Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/8.1
8.1 Akten van hulp- en hoofdonderwijzer vanaf de LO-wet van 1801
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977435:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Holtkamp 1988, p. 65.
N.L. Dodde, Het Rijksschooltoezicht in de Bataafse Republiek, Groningen: WoltersN 1968, p. 164-167.
H. Hemkes, Handboek voor schoolopzieners c.a., Groningen: Oomkens 1844, dl I, p. 21.
Holtkamp 1988, p. 65.
Holtkamp 1988, p. 68 (Sinds 1836 kende Rolduc een R.K. Normaalschool).
C. Hentzen OFM 1920, p. 18 e.v. Nutskweekscholen te Haarlem en Groningen. Rijkskweekschool te Haarlem (1815-1860); Douma 1922, p. 192, Boekholt & De Booy 1987, p. 110-111.
Wet van 21 februari 1857, Stb. 1857, nr. 113 en KB van 5 februari 1860, Stb. 1860, nr. 42; Van Essen, p. 86-88. De drie kwamen te Haarlem, Groningen en Den Bosch. De Chr. Normaalschool voor onderwijzeressen is in 1864 te Zetten opgericht.
M. Quint, Beknopt overzicht van de bepalingen der Lager-Onderwijswet, Zwolle: Tijl 1937, p. 21; Douma 1922, p. 214-215. 't Nut richtte meisjeskweekscholen op te Arnhem en Groningen. In Amsterdam is in 1876 een gemeentelijke kweekschool opgericht.
Wet van 9 oktober 1920, Stb. 1920, nr. 778 (artikel 144); Van Essen, p. 172-174.
Wet van 23 juni 1952, Stb. 1952, nr. 355; Van Essen, p. 274-279 en Hermans 1939, p. 144 (subamendement-Thijssen-Van Sleen: staatsinrichting of Grieksche en Romeinsche mythologie als deel van de profane geschiedenis invoeren).
KB van 3 april 1858, Stb. 1858, nr. 216.
KB van 21 mei 1898, Stb. 1898, nr. 97.
KB van 5 februari 1860, Stb.1860, nr. 42; vgl. Van Essen 2006, p. 38-41.
Vgl. Inspectie van het Lager Onderwijs in de derde Hoofdinspectie, Leidraad Lagere Scholen, klassen 1-6, Groningen: Wolters 1949, p. 84, 93 (21: Politieke partijen, 22: Grondwet 1848 en Staatsregeling), 94 (In de zesde klas staat bij 21 Staatsregeling) en H. Hemkes, Handboek voor schoolopzieners c.a., Groningen: Oomkens 1844, I, p. 21.
Wet van 8 december 1889, Stb. 1889, nr. 175.
KB van 17 december 1890, Stb.1890, nr. 180.
Wet van 5 juni 1905, Stb.1905, nr. 152.
Ingesteld in de LO-wet 1857, waarin het mulo is geregeld; Douma 1922, p. 191, 217, 267.
Artikel 129bis, eerste lid onder b LO-wet 1920.
Douma 1922, p. 241.
Curs.W. H. de Boer, Ons Volk, Leesboek over de geschiedenis des vaderlands: ten dienste der lagere school, 1, Rotterdam: Dunk 1873.
R.R. Rijkens, Beknopte Opvoedkunde, vooral met het oog op de lagere school, Groningen: Wolters 1896.
Critas, Nieuwere richting in het lager onderwijs en hare toepassing in de practijk, Tiel: Mijs 1891.
Curs.W. Douma en Veenman 1895.
Curs.W. Van Pelt en Van der Ent, Nu en Vroeger. Leesboek over de vaderlandsche geschiedenis, dl 1, Amsterdam: Versluys 1896.
Curs.W. D. Kanon en A. Mout, Handleiding bij het onderwijs in de vaderlandsche geschiedenis op de lagere school, 's-Gravenhage: Veenstra 1896.
