Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/8.2.1
8.2.1 Oorlog
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS578000:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bijv.Mannschaftsversorgungsgesetz en het Offizierpensiongesetz.
C. Harmsen, Der Schwerbehinderte und seine Rechte, Decker en Müller: Heidelberg 1988, p.11-15, Kostorz, p.119.
§ 7 SchwBeschG. Deze zogeheten ‘Abschlußzwang’ gold zelfs als er geen vrije arbeidsplaatsen waren, zodat werkgevers konden worden gedwongen om werknemers te ontslaan om plaats te maken, zie uitgebreider N. Berger, Gesetz über die Beschäftigung Schwerbeschädigter, Inngau: Rosenheim 1950, p.5-6, 11 en 39-41.
§ 10 lid 2 SchwBeschG 1923.
Dus overeenkomstig van kracht bij de wettelijke Unfallversicherung, Berger, p.19.
Kostorz, p.106-107.
Later ‘Berufshilfe’ genaamd en uitgevoerd door een zogeheten ‘Berufsgenossenschaft’, J. Breuer, Geschichtliche Entwicklung’, in: B. Schulin (red.), Handbuch des Sozialversicherungsrechts Band 2, Unfallversicherungsrecht, Beck: München 1996 (Schulin/Breuer), p.26-27, Kostorz, p.105-111.
Kostorz, p.109, die ook wijst op § 558f RVO (oud) van 1 januari 1926: het recht op een ‘berufliche Ausbildung zur Wiedergewinnung oder Erhöhung der Erwerbsfähigkeit, insoweit der Verletzte durch den Unfall in der Ausübung seines Berufs, der ihm billigerweise zugemutet werden kann, wesentlich beeinträchtigt ist, nötigenfalls Ausbildung für einen neuen Beruf’ en op ‘Hilfe zur Erlangung einer Arbeitsstelle’.
Zöllner, p.83-92, Handbuch 1/R. Schlenker, ‘Geschichte und reformperspektiven der gesetzlichen Kranken-kassen’, p.15.
Ondanks dat die in de praktijk niet vaak bleek te worden toegepast; overheidsingrijpen werd alleen gezien als laatste middel, zie K. Gröninger, Schwerbeschädigtergesetz, Kommentator: Frankfurt a/Main 1954, p.21.
E. Wiedemann en E. Kunze, Das neue Schwerbehindertenrecht, Leitfadenverlag Dieter Sudholt: Assenhausen/Obb 1976, p.62-68.
§ 12 lid 1 en 20 lid 3 SchwBeschG 1953.
§ 21 lid 1 SchwBeschG 1953.
Oorlog en re-integratie zijn in Duitsland nauw verbonden. Hoewel al in 1906 wettelijke regelingen bestonden voor oorlogsslachtoffers1 werd de noodzaak daarvoor pas echt groot na de Eerste Wereldoorlog. Ongeveer 900.000 slachtoffers moesten vanuit nationaal plichtsbesef en ideële gedachten weer in het arbeidsproces worden ingeschakeld.2 In 1923 werd daarom een aantal voorlopige maatregelen, die golden vanaf 1919, vervangen door het Gesetz über die Beschäftigung Schwerbeschädigter (SchwBeschG). Deze wet kende een plicht voor werkgevers om 2% ‘Schwerbeschädigten’ als werknemer in dienst te nemen. Een Schwerbeschädigte was een persoon die ten minste een 50%-verminderde verdiencapaciteit had. Gebeurde dat in dienst nemen niet vrijwillig dan kon een werkgever daartoe worden gedwongen met een besluit van de ‘Hauptfürsorgestelle’, de aangewezen uitvoeringsinstelling. Door dat besluit werd namelijk een arbeidsovereenkomst geacht te zijn gesloten tussen werkgever en Schwerbeschädigter.3 Als een aanpassing van de werkplek of organisatie nodig was om zo iemand in te zetten, dan was de werkgever daartoe verplicht.4 Ten slotte kregen Schwerbeschädigter ook ontslagbescherming met een preventieve ontslagtoets door de Hauptfürsorgestelle. Deze wet strekte zich naast oorlogsslachtoffers ook uit over werknemers die meer dan 50% arbeidsongeschikt waren geraakt vanwege een arbeidsongeval.5
Niet alleen in het SchwBeschG maar ook in het Unfallversicherungsgesetz stonden bepalingen over re-integratie. Al vanaf het begin namen uitvoeringsinstanties vrijwillig maatregelen om vroegtijdig (nog in de wachttijd vóór uitkering) aan te sturen op herstel en re-integratie, aangezien de aanspraken onder de Unfallversicherung voor onbepaalde duur waren. Daarmee was het in hun financiële belang instroom te voorkomen.6 In 1925 werd in de wet opgenomen dat de werknemer aanspraak had op maatregelen, die zijn mogelijkheden op terugkeer in zijn huidige of een ander beroep zouden vergroten (‘Berufsfürsorge’).7 Een richtlijn voor de uitvoeringsinstantie uit die tijd luidde:
‘Schon bei Beginn des Heilverfahrens ist auf eine weitgehende Erhaltung der Arbeitsfähigkeit im alten Beruf und auf eine beschleunigte Zurückführung nach abgeschlossenem Heilverfahren oder wo angänglich, im Rahmen arbeitstherapeutischer Heilbehandlung zu achten…Die Wiederaufnahme bei dem früheren Arbeitgeber empfiehlt sich an erster Stelle. Man soll daher sofort, nachdem sich die verbleibene Arbeitsfähigkeit überblicken läßt, mit diesem in Verbindung treten. Der Schwerunfallverletzte soll nur in Ausnahmefälle einem anderen Beruf zugeführt werden’.8
Deze wetgeving wordt als baanbrekende hervorming gezien en in de loop van de jaren zijn die maatregelen verder verduidelijkt en uitgebreid. Vanaf 1933 bestond maar weinig bijzondere aandacht voor sociale politiek in het algemeen en re-integratie in het bijzonder. Veel bleef bij het oude en werd voortgezet. Na de geallieerde overwinning in 1945 besloten de VS en Groot-Brittannië wijzigingen in het systeem van sociale zekerheid aan de Duitsers zelf over te laten. Pogingen om een nieuw systeem op te zetten aan de hand van het Beveridge-rapport leden schipbreuk.9
Na de Tweede Wereldoorlog stond Duitsland echter voor een nog veel grotere opgave dan na WO I. Er waren niet alleen anderhalf miljoen oorlogsslachtoffers, maar ook talloze burgerslachtoffers en slachtoffers van het nationaal-socialisme. Het SchwBeschG voldeed daarvoor niet, wat ertoe leidde dat in 1953 de wet werd aangepast. Het quotum werd drastisch verhoogd, naar 8 tot 10%. Zolang de plicht niet werd nagekomen, moest maandelijks een bedrag van DM 50,- worden betaald per niet vervulde arbeidsplaats (‘Ausgleichsabgabe’). De contractsdwang werd gehandhaafd,10 net als de preventieve ontslagtoets.11 Inzet in arbeid bleef het doel, met twee belangrijke toevoegingen: de Schwerbeschädigter moest worden ingezet op een manier waarbij hij zijn kennis en vaardigheden optimaal kon benutten én moest zo mogelijk zijn eigen beroep behouden.12 Tegelijkertijd werd de zorg voor ‘Wiederherstellung und Erhaltung der Arbeitskraft’ uitdrukkelijk opgedragen aan de Hauptfürsorgestelle.13