Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.2.3.5.1
2.2.3.5.1 Artikel 8 EVRM
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859080:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 13 juni 1979, ECLI:CE:ECHR:1979:0613JUD000683374 (Marckx/België), r.o. 52.
Zie bijvoorbeeld EHRM 13 juli 2004, ECLI:CE:ECHR:2004:0713JUD006949801 (Pla et Puncernau/Andorra), r.o. 26 en EHRM 22 december 2004, ECLI:CE:ECHR:2004:1222JUD006886401 (Merger et Cros/Frankrijk), r.o. 46-47. Zie ook Willems, Revue trimestrielle de droit familiale 2012, afl. 1, p. 118-120.
Vgl. ook Perrick in zijn noot onder ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010/206 (alinea 6).
Vgl. De Vries & Leire TE 2022/03, p. 67.
Zie uitgebreider over de ratio par. 1.3.
Zie uitgebreider over onwaardigheid en de redelijkheid en billijkheid par. 2.7 en De Vries, TE 2021/06, p. 113-118.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 8 maart 2021, ECLI:NL:OGEAC:2021:40.
Zie hierover nader de volgende alinea.
Breemhaar, in: Rechtspraak erfrecht 2019, p. 113.
Vgl. ook Perrick in zijn noot bij EHRM 1 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010/206. Zie ook De Vries, TE 2021/06, p. 117-118.
Zie ook r.o. 128.
Dan komen we terug bij het Romeinse recht waarin een bewijs van schuld eveneens voldoende is, zie par. 1.6.1.1. Zie over de Belgische regeling nader hoofdstuk 5 en in het bijzonder par. 5.7.2.
Perrick in zijn noot bij ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010/206, alinea 5.
Recent nog bevestigd in Rb. Gelderland 26 januari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:498, r.o. 5.1-5.8. Het Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4522 komt in deze zaak wel tot onwaardigheid. Zie hierover nader par. 2.2.3.6.
In par. 2.3.4 wordt betoogd deze eis van strafbaarheid niet te laten vervallen als het delict niet de dood van de erflater tot gevolg heeft. Dan blijft de hier gesignaleerde problematiek gelden.
Reeds in 1979 heeft het EHRM beslist dat niet enkel sociale, morele en culturele relaties onder de bescherming van family life van artikel 8 EVRM vallen, maar ook materiële belangen zoals op het terrein van het erfrecht en giften.1 Dit is later meermaals door het Hof herhaald.2 Het is dan ook niet verwonderlijk dat het al dan niet hebben van de hoedanigheid van erfgenaam (ten gevolge van al dan niet onwaardigheid) een kwestie is die onder artikel 8 EVRM kan worden onderzocht (r.o. 126).
Over de concrete impact van de bescherming van family life op onwaardigheid is het arrest van de Roemeense erflater het enige in zijn soort. Hierdoor past enige terughoudendheid bij het trekken van algemene conclusies op basis van deze uitspraak. Het volstaat te concluderen dat het Hof duidelijk stelt dat indien een lidstaat ervoor kiest een onwaardigheidsbepaling op te nemen in zijn nationaal recht, de toepassing dient te geschieden op een wijze die overeenstemt met haar doelstelling. Het vereisen van een concrete veroordeling voor onwaardigheid, zoals in artikel 4:3 BW het geval is, dient de doelstelling van rechtszekerheid. Wanneer op andere wijze rechtszekerheid wordt verkregen (bijvoorbeeld doordat de schuld – hoewel er geen veroordeling is – volledig vaststaat), dan mag de onwaardigheidsbepaling niet te rigide worden toegepast.
Verder is het goed in het oog te houden dat het arrest van de Roemeense erflater handelt over zeer zwaarwegende feiten, te weten: moord, gevolgd door zelfmoord. Zoals vaker in gevoelige zaken wijst het Hof op de zeer specifieke omstandigheden van het geval waarmee de draagwijdte van het arrest beperkt is en het Hof zichzelf voor de toekomst niet al te veel bindt. De precedentswaarde wordt zo deels ondergraven. Zo is bijvoorbeeld niet duidelijk of het Hof tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen indien Aurel zijn vrouw en schoonmoeder niet had vermoord, maar enkel had mishandeld of bestolen (zie art. 4:3 lid 1 sub b BW) en/of daarna geen zelfmoord zou hebben gepleegd maar zou zijn overleden door een auto-ongeval.3
Ook in die minder zwaarwichtige gevallen dient de onwaardigheidsbepaling volgens mij conform haar doelstelling te worden uitgelegd.4 Kort gezegd gaat het bij onwaardigheid om gedragingen die door de wetgever dermate ernstig worden geacht dat zij uitsluiting van de nalatenschap tot gevolg hebben.5 Het delict, de misdraging, vormt de aanleiding voor onwaardigheid en niet de wijze van afdoening. Bezien vanuit het perspectief van de erflater is het ook irrelevant hoe de misdraging wordt afgedaan. De eis van een veroordeling dient de rechtszekerheid. Met een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling staat juridisch gezien vast dat de dader de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd (alsmede dat de dader strafbaar is). Als vaststaat dat een erfrechtelijke verkrijger feiten heeft gepleegd die in het nationale recht tot onwaardigheid zouden leiden, maar deze onwaardigheid enkel en alleen zou worden ontlopen doordat een overlijden (om welke reden dan ook) een concrete veroordeling verhindert, ook dan lijkt de onwaardigheidsbepaling niet aan haar eigen doelstelling te voldoen en is er een disbalans tussen het belang van rechtszekerheid en de belangen van de (toekomstige) erfgenamen van het slachtoffer.
