Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/5.2.2
5.2.2 Grammaticaal-wetshistorische analyse: ‘ernstig verwijt’ heeft van oorsprong dezelfde betekenis als ‘grove schuld’ (‘opzet of bewuste roekeloosheid’)
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS348495:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 2 juli 1928, Stb. 216, in werking getreden op 1 april 1929, Stb. 364 kenbaar uit Huizink 2016, GS Rechtspersonen, art. 2:248 BW, aant. 1.1.
In de wet tot vaststelling van Boek 2 van 12 mei 1960, Stb. 205 en Wet van 8 april 1976, Stb. 228 waarmee het toen nog gelijkluidende art. 2:138/248 BW werd ingevoerd, is de bepaling stilistisch verbeterd (‘de curator’ werd tussen ‘kan’ en ‘ingeval’ geplaatst) en aangepast aan de geldende spelling. Zie: Huizink 2016, GS Rechtspersonen, art. 2:248 BW, aant. 1.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6 (MvA), p. 3-4.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6 (MvA), p. 21.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6 (MvA), p. 20.
HR 4 februari 1983, NJ 1983, 543 m.nt. P.A. Stein (Debrot).
HR 27 juni 1975, NJ 1976, 81 m.nt. G.J. Scholten (Schenkelaars Muziekinstrumentenfabriek), later herhaald in HR 9 januari 1987, NJ 1987, 948 m.nt. P.A. Stein, HR 6 maart 1987, NJ 1987, 533, HR 22 maart 1991, NJ 1991, 420 en HR 27 maart 1992, NJ 1992, 496 m.nt. P.A. Stein (Buigcentrale Nederveen).
Kamerstukken II 1987/88, 17 896, nr. 8 (MvA), p. 27.
De vaststelling van Boek 6 BW heeft decennia geduurd waardoor art. 6:170 BW pas vanaf 1992 geldend recht is. Na een eerste Ontwerp van Wet uit 1963/1964 (Kamerstukken II 1963/64, 7729, nr. 2, p. 22) waarin een voorstel voor het huidige art. 6:170 BW was opgenomen, was de tekst van het bij Gewijzigd Ontwerp van Wet uit 1974/1975 gedane voorstel voor art. 6.3.2.2 BW (Kamerstukken II 1975/76, 7729, nr. 8, p. 28) evenwel reeds vrijwel gelijkluidend als het huidige art. 6:170 BW. Op 1 januari 1992 is het huidige art. 6:170 BW ingetreden (Wet van 22 november 1991, Stb. 600).
Kamerstukken II 1987/88, 17 896, nr. 8 (MvA), p. 27.
Kamerstukken II 1987/88, 17 896, nr. 8 (MvA), p. 28.
Kamerstukken II 1987/88, 17 896, nr. 8 (MvA), p. 27-28.
HR 3 april 1987, NJ 1987, 606.
Kamerstukken II 1987/88, 17 896, nr. 8 (MvA), p. 27-28.
Wet van 28 december 1989, Stb. 616.
Wet van 6 juni 1996, Stb. 406 (geldend vanaf 1 april 1997). Het huidige art. 7:661 BW, dat is ingevoerd bij Wet van 6 juni 1996, Stb. 406 en geldend is vanaf 1 april 1997, luidt hetzelfde met dien verstande dat de term ‘arbeider’ is vervangen door de term ‘werknemer’.
Art. 7:658 lid 2 BW nu: “De werkgever is jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.” Op grond van lid 3 mag voorts niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken van hetgeen Titel 3 van Boek 6 BW bepaalt over de aansprakelijkheid van de werkgever.
Van Zeben, Pon & Olthoff 1981, PG Boek 6 BW, p. 728 en Kamerstukken II 1975/76, 7729, nr. 6 (MvA), p. 169.
Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-II 1990/180; Van Hees 1994, p. 2-3; Van Andel 1992, p. 30.
Wezeman 1998, p. 67.
J.B. Wezeman, ‘Ernstig verwijtbaar handelende bestuurders van NV’s en BV’s’, in: K.F. Haak en F.L. Koot (red.), Bewuste roekeloosheid in het privaatrecht, SI-EUR-reeks, deel 36, Kluwer: Erasmus Universiteit Rotterdam 2004, p. 83-98, p. 90.