C. te Lintum, De beginselen der Geschiedenis, Zutphen: Thieme 1897.
J.W. de Jongh en A.G. van Poelje, Uit vroeger eeuwen, Groningen: Wolters 1907, Geschiedenisatlasje 1915 en Vragenboekje 1920.
Admissie-examens voor (hulp)donderwijzer
Onderwijzers en onderwijzeressen legden vanaf 1801 admissie-examen af in lezen, schrijven, ontleding en rekenkunde bij departementale schoolbesturen, waarin het schooltoezicht zitting had.1 De school moest leerlingen inprenten: ‘de kennis en het gevoel van dat alles wat zij aan het Opperwezen, de Maatschappij, hunne ouderen, zich zelven en hunne medemenschen verschuldigd zijn’.2 Een nationale boekenlijst is voorgeschreven. Door de aanscherping van de bekwaamheidseisen in de LO-wet 1803 zijn voor de (hulp)onderwijzer lezen, schrijven, rekenkunde en taal verplicht. Voor de hoofdonderwijzer ook wis- en natuurkunde, geschiedenis of aardrijkskunde.3 Vanaf 1806 deden de onderwijzers examen in één der vier rangen op basis van de vakken in de LO-wet van 1803 en in aardrijkskunde, geschiedenis en Nederduitsche taal.4
Ankerpunten opleiding (hoofd)onderwijzer
In 1815 bestaan een Rijkskweekschool te Haarlem, een bijzondere Normaalschool5 en Nutskweekscholen te Haarlem en Groningen.6 De opleiding kent als ankerpunten in 1857: de vierjarige hulpakte en tweejarige hoofdakte, en rijksnormaallessen7, in 1878: kweekscholen en rijksnormaallessen8, in 1920: einde normaallessen, en start kweekschool met driejarige theorie en twee jarige praktijk9, in 1952: De Nieuwe kweekschool met een vierjarige onderwijzersopleiding en een jaar volledig bevoegd onderwijzer10, in 1968: de vierjarige pedagogische academie en ten slotte in 1984: de vierjarige Pabo.
Eisen voor geschiedenis 1803, 1806, 1857/1858
De LO-wet van 1857 bepaalt het onderwijzersexamen op de vakken van de LO-wet van 1806, waaronder geschiedenis, meetkundige vormleer en kennis der natuur (Bijlage II). De eis voor geschiedenis in 1857 is: ‘bekendheid met de hoofdpunten der geschiedenis in ’t algemeen en met die des vaderlands in 't bijzonder, vooral gedurende de laatste eeuwen’ (A onder 8 PvdE 1858) en voor de hoofdacte: ‘de hoofdpunten der algemeene en vooral der vaderlandsche geschiedenis’ (C onder 8 PvdE 1858).11
Hoofdtrekken der inrichting van het staatsbestuur 1865 (hoofdonderwijzer)
De vakken zijn vermeld in artikel 2 LO-wet van 1878, 1889 en 29 Regl. Rkw.12 Voor de hoofdonderwijzer13 - niet voor de hoofdonderwijzeres - is in 1865 vereist voor geschiedenis: ‘de hoofdpunten der algemeene en vaderlandsche geschiedenis, en: ‘bekendheid met de hoofdtrekken der inrichting van het Staatsbestuur […] sedert de tweede helft der 16e eeuw’ (C onder 8 PvdE 1865) (Bijlage III).14 De vaderlandsche geschiedenis is voor de onderwijzer(es) vastgelegd (artikel 60 LO 1878, 1889).15 In 1878 krijgt de hoofdonderwijzer de bevoegdheid voor algemene geschiedenis en vervalt het examen wiskunde, in ruil voor pedagogiek (artikel 61 LO van 1878, 1889). De eis geschiedenis voor de hoofdonderwijzer(es) is in 1890: ‘kennis van de geschiedenis van ons vaderland en zijne bezittingen en van staatsinrichting als in 1865 (art. 5).16 De LO-wet van 1905 bevat de LO- (art. 2) en kweekschoolvakken (art. 81).17
Hoofdakte voor geschiedenis, waaronder staatsinrichting (mulo-onderwijzer)
Voor de mulo-onderwijzer bestaan sinds de LO-wet van 1857 de lagere (mulo) akten Frans, Duits, Engels, wiskunde, land- of tuinbouwkunde, gymnastiek, tekenen en nuttige handwerken voor meisjes. 18De akte LO-Handelskennis volgt in 1916.19 De hoofdakte gaf tot 1968 op mulo bevoegdheid voor Nederlands, rekenen, aardrijkskunde en geschiedenis, waaronder staatsinrichting sinds 1916. Met de komst van de Wvo (1968) is de bevoegdheid beperkt tot Nederlands en rekenen op lbo-mavo. Voor geschiedenis en staatsinrichting bestonden applicatiecursussen.