Indien niet is voldaan aan alle vereisten van artikel 4:3 BW kan de gedraging nog langs de lat van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid worden gelegd. Deze toetsing kan ertoe leiden dat – ondanks dat naar de letter van de wet geen sprake is van onwaardigheid – geen voordeel kan worden verkregen uit de nalatenschap. Dat betekent dat de eisen van redelijkheid en billijkheid een correctie kunnen vormen op een te rigide toepassing van de onwaardigheidsbepaling, waarmee kan worden voldaan aan de eisen van het Straatsburgse Hof.6 Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao verkiest, ondanks een verwijzing naar de Roemeense erflater, de optie van de redelijkheid en billijkheid in een zaak uit 2021. Volgens het Gerecht moet worden aangenomen dat de man zijn vrouw om het leven heeft gebracht. Hij is daarvoor niet veroordeeld, omdat hij onvindbaar is. Het Gerecht acht het onaanvaardbaar om de man als erfgenaam toe te laten.7 Deze route verdient niet de voorkeur. Artikel 4:3 BW is van openbare orde, zodat de rechter deze bepaling ambtshalve moet toepassen.8 Als voldoende vaststaat dat een erfrechtelijke verkrijger de erflater opzettelijk heeft omgebracht (en geen sprake is van een strafuitsluitingsgrond),9 dan moet de rechter met een beroep op de Roemeense erflater en een verdragsconforme uitleg van artikel 4:3 lid 1 sub a BW10 tot onwaardigheid komen.11 Verder geldt dat de eis van een veroordeling, als gezegd, de rechtszekerheid dient,12 terwijl de rechtszekerheid aan betekenis inboet bij de toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Het is goed dat een mogelijkheid bestaat om recht te doen aan de betrokken belangen en omstandigheden van het geval, maar een wijziging van artikel 4:3 BW zou de voorkeur genieten omdat in dat geval minder snel gegrepen hoeft te worden naar de redelijkheid en billijkheid, de rechtszekerheid toeneemt en voldaan wordt aan de eisen van het EHRM. Nederland kan zich op dit punt laten inspireren door de Belgische regeling van de schuldigbevinding door de civiele rechter na het overlijden van de dader. Door een dergelijke grond toe te voegen neemt de rechtszekerheid toe zonder achteruitgang te boeken op het vlak van rechtvaardigheid en coherentie.13
Indien gekozen wordt voor een regeling die vergelijkbaar is met de Belgische, wijst Perrick op extra complicaties als twijfel kan bestaan over de vraag of de betrokkene wel strafbaar is.14 Met andere woorden of sprake is van een strafuitsluitingsgrond. In dat geval is op grond van de wet geen sprake van onwaardigheid.15 Voor de civiele rechter kan het moeilijk zijn zich post mortem een oordeel te vormen over de strafwaardigheid van de dader. Als relativering geldt hier overigens wel het volgende. Een strafuitsluitingsgrond bestrijdt het element ‘wederrechtelijk’ of ‘schuld’ (tenzij wederrechtelijk of schuld als bestanddeel in de delictsomschrijving is opgenomen, in welk geval sprake is van een bewijsverweer). Door de strafrechter wordt voorondersteld dat aan deze elementen wordt voldaan. Deze elementen hoeven niet bewezen te worden. Deze vooronderstelling valt weg als door de dader een beroep wordt gedaan op een strafuitsluitingsgrond. Voor de civiele rechter hoeft dit niet anders te zijn. Hij kan ervan uitgaan dat aan deze elementen wordt voldaan, tenzij een van de erfgenamen van de dader betoogt dat dit anders ligt. Verder geldt dat de vaststelling van schuld door de civiele rechter enkel openstaat indien een strafrechtelijke uitspraak onmogelijk is geworden door het overlijden van de dader. In paragraaf 2.2.3.6 wordt de suggestie gedaan artikel 4:3 BW aan te passen in die zin dat ook een niet-strafbare dader onwaardig is indien bewezen is dat hij opzettelijk de erflater heeft omgebracht. De extra complicaties waar Perrick over spreekt, vallen dan weg.16
Het zij nog opgemerkt dat het EHRM in het arrest van de Roemeense erflater zijdelings zelf een beoordeling door de civiele rechter goedkeurt, door de nieuwe bepaling van het Roemeense BW in overeenstemming te achten met zijn redenering (r.o. 134).