Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.7.2
3.7.2 Gebrek in AB, BC is geldig
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS496263:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
A kan verder ook B willen overhalen tot het verrichten van een tegenprestatie of alvast een aanbetaling doen, waarbij het gebrek dan is dat de toekomstverwachting van A niet uitkomt. A kan in dat geval dan zijn prestatie terugvorderen met de condictio ob rem.
Koppensteiner & Kramer 1975, p. 40; Esser/Weyers 2000, p. 48; ook Lorenz (2007, §812, nr. 49) lijkt dit te impliceren.
BGHZ 40, 272; Wilburg 1933, p. 113-114; Koppensteiner & Kramer 1975, p. 40; Reuter & Martinek 1983, p. 112, 387-391; Zimmermann & Du Plessis 1994, p. 33-34; Esser/Weyers 2000, p. 48.
Koppensteiner & Kramer 1975, p. 41.
Canaris 1973, p. 114; Kupisch 1978, p. 20-23; Flume 2003, p. 166-168; Lieb 2004, §818, nr. 42-45.
Wat is rechtens als A aan C presteert op aanwijzing van B, terwijl de verbintenis AB gebrekkig is en BC geldig is? De auteurs zijn het er over eens dat A van B moet terugvorderen omdat de rechtsverhouding AB gebrekkig is en tussen deze partijen moet worden afgewikkeld. De auteurs zijn het er ook over eens dat B aan C is nagekomen en dat C daarom buiten de afwikkeling van AB moet worden gehouden.
Volgens de heersende leer volgt de oplossing uit het betalingsbegrip. Ook al is er een rechtstreekse prestatie, een Zuwendung, van A aan C, A wil aan B nakomen,1 terwijl B aan C wil nakomen door A als hulppersoon (Leistungsmittler) te gebruiken. Hierdoor vinden twee Leistungen plaats. (1) A verricht een Leistung aan B, en (2) B verricht een Leistung aan C.
Ten aanzien van de Leistung AB geldt volgens de heersende leer het volgende. A heeft door zijn prestatie B verrijkt. De meeste auteurs zien als verrijking van B het tenietgaan van diens schuld aan C.2 De bedoeling van A – het doen tenietgaan van zijn eigen schuld aan B – wordt niet wordt gerealiseerd, omdat A geen schuld heeft aan B. Daarom ontbreekt een rechtsgrond voor de verrijking van B, zodat A van B kan terugvorderen.3 Wanneer B zich tegen C op verweermiddelen had kunnen beroepen, kan B deze niet inroepen tegen A. De auteurs leiden dat af uit de hierboven besproken principes en risicotoedelingen, die meebrengen dat A niet met verweermiddelen van B tegen C moet worden geconfronteerd.4
Wat betreft de Leistung BC geldt volgens de heersende leer dat B de bedoeling had om aan C na te komen door middel van A, welke bedoeling is verwezenlijkt. B heeft daarom geen vordering uit ongerechtvaardigde verrijking tegen C.
Een minderheid in de literatuur verdedigt dat op grond van principes van risicotoedeling een vordering van A aan B mag worden aangenomen. Deze auteurs redeneren als volgt. De verrijking van B wordt niet gevormd door het tenietgaan van de schuld van B aan C, maar door de ontvangst van prestatie die A heeft verricht. De ontvangst van deze prestatie is feitelijk door C verricht, maar zij wordt toegerekend aan B. Deze toerekening wordt gerechtvaardigd door het feit dat B aan A een opdracht heeft gegeven, die door A is geaccepteerd.5 A heeft daarom geen Leistung in de zin van §812 verricht aan C, maar aan B. De nietigheid of vernietiging van de rechtsverhouding AB leidt ertoe dat een rechtsgrond ontbreekt voor de verrijking van B. Aangezien B zelf opdracht heeft gegeven tot de prestatie, kan hij kan zich niet tegenover A beroepen op verweermiddelen die hij had kunnen inroepen tegen C.