Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/10.4.1.2
10.4.1.2 De rechtvaardiging van generale zekerheid ten opzichte van concurrente schuldeisers
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS419577:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
R.o. 4.9.3 HR 3 februari 2012, NJ 2012/216 (Dix q.q./ING) m.nt. F.M.J. Verstijlen.
Vriesendorp 2001, p. 9; Van Koppen 2001, p. 19; Van den Heuvel 2004, p. 132-5. Vgl. Hamwijk 2014, p. 103.
Nr. 10 in Verstijlens noot bij HR 3 februari 2012, NJ 2012/216 (Dix q.q./ING) m.nt. F.M.J. Verstijlen; Veder 2012, p. 460. Kaptein 2012a, p. 220. Spath en Bartels merken op dat het nagenoeg onmogelijk is om de verschillende veronderstellingen over de werking van zekerheidsrechten door te rekenen. Zie: Spath & Bartels 2013, p. 644.
Vgl. Van den Heuvel 2004, p. 97-135.
Nr. 3.45 van zijn conclusie bij HR 1 februari 2013, NJ 2013/156 (Van Leuveren q.q./ ING) m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2013/155 m.nt. B.A. Schuijling en N.E.D. Faber.
Nr. 3.44 van zijn conclusie bij HR 1 februari 2013, NJ 2013/156 (Van Leuveren q.q./ ING) m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2013/155 m.nt. B.A. Schuijling en N.E.D. Faber.
Nr. 3.46 van zijn conclusie bij HR 1 februari 2013, NJ 2013/156 (Van Leuveren q.q./ ING) m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2013/155 m.nt. B.A. Schuijling en N.E.D. Faber.
Uniken Venema 1956-I, p. 21; Beekhuis 1959, p. 69. Drion in zijn noot bij Bindend Advies 10 mei 1966, NJ 1968/275.
Zie voor een overzicht van de rechtseconomische literatuur: Van den Heuvel 2004, p. 115-135; Kaptein 2012a, p. 219-220; Mennens 2013, p. 218 e.v.
De Hoge Raad heeft in het arrest Dix q.q./ING onder meer overwogen dat concurrente schuldeisers – zij het indirect – gebaat kunnen zijn bij de vlotte financiering van schuldenaren door de banken, omdat de bank daardoor ruimer kredieten kan verstrekken of minder snel de stekker uit de schuldenaars activiteiten trekt.1 Verschillende auteurs delen deze opvatting.2 Andere auteurs wijzen echter op het ontbreken van een rechtseconomische onderbouwing en bepleiten aanvullend onderzoek.3
A-G Timmerman heeft in zijn conclusie voor het arrest Van Leuveren q.q./ING zelf gezocht naar een rechtvaardiging van de sterke positie van de bank.4 Hij wijst er eerst op dat banken al het voordeel boven andere schuldeisers hebben dat zij zicht hebben op de financiële gezondheid van de schuldenaar waardoor zij op het gunstigste moment de stekker uit het krediet kunnen trekken.5 Volgens de A-G rechtvaardigt het enkele feit dat de bank het startkapitaal aan de schuldenaar heeft verstrekt niet de sterke positie van de bank.6 Daarnaast vermoedt hij dat banken ondanks hun generale zekerheid geen ruimere kredieten verschaffen, dat wil zeggen eerder en tegen lagere kosten waardoor andere schuldeisers kunnen worden gebaat. Hij schrijft:
‘Ruimere kredietverlening zou zich immers kunnen vertalen in een groter risico op insolventie. Daar zijn werknemers noch leveranciers noch afnemers bij gebaat. Ook durf ik niet zonder meer aan te nemen dat het feit dat banken verhaal kunnen nemen op zoveel mogelijk activa van hun kredietnemers, zich erin uitbetaald (sic) dat banken met alle verhaalsmogelijkheden die zij hebben bereid zijn eerder en tegen lagere kosten krediet te verstrekken. Niet ondenkbaar is dat dat voordeel niet bij de kredietnemer terecht komt, maar zal neerstrijken in de winstmarge van de banken.’7
De roep om een rechtseconomische analyse van de werking van zekerheidsrechten is niet nieuw. Onder het OBW schreven Uniken Venema, Beekhuis en Drion dat de wetgever zijn keuze voor een bepaald zekerheidsrecht moest laten afhangen van een rechtseconomische analyse.8
Dit onderzoek is niet verricht bij de totstandkoming van het BW van 1992. Nog steeds bestaat er in de rechtseconomische literatuur geen eenstemmigheid over de wenselijkheid van zekerheidsrechten en de beantwoording van de vraag of het bestaan van zekerheidsrechten tot meer of minder krediet leidt.9