Didactiek geschiedenisonderwijs/gemeentekennis: basis van staatsinrichting
Na 1857 verschijnt van Van Sandwijk het Beknopt Leer- en Leesboek voor de jeugd over wetenschappelijke onderwerpen als wereldkunde, aard-, mensch- en zielkunde, en een pligtenleer. Eind negentiende eeuw beviel betrokkenen het onderwijs op de lagere school in de vaderlandsche geschiedenis slecht door de verkeerde lesmethoden en de te moeilijke leerstof.20 Onderwijzers waren - gezien de globale eisen voor hun examens - weinig voorbereid.
Didactische voorstellen voor verbetering geschiedenisonderwijs
Diverse auteurs werkten aan verbeteringen van het geschiedenisonderwijs. Een aantal ervan loop ik na, waarbij de aandacht voor kennis van de gemeente opvalt. De Boer koos in 1873 voor een leesboek Ons volk, met ‘woningen, huisgezin, familie, geslachten, dorpsgenooten en het bestuur van gemeente en land’.21 Rijkens (1878) ziet de geschiedenis eerst regressief en dan van voet af aan progressief behandeld.22 Critas (1891) voert staatkundige geschiedenis af op de lagere school en stelt voor de geschiedenis van het ontstaan van zinnelijk waarneembare dingen (wegen, spijs en drank enz.) en de ontwikkelingsgeschiedenis van de gemeente te behandelen.23 Douma en Veenman (1895) maken een Handleiding met leesboekjes over onder meer het bestuur van de gemeente, de brandweer en de politie.24 In 1896 verschijnt van Van Pelt en Van den Ent Nu en Vroeger met veel aanschouwelijk onderwijs over de mens en de gemeente, met aandacht voor het bestuur van gemeente en land.25 Ook Kanon en Mout (1896) spraken over het gezin, de gemeente, land en volk en de inrichting van de staat (huis-, school- en gemeentewetten).26 Te Lintum (1899) pleit voor beschavingsgeschiedenis en niet voor oorlogshistorie en accentueert de kennis van handel, nijverheid, landbouw, kerk en regering.27 De Jongh en Van Poelje voorzien in ‘Een Nieuw jaartallenboekje’.28
Allereerste beginselen der staatsinrichting 1916/eenvoudigste kennis 1920
Met deze voorstellen komt staatsinrichting als gemeentekennis in de school. Het vak geschiedenis bevat vanaf 1916: ‘allereerste beginselen der gemeente-, provinciale en staatsinrichting’ (artikel 2 onder e LO) en ‘eenvoudigste kennis der gemeente-, provinciale- en staatsinrichting’ (artikel 2 lid 1 LO 1920).
Staatsinrichting en de rol van de burger 1985
De eis is in 1985 in het kennisgebied maatschappelijke verhoudingen, waaronder staatsinrichting: ‘enkele hoofdzaken van staatsinrichting en de rol van de burger’ (artikel 9 lid 2d Wbo) (Bijlage III).29