeider, van welken maatschappelijken stand ook, die niet louter voor tijdverdrijf een dienstcontract sluit’, in zekere zin economisch afhankelijk was van zijn werkgever. Waar de werknemer voor zijn levensonderhoud afhankelijk was van de werkgever, gold andersom dat de werkgever in de regel ‘de diensten van dien éénen arbeider gedurende langeren of korteren tijd kan ontberen.’15 In feite komen in de wetsgeschiedenis twee aspecten van de economische ongelijkheid tot uitdrukking. Zo ligt in deze grondslag besloten dat de werknemer voor zijn levensonderhoud doorgaans afhankelijk is van zijn inkomen uit arbeid, zodat hij in economische zin afhankelijk is van zijn werkgever. Daarnaast ziet het begrip economische ongelijkheid op de economische macht van de werkgever, waarmee wordt bedoeld dat de werkgever vanuit zijn economische machtigere positie in het algemeen in staat is te bepalen of, en zo ja onder welke voorwaarden hij de werknemer tewerkstelt. Het gaat dus om twee afzonderlijke aspecten die zonder meer verband met elkaar houden, maar die niet als synoniemen en evenmin als antoniemen kunnen worden beschouwd.16 De regering merkt aansluitend op:
‘In deze eenvoudige waarheid ligt de oorzaak van het verschijnsel, dat men bij iedere categorie van arbeiders vaak kan waarnemen, dat bij het aangaan van het contract de arbeider zoo vrijgevig is bij het verleenen van zijn consent, dat zoo grif wordt toegestemd in des werkgevers voorwaarden, ook al toont zich, zoodra zij in vervulling treden, tegenzin en tegenkanting. Dit psychologisch gemakkelijk te verklaren verschijnsel doet zich in die mate voor bij geene andere overeenkomst juist omdat op geen ander gebied de economisch zwakkere positie van een der partijen zoozeer als hier is: het normaal gegeven.’17
Ondanks de aangevoerde bezwaren kreeg de Wet op de Arbeidsovereenkomst dus toch een ruime grondslag, en daarmee ook een ruim en uniform karakter. De keuze voor een algemene regeling kon niet op algehele steun rekenen: door sommige Kamerleden werd betreurd dat het wetsontwerp met een ‘doodende uniformiteit’ was behandeld.18Het ‘doodende’ was volgens hen gelegen in het feit dat een regeling die uitgaat van ‘de leer van de gemiddelden’ per definitie tot minder gelukkige uitkomsten zou leiden, nu het ‘voor den een niet te slecht [mocht] zijn, maar het gevolg was, dat het voor den ander toch eigenlijk niet heel goed was.’19 Met een dergelijk compromiskarakter zou de regeling in feite voor niemand passend zijn:
‘Nu vormen gemiddelden een begrip, dat nooit in de realiteit verwezenlijkt wordt; men treft nooit het juiste; het gemiddelde zal zijn hier te lang, daar te kort, hier te ruim, daar te krap’.20
Sommige Kamerleden hadden dan ook graag een gedifferentieerde regeling gezien, zodat recht kon worden gedaan aan de verschillen tussen werknemers onderling. Ook deze wens is niet in vervulling gegaan. De regering merkte hierover op dat het:
‘uiterst moeilijk, zoo niet onmogelijk moet worden geacht, de verschillende groepen van arbeiders, voor wie verschillend recht gelden zal, zoo nauwkeurig te omschrijven en te omlijnen, dat aan practijk en rechtspraak de vereischte zekerheid verschaft worden (…).’21
Een gedifferentieerde regeling was dus niet alleen onpraktisch, maar zou ook de beoogde rechtszekerheid niet ten goede komen.22 Ook vanuit wetssystematisch oogpunt had een algemene regeling de voorkeur, nu ook andere overeenkomsten binnen het Burgerlijk Wetboek op een algemene wijze geregeld waren.23 Met een ruime regeling kon bovendien in zoveel mogelijk gevallen bescherming aan werkenden worden geboden. Deze insteek sloot ook aan bij hetgeen Drucker voor ogen had, namelijk een regeling:
‘algemeen voor allen, die tegen loon hunne arbeidskracht voor zekeren tijd ter beschikking stellen van een ander, onverschillig welke namen of titels in het verkeer aan de partijen of aan de dienstbetrekking mogen worden gegeven. Voor hen allen is vaststelling van de rechtsgevolgen der overeenkomst noodzakelijk.’24
