Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/10.4.1.1
10.4.1.1 Het bepaaldheidsvereiste ter bescherming van concurrente schuldeisers?
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS413480:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Struycken 1997, p. 162.
Struycken 1997, p. 136.
Struycken 1997, p. 136.
Struycken 1997, p. 121-162.
Struycken 1997, p. 150-153; Struycken 1998, p. 426-429.
Struycken 1997, p. 137-8.
Later heeft hij zich neergelegd bij de juiste interpretatie van het vereiste door de Hoge Raad. Zie: Struycken 2010, p. 311-2.
Kortmann/Faber, ‘Een streng bepaaldheidsvereiste: geldend recht of ‘wishful thinking’?’, in: WPNR 6374(1999), p. 750-3; Verhagen & Rongen 2000, p. 92 e.v.; Verdaas 2001, p. 219. Deze rechtvaardiging geldt in mindere mate ten opzichte van schuldeisers die niet zelf in zee zijn gegaan met de schuldenaar, zoals een schuldeiser met een vordering uit onrechtmatige daad. Om die reden heeft onder anderen Vriesendorp de hogere rang van een dergelijke schuldeiser bepleit. Zie: Vriesendorp 1999, p. 29-30; Vriesendorp 2001, p.6; Vgl. Meeter, ‘Reactie op de forumbijdrage van Vriesendorp’, TvI 1999/6, p. 134-5.
Zie: §8.3.7.
Houwing 1940, p. 85.
Suijling 1936, p. 167.
Struycken schreef in 1997 dat het bepaaldheidsvereiste een instrument is ‘voor de bescherming van degene die over zijn vermogen beschikt tegen zichzelf, en van zijn schuldeisers tegen generieke goederenrechtelijke binding van hun schuldenaar ten gunste van één crediteur.’1 Generale zekerheid leidde volgens hem tot ‘een grootschalige aantasting van het vermogen dat beschikbaar is voor verhaal’.2 Hij ging uit van het idee dat de generale zekerheid van één schuldeiser leidde tot benadeling van concurrente schuldeisers.3 Struycken was sterk gekant tegen generale zekerheid en de door de Hoge Raad gebruikte interpretatie van het bepaaldheidsvereiste.4 Volgens hem vloeide uit het bepaaldheidsvereiste voort dat verpande goederen specifiek in de akte moesten worden aangeduid.5 Om zijn stelling te staven dat het bepaaldheidsvereiste een beschermingsfunctie heeft, haalde hij passages van onder anderen Houwing en Suijling aan die volgen hem ‘langs de lijnen van bescherming van zowel de beschikker als zijn schuldeisers te denken geven’.6
Hoewel Struycken een minderheidsopinie verdedigde en zich in 2000 heeft neergelegd bij de invulling van het bepaaldheidsvereiste door de Hoge Raad,7 wil ik kort stilstaan bij de opvatting die Struycken in 1997 en 1998 verdedigde. De meerderheid van de literatuur uitte destijds terecht kritiek8 op Struyckens opvatting, omdat het vereiste geen bescherming van derden tot doel heeft. Het maakt slechts de vaststelling van partijen (en uiteindelijk de rechter) mogelijk welke goederen overgedragen of bezwaard zijn.9 Het bepaaldheidsvereiste is nooit een middel geweest om generale zekerheid te verhinderen.
Verder deel ik weliswaar Struyckens mening dat Houwing en Suijling over de (on)wenselijkheid van generale zekerheid schreven, maar meen – anders dan Struycken – dat zij generale zekerheid niet wilden verhinderen met een bepaalde interpretatie van het bepaaldheidsvereiste. Houwing stelde voorop dat een cessie van alle toekomstige vorderingen voldoende bepaalbaar was, maar dat dit niet altijd genoeg was.10 Suijling schreef dat voorkomen moest worden dat de schuldenaar het slachtoffer werd van een te lage waardering van zijn toekomstige goederen. Hij was bang dat de schuldenaar zijn toekomstige vorderingen cedeerde, zonder daarvoor in de plaats gunstiger of meer krediet te krijgen.11 Ik stel echter nergens vast dat zij het bepaaldheidsvereiste als middel beschouwden om de schuldenaar tegen zichzelf of concurrente schuldeisers te beschermen.