Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.7.5
3.7.5 Gebrek aanwijzing
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS501122:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Opmerkelijk genoeg heeft het BGH in 1990 (BGHZ 111, 380, 384) opgemerkt dat het tot dan toe geen beslissing had gegeven over gevallen waarin een opdracht ontbrak. Deze opmerking is enigszins vreemd, omdat bijvoorbeeld eerder al (in BGHZ 66, 372) een geval was beslist waarin bank A een andere rekeninghouder (C) crediteerde dan B had opgegeven. Voor deze begunstiging van C ten laste van A bestond toch bepaald geen opdracht. Zie voor een kritische bespreking van BGHZ 111, 380, met andere voorbeelden die deze uitspraak weerleggen: Flume 2003, p. 168-169.
BGHZ 72, 9.
BGH NJW 1987, 185.
BGHZ 66, 372.
BGH WM 1990, 1280.
BGHZ 66, 362.
BGHZ 87, 246; BGHZ 87, 393.
In de vorige subparagrafen kwamen gevallen aan de orde waarin A een prestatie heeft verricht op grond van een geldige aanwijzing van B. Het kan echter ook voorkomen dat de aanwijzing niet geldig is, terwijl de rechtsverhouding AB op grond waarvan A verplicht is jegens B om geldige aanwijzing op te volgen wel intact is. In deze gevallen wordt een andere uitkomst bereikt dan in gevallen waarin B wel een geldige aanwijzing heeft gegeven.
Voorbeelden van gevallen waarin de aanwijzing ontbreekt, zijn in ruime mate te vinden in de jurisprudentie.1 Het gaat onder meer om de volgende gevallen: bank A voert een opdracht van B om C te crediteren twee keer uit;2 bank A crediteert C ten laste van rekeninghouder B voor een groter bedrag dan waartoe B opdracht heeft gegeven;3 A crediteert een verkeerde begunstigde;4 A voert een vervalste opdracht uit;5 bank A betaalt een niet door B ondertekende cheque uit aan C;6 A betaalt aan C op grond van een opdracht die geldig is gegeven, maar daarna is herroepen.7
Twee groepen gevallen kunnen worden onderscheiden. In de eerste groep gevallen ontbreekt een geldige aanwijzing terwijl ook de rechtsverhouding BC gebrekkig is. In de tweede groep gevallen ontbreekt de aanwijzing, maar is de rechtsverhouding BC wel geldig. Hieronder bespreek ik beide groepen.