Vanuit die gedachte kon niet worden volstaan met aanvullend recht, maar moest de hier bedoelde bescherming door middel van dwingend recht worden ‘opgelegd’, daar ‘de economisch sterkeren het anders in handen zouden hebben de bepalingen van aanvullend recht illusoir te maken’.25 Vanuit een economisch zwakkere positie zouden werknemers immers eerder geneigd zijn om ongunstige arbeidsvoorwaarden te aanvaarden. Zo werd zelfs aangenomen dat de arbeidsovereenkomst voor veel werknemers niet ‘eene vrijwillige overeenkomst’, maar een ‘dwangcontract’ en een ‘economisch toevluchtoord’ was.26
Ook het dwingendrechtelijke karakter van de Wet op de Arbeidsovereenkomst was onderwerp van kritiek. De introductie van dwingendrechtelijke bepalingen stuitte bij sommige Kamerleden op weerstand, vanwege de ‘wrijving’ met de algemene beginselen van het contractenrecht. Met dwingend recht werd immers directe afbreuk gedaan aan de autonomie van partijen, die onder het BW 1838 juist zo sterk aanwezig was. Binnen de context van de arbeidsovereenkomst werd deze inbreuk echter gerechtvaardigd geacht. De regering merkte hierover op dat ‘naar de grondgedachte van het ontwerp bij het sluiten eener arbeidsovereenkomst steeds ongelijke partijen tegenover elkander staan, een zwakkere tegenover een sterkere.’27 Een en ander kon betekenen dat de contractsvrijheid moest worden beperkt, ter voorkoming van het misbruik ‘dat de eene partij zou kunnen maken van de economische zwakheid van den medecontractant’.28 In dit verband is ook opgemerkt dat de economische ongelijkheid tussen partijen meebracht dat überhaupt niet van contractsvrijheid kon worden gesproken: daarvoor moet immers sprake zijn van gelijke partijen. In deze opvatting moest de zwakkere partij sterker worden gemaakt om de contractsvrijheid te waarborgen.29 Deze uitleg sluit aan bij de wijze waarop het beginsel contractsvrijheid in de in hoofdstuk 2 besproken literatuur wordt uitgelegd, waarbij wordt aangenomen dat contractsvrijheid enkel aanwezig kan zijn voor zover sprake is van gelijke contractspartijen. Wanneer dit niet het geval is, moet de zwakkere partij sterker worden gemaakt zodat de contractsvrijheid (alsnog) kan worden gewaarborgd.30 Dit is een andere benadering dan de (hiervoor beschreven) opvatting dat dwingend recht tot een beperking van de contractsvrijheid leidt. Wordt ervan uitgegaan dat dwingend recht de contractsvrijheid beperkt,dan betekent dit dat ook wordt verondersteld dat contractsvrijheid in beginsel wel aan de orde was. Wordt aangenomen dat bepalingen van dwingend recht de contractsvrijheid juist waarborgen, dan hoort daar de gedachte bij dat tussen ongelijke partijen in beginsel geen sprake is van (daadwerkelijke) contractsvrijheid. In de parlementaire geschiedenis is in het midden gebleven welke van de twee benaderingen hierin leidend is. Onderaan de streep doet dit overigens ook niet ter zake, nu in beide gevallen immers geldt dat de zwakkere partij sterker wordt gemaakt.
Overigens werd verwacht dat de noodzaak voor dwingendrechtelijke bepalingen op den duur zou afnemen, met name wanneer de collectieve arbeidsovereenkomst aan betekenis zou winnen. In die situatie zou ‘ongetwijfeld de kans op eene meer bevredigende oplossing van eventueele botsingen tusschen werkgevers en arbeiders ten zeerste worden vergroot’, waarmee de noodzakelijkheid van bepalingen van dwingend recht zou verminderen. Voorlopig was dit echter nog niet aan de orde, zo vermeldt de parlementaire geschiedenis:
‘Doch voorloopig zijn de arbeidsverhoudingen er niet naar, dat de wetgever zonder dwingend recht zijn taak vervullen kan: hij die niet in het duister wil tasten, mag nog niet het licht uitdooven, omdat aan den horizon de dageraad gloort’.31