Zie in dit verband ook mijn verwijzing in par. 2.2 naar Fleuren 2015, p. 575: “De grammatica van een begrip is niet alleen vaak implicieten niet eenduidig, maar ook aan ontwikkeling onderhevig. Zoals spelregels ontwikkeld en veranderd kunnen worden, kan ook de grammatica en daarmee de betekenis, dus het wezen, van een begrip veranderen. Zo was een ‘vrijgezel’ ooit een ongehuwde man, maar een vrouw zal tegenwoordig toch haar wenkbrauwen fronsen als zij op een feestje de man met wie zij samenwoont een eindje verderop tegen een jongedame hoort zeggen dat hij nog vrijgezel is. (…) Er zijn begrippen waarvan de gebruikswijzen zich zó hebben ontwikkeld dat het niet (meer) mogelijk is één enkele omschrijving te geven die recht doet aan al deze gebruikswijzen.”
Dat blijkt ook uit het feit dat de ernstigverwijtmaatstaf steeds in onderlinge samenhang moet worden gelezen met de door de Hoge Raad in 1997 in het arrest Staleman/Van de Ven genoemde relevante omstandigheden, zie par. 4.4.
Wezeman 2004, p. 90.
P.H.M. Gerver e.a., Pitlo. Het systeem van het Nederlandse privaatrecht, Gouda Quint: Arnhem 1995, p. 13 e.v. en p. 63 e.v.
Kamerstukken II 2010/11, 32 576, nr. 3 (MvT), p. 1 bij Wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cassatie rechtspraak (versterking cassatierechtspraak).
Bakels 2015, p. 938.
Loth 2001, p. 155.
Van der Ven 1973.
Eykman 1986, p. 87 e.v.
Van Schilfgaarde 1986, p. 17 en Van Schilfgaarde 1987, p. 273-274.
Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-II 1990/180; Van Hees 1994, p. 2-3; Van Andel 1992, p. 30.
Asser/Maeijer 2-III 2000/321.
Wezeman 1998, p. 66-69. Wezeman trok de bescherming van de bestuurder toen nog in feite gelijk met de bescherming van de werknemer die pas aansprakelijk is jegens de werk gever in geval van opzet of bewuste roekeloosheid. Sanders/Westbroek/Buijn/Storm 1998, BV en NV, p. 163-166 lieten zich niet op deze wijze uit.
C.J.M. Klaassen, ‘Schadeveroorzakend handelen in functie…Diverse wegen leiden naar de werkgever’, in: S.C.J.J. Kortmann en N.E.D. Faber (red.), Serie Onderneming en Recht deel 20, Deventer: Tjeenk Willink 2000, p. 100-102.
Van Schilfgaarde & Winter 2003, Van de BV en de NV, p. 140.
L. Timmerman, ‘Kroniek van het vennootschapsrecht’, NJB 2003, afl. 31, p. 1633-1639.
Wezeman 2004, p. 83-98, p. 91 en 92.
Assink & Olden 2005, p. 9-16.
Assink & Olden 2005, p. 9.
Assink & Olden 2005, p. 10.
Zie ook: Assink & Olden 2005, p. 12, waar zij schreven: “De door de Hoge Raad omarmde toetsingsnorm ‘ernstig verwijt’ helpt de rechter hierin niet veel verder. Met name ten aanzien van de toetsing van door bestuurders gevoerd ondernemingsbeleid is de rechter gebaat bij een concreter handvat, bij een toets die meer sturing biedt”. Overigens, toen de Hoge Raad in HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21 m.nt. J.M.M. Maeijer en H.J. Snijders (Willemsen/NOM) in verband met de ernstigverwijtmaatstaf sprak over een ‘hoge drempel’ voor aansprakelijkheid (vgl. ‘een hoge schuldgraad’) die wordt gerechtvaardigd door het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming, werd deze alsnog ook door Assink omarmd, doch niet als aparte pijler naast de behoorlijke taakvervullingsnorm, maar als geïntegreerd in de behoorlijke taakvervullingsnorm. Zie bijvoorbeeld: Assink 2014.
Assink & Olden 2005, p. 11 en p. 16.
De term ‘verwijtbaarheid’ betekent volgens de Van Dale namelijk juist dat iemand schuld, een tekortkoming of een tekortschieten wordt voorgehouden. Een ‘ernstig verwijtbaar bestuurlijk tekortschieten’ is daarmee bovendien dus ook dubbelop. Een bestuurder schiet te kort of niet, treft een verwijt of niet. Ik acht deze benadering daarom enigszins semantisch. Is het bestuurlijk tekortschieten niet juist het verwijt dat wordt gemaakt? Overigens, voor zover Assink en Olden met het gebruik van het ‘digitale begrip verwijt’ zouden hebben gedoeld op de ‘schuld’ in de zin van art. 6:162 BW, zou ik menen dat dit begrip juist niet digitaal maar analoog is. Schuld omvat immers alle schuldgradaties, van opzet als oogmerk, naar noodzakelijkheidsbewustzijn, waarschijnlijkheidsbewustzijn, voorwaardelijke opzet, bewuste schuld en onbewuste schuld. In de literatuur is in het kader van aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW ook gezegd dat “naarmate de schuld aan het schadeveroorzakend gebeuren groter is”, een ruimere toerekening is gerechtvaardigd. Zie in dit verband: Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/65.
HR 30 september 2005, NJ 2006, 312 m.nt. P. van Schilfgaarde (Ontvanger/S.), r.o. 3.4.3 (zie par. 9.3.5 hierna).
Noot J.B. Wezeman bij HR 8 december 2006 (Ontvanger/Roelofsen) in Ondernemingsrecht 2007, 36.
Strik 2010, p. 29 en 30.
Zie bijvoorbeeld: Strik 2010, p. 29.
De conclusie van Strik lijkt mij dus juist. Ik ben het echter niet eens met de daarmee samenhangende stellingen van Strik dat de ernstigverwijtmaatstaf een toerekeningsmaatstaf is en dat bestuurders pas aansprakelijk horen te zijn als sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Ik kom hier later in par. 5.6 op terug.
Huizink 2011, p. 9.
De stelling dat niet erg aannemelijk is dat een bestuurder/werknemer wel jegens de vennootschap aansprakelijk kan zijn op grond van art. 2:9 BW en niet ex art. 7:661 BW en omgekeerd, lijkt mij wat ongenuanceerd. Art. 2:9 BW en art. 7:661 BW behelzen immers een verschillend toetsingskader. Zo kan sprake zijn van onbehoorlijk bestuur ex art. 2:9 BW (objectieve toets), terwijl geen sprake hoeft te zijn van opzet of bewuste roekeloosheid ex art. 7:661 BW (subjectieve toets).
Deels herhaald in Huizink 2016, GS Rechtspersonen, art. 2:9 BW, aant. 8.3.1.
Zie bijvoorbeeld: Assink, Bröring, Timmerman & De Valk 2011, p. 26.
Waarom dat makkelijker zou zijn wordt niet toegelicht. Ik zou evenwel nemen dat het ‘nog makkelijker’ is als de maatstaf in zijn geheel wordt losgelaten en simpelweg wordt beoordeeld – kort gezegd – of de bestuurder zijn bestuurstaken ‘behoorlijk’ heeft vervuld en dus of hij de behoorlijke taakvervullingsnorm heeft nageleefd. In dat criterium ligt reeds de objectivering besloten waar De Jongh het over heeft.
J.M. de Jongh, ‘Enkele gedachten over bestuurdersaansprakelijkheid’, in: J.B. Huizink e.d. (red.), Hoe verder met collegiaal bestuur in Nederland?, Deventer: Kluwer 2011, p. 19.
Na eerst te onderkennen dat de ernstigverwijtmaatstaf uit het arbeidsrecht is overgewaaid naar het ondernemingsrecht, als gevolg van het betoog van Van Schilfgaarde inhoudende dat op een bestuurder in gelijke zin als een andere werknemer een verbintenis rust om zich naar behoren in te spannen voor de vennootschap.
Schild 2015.
HR 1 april 2016, JOR 2016/264 m.nt. A.J.P. Schild (Stichting ATAL).
HR 1 april 2016, JOR 2016/264 m.nt. A.J.P. Schild (Stichting ATAL), r.o. 4.3 e.v. van de conclusie.
