Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/6.6.4
6.6.4 Wanneer waardering op bedrijfswaarde
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS344302:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:387, vierde lid Burgerlijk Wetboek.
Jaarboek Externe Verslaggeving 1995/1996, R.G. Bosman/J.H. Buisman/E. Eeftink/S.L.J. Graafsma /J. Klaassen/ M.P. Timmers, Uitgeverij Samsom, 1996, blz. 60.
T.a.p., blz. 301.
Hof 's-Gravenhage 7 februari 1989, NJ 1990/485.
Zie tevens het hierna in paragraaf 6.9 te bespreken Nedlloyd-arrest (Hof Amsterdam 3 april 1980, nr. 383/76 OK, NJ 1981/35 met noot van J.M.M. Maeijer) waarbij het Gerechtshof te Amsterdam een afwaardering op lagere bedrijfswaarde van zeeschepen met meer dan 1 miljard gulden accepteerde, zonder dat discontinuïteit van de onderneming in het geding was.
Zie paragraaf 6.7 hierna.
Slechts indien de bedrijfsuitoefening terstond of binnen een overzienbare periode wordt gestaakt, is waardering van materiële vaste activa en voorraden tegen bedrijfswaarde geoorloofd. Opvallend bij deze opstelling is dat op basis van de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in een going-concernsituatie géén rol is weggelegd voor de waardering op bedrijfswaarde.
Er bestaan verschillende denkbeelden onder fiscale juristen, civiele juristen en bedrijfseconomen wanneer in civielrechtelijke zin waardering van een activum op bedrijfswaarde mogelijk is. Fundamenteel bij deze problematiek is de vraag wat we onder een duurzame waardedaling moeten verstaan1. Door de Raad voor de Jaarverslaggeving is deze zinsnede in het kader van prijsgrondslagen uitgelegd op een wijze dat waarderen naar lagere bedrijfswaarde slechts dan mogelijk is indien redelijkerwijs discontinuering van een activiteit moet worden aangenomen of duidelijk is dat beëindiging (op termijn) van de activiteiten zal intreden.
De auteurs van het Jaarboek Externe Verslaggeving 1995/ l9962 (hierna te noemen Jaarboek) vinden deze redenering te rigide en geven aan dat ook in een situatie waarbij de beslissing tot discontinuering niet aan de orde is, het duidelijk kan zijn dat de lange-termijnvooruitzichten van de desbetreffende activiteiten slecht zijn. Ergo: ook in een dergelijke situatie is er reden tot afwaardering van een activum op lagere bedrijfswaarde.
Dit strookt met de opvattingen van Hoogendoorn3 dat — nu bedrijfswaarde is gedefinieerd in termen van vermoedelijk te behalen opbrengsten — een lagere bedrijfswaarde altijd naar verwachting duurzaam is.
Illustratief is in dit verband een arrest van Hof 's-Gravenhage van 7 februari l9894 betreffende de vraag in hoeverre een besluit van de algemene vergadering van een cooperatieve bloemenveiling te Berkel en Rodenrijs in strijd is met de statuten. Daarbij komt ook het begrip bedrijfswaarde ter sprake, de veilingvereniging heeft namelijk een nieuw veilingcomplex gerealiseerd waarvan de kosten van de investering zijn opgelopen tot ruim f 80 000 000, dat wil zeggen ongeveer f 25 000 000 meer dan was begroot, zonder dat daarvoor een beter geoutilleerd veilingcomplex of een grotere veilcapaciteit is gerealiseerd. Het Hof overweegt: 'De kosten van deze investering ad f 80 000 000 zouden slechts terugverdiend kunnen worden als de door de leden te betalen veilingprovisie zou worden verhoogd tot 12%. Een dergelijke provisie was echter absoluut onaanvaardbaar. Maximaal aanvaardbaar was een provisie van 6,35%. Het bestuur van Veiling Berkel heeft hieruit de conclusie getrokken, dat de bedrijfswaarde (cursivering/GM) van het nieuwe veilingcomplex aanzienlijk beneden het totale investeringsbedrag lag. Op grond van wettelijke bepalingen moest dit complex daarom op de balans worden gewaardeerd op een dienovereenkomstig lager bedrag. Vandaar dat het bestuur, in overleg met de financierende bank, aan de algemene ledenvergadering heeft voorgesteld om f 25 000 000 op de duurzame bedrijfsmiddelen af te boeken. Dit voorstel is aangenomen in de algemene ledenvergadering van 24 juni 1982.' Van het daardoor ontstane verlies wordt f 15 000 000 over de leden omgeslagen als ledenschuld en als zodanig op de balans gepassiveerd.
In deze procedure vindt derhalve een afboeking van een activum op lagere bedriffswaarde plaats zonder dat discontinuïteit van de onderneming in het geding as5.
In andere zin evenwel IJsselmuiden6 die het begrip bedrijfswaarde uitsluitend wil reserveren voor situaties waarin het continuïteitsbeginsel is verlaten. Aan het slot van dit hoofdstuk zal op deze zogenaamde twee-wegenleer nader worden ingegaan.