Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (SteR nr. 1) 2010/II.4.4.3.3
II.4.4.3.3 Kritiek
Joost Sillen, datum 01-07-2010
- Datum
01-07-2010
- Auteur
Joost Sillen
- JCDI
JCDI:ADS584895:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 4.4.3.1.
Paragraaf 4.4.3.2.
Zo lees ik Schlössels 2007, p. 329.
Vgl. de tekst bij nt. 492-493 (paragraaf 4.4.1.2).
Schutgens 2006, p. 103.
Anders: A-G Bakels die er kennelijk van uitgaat, dat voor de toetsing van sommige voorschriften een ‘primaat van de bestuursrechter’ geldt. Zo schreef hij in zijn conclusie bij HR 21 maart 2003, NJ 2003, 388; JB 2003, 97 (Rva 1997), ov. 3.6, dat de civiele rechter een toetsingsuitspraak van de Afdeling moet overnemen, omdat ‘het hier gaat om een vraag van zuiver staatsrechtelijke en bestuursrechtelijke aard’.
Hij noemt HR 3 september 2004, AB 2005, 74, m.nt. GAvdV; NJ 2006, 28, m.nt. H.J. Snijders (Vereniging Asieladvocaten) als voorbeeld van zo’n casus.
De volgplichtjurisprudentie van de Hoge Raad heeft tot gevolg, dat toetsingsuitspraken soms rechten verlenen aan een ieder. De strafrechter neemt ontlastende onverbindendverklaringen van de hoogste bestuursrechter over, ook al was verdachte geen partij bij de bestuursrechterlijke uitspraak.1 De civiele rechter neemt elke door de hoogste bestuursrechter uitgesproken onverbindendverklaring over, zodra de burger zich op die uitspraak beroept.2
In de literatuur is verdeeld gereageerd op deze volgplichtjurisprudentie.
De ‘Maastrichtse School’ lijkt haar kritisch te ontvangen.3 De jurisprudentie faciliteert, dat een onverbindendverklaring erga omnes kan werken en dat rechtsgevolg staat op gespannen voet met de trias, zo menen zij.4
Volgens Schutgens daarentegen gaan de volgplichtarresten niet ver genoeg.5 Hij meent, dat de instrumentele doelen die de Hoge Raad met deze jurisprudentie nastreeft – rechtszekerheid en rechtseenheid – er mee gediend zijn, dat ook de bestuursrechter zich voegt naar de toetsingsuitspraken van de civiele rechter en de strafrechter.6 Daarvan is thans geen sprake. Zo’n ‘volgplicht’ voor de bestuursrechter past ook binnen de mogelijkheid die voor belangenorganisaties bestaat om te procederen over de rechtmatigheid van wettelijke voorschriften, ook als het bestuur op grond van dat voorschrift appellabele besluiten kan nemen. Het is ongewenst, zo meent hij, dat een belangenorganisatie door de burgerlijke rechter voor recht kan laten verklaren, dat zo’n voorschrift onrechtmatig is, maar de bestuursrechter bij de beoordeling van de rechtmatigheid van daarop gebaseerde besluiten daaraan niet gebonden is.7