Kamerstukken II 1987/88, 17 896, nr. 8 (MvA), p. 27-28.
Bij Wet van 6 juni 1996, Stb. 406 (geldend vanaf 1 april 1997).
Schild verwijst in dit verband naar Strik 2010, p. 21.
Weliswaar spreekt de Hoge Raad in het arrest Willemsen/NOM van een “hoge drempel” voor aansprakelijkheid, maar een hoge drempel zonder referentiekader (wat is hoog, wat is laag?) geeft niet veel duidelijkheid, terwijl het er vooral op lijkt dat de Hoge Raad met de ernstigverwijtmaatstaf slechts beoogt te voorzien in een terughoudende toetsing van het ondernemingsbeleid. Dat heeft evenwel niet per definitie iets te maken met een schuldgradatie.
Vgl. Fleuren 2015, p. 575.
De vraag of de introductie en het gebruik van de term ‘ernstig verwijt’ in art. 2:9 BW rationeel-grammaticaal te rechtvaardigen is, kan ook worden benaderd vanuit de wetshistorie.
In dit verband dient allereerst te worden stilgestaan bij de wetshistorie van art. 2:138/248 BW. Dat artikel was terug te voeren op het op 1 april 1929 in werking getreden art. 49a WvK.1 Dat laatste artikel luidde:
“Niettegenstaande aan een bestuurder ter zake van zijn beheer verleende kwijting kan, ingeval van faillissement der naamlooze vennootschap, de curator, wanneer de toestand der vennootschap geheel of gedeeltelijk te wijten is aan grove schuld of grove nalatigheid van dien bestuurder, ten behoeve van den boedel van dezen schadevergoeding vorderen, zonder dat echter uit dien hoofde aan aandeelhouders eenige bate kan toekomen.”2
Bij de invoering van art. 2:138/248 BW heeft de wetgever uitdrukkelijk ervoor gekozen om de termen ‘grove schuld’ en ‘grove nalatigheid’ los te laten. Na te hebben geconstateerd dat een ‘grijze zone’ bestaat omdat een bestuurder nu eenmaal beleidsruimte heeft, merkte de Minister in dit verband op:
“De erkenning van dit feit [het bestaan van de grijze zone, toev. auteur] mag er echter niet toe leiden dat de toetsing vervlakt en dat alleen in gevallen van uitzonderlijk onbehoorlijk bestuur aansprakelijkheid van de bestuurders wordt aangenomen. Er is geen reden om in dit op bestrijding van misbruik gerichte wetsontwerp een zo weinig dwingend criterium aan te houden. In de huidige tekst wordt gesproken van «grove schuld» en «grove nalatigheid». Juist omdat deze criteria de grenzen waarbinnen er aansprakelijkheid van de bestuurders bestaat zo eng stellen, is gezocht naar een begrip met ruimere inhoud.”3
“Door verschillende schrijvers is het voorstel gedaan, het woord «kennelijk» toe te voegen, waardoor de strekking van de bepaling duidelijker tot uitdrukking zou worden gebracht. Door die toevoeging zou in hun opvatting alleen een «in het oog springende», een bij wijze van spreken elke twijfel uitsluitende onbehoorlijkheid van de taakvervulling in aanmerking komen. Ik kan met dit voorstel meegaan, waarbij ik voor zover nodig nog wel wil onderstrepen, dat «kennelijk onbehoorlijke taakvervulling» een minder strenge toetssteen vormt dan de thans in de artikelen 138 en 248 gebruikte term «grove schuld of grove nalatigheid» en dat de toevoeging uitsluitend buiten twijfel wil brengen dat elk gebrekkig bestuur op zich zelf nog geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Gevraagd wordt wat ik vind van het voorstel om in de artikelen 138 en 248 te spreken van «indien aannemelijk is dat het faillissement geheel of gedeeltelijk is te wijten aan grove schuld of grove nalatigheid van het bestuur». Ik moge in herinnering roepen dat het voorstel tot herziening van de genoemde artikelen is ingegeven door de wens, in verband met de bestrijding van misbruik de toepasbaarheid ervan te verbeteren, onder meer door de woorden «grove schuld of grove nalatigheid» te vervangen door «onbehoorlijke taakvervulling». Zoals ik reeds heb gesteld, ben ik bereid deze toetssteen een nuance te verscherpen door toevoeging van het woord «kennelijk». Een terugkeer tot «grove schuld of grove nalatigheid» zou het voorstel op dit punt geheel te niet doen. Ik meen dat zulks niet juist zou zijn.”4
Uit het voorgaande blijkt dat de Minister heeft benadrukt dat bewust ervoor is gekozen de termen ‘grove schuld’ en ‘grove nalatigheid’ los te laten. In het nieuwe art. 2:138/248 BW is dan ook bewust gekozen voor de algemene term ‘onbehoorlijke taakvervulling’ die een minder strenge toetssteen vormt.5 Dit is van belang omdat – zoals hiervoor in par. 4.2 t/m 4.4 is gebleken – het juist de (losgelaten) term ‘grove schuld’ is die aan de basis heeft gelegen van de totstandkoming van de ernstigverwijtmaatstaf.
In dit verband dient voorts te worden stilgestaan bij de parlementaire geschiedenis van het hierna te bespreken art. 7A:1639da BW (thans art. 7:661 BW) en art. 7A:1638x BW (thans art. 7:658 BW). Zoals gezegd (zie par. 4.2) bestond ten tijde van het Debrot-arrest6 geen bepaling die betrekking had op de aansprakelijkheid van de werknemer jegens de werkgever. Wel bestond art. 7A:1638x BW (oud) (thans 7:658 BW) dat zag op de aansprakelijkheid van de werkgever jegens de werknemer en dat bepaalde dat de werkgever alleen niet aansprakelijk is als de werknemer ‘grove schuld’ is te wijten. Voor het begrip ‘grove schuld’ werd in de rechtspraak het begrip ‘ernstig verwijt’ gehanteerd.7 Dat begrip werd ook gebruikt voor de beoordeling van aansprakelijkheid van de werknemer jegens de werkgever in het Debrot-arrest (zie par. 4.2). Kort na het Debrot-arrest onderkende de wetgever de noodzaak om een wettelijke bepaling op te nemen die betrekking had op de aansprakelijkheid van de werknemer jegens de werkgever:
“Inderdaad is het bij nader inzien wenselijk om in de regeling betreffende de arbeidsovereenkomst een bepaling in te voegen betreffende het geval dat de werknemer bij de uitvoering van de overeenkomst schade aan de werkgever toebrengt.”8
Op dat moment was de wetgever ook druk doende met het vormgeven van een nieuw Burgerlijk Wetboek, het huidige BW, in welk verband de ontwerptekst van art. 6.3.2.2 lid 3 (thans art. 6:170 lid 3 BW) al sinds 1974/1975 goeddeels vaststond (terwijl de bepaling pas op 1 januari 1992 in werking is getreden). Op grond van deze bepaling kan een werkgever die door een derde wordt aangesproken voor bij die derde ontstane schade door toedoen van de werknemer, slechts verhaal nemen op de werknemer indien sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid.9 Bij de totstandkoming van art. 7A:1639da BW merkte de wetgever in 1987/1988 op:
“Art. 6.3.2.2 lid 3 is alleen van toepassing, wanneer schade voor de werkgever is ontstaan, doordat hij door de daar bedoelde derde uit hoofde van het eerste of het tweede lid van dat artikel wordt aangesproken. Voor dat geval bevat art. 6.3.2.2 lid 3 een regel die de mogelijkheid dat de werkgever verhaal neemt op de werknemer sterk beperkt.”10
De wetgever onderkende daarom dat een overeenkomstige regel moet gelden voor alle andere gevallen waarin een werkgever door een fout van zijn werknemer schade lijdt:
“Er is echter geen goede reden waarom geen overeenkomstige regel zou gelden voor andere gevallen, waarin een werkgever door een fout van zijn werknemer schade lijdt.”11
De wetgever wilde daarbij voorkomen dat de schadevergoedingsplicht van de werknemer jegens de werkgever zou moeten worden bepaald door art. 6:74 BW. Uit art. 6:74 BW volgt namelijk dat in geval van (gewone) schuld van de schuldenaar bij het tekortschieten in de nakoming van zijn verbintenis (de arbeidsovereenkomst), in principe steeds aansprakelijkheid bestaat. Dat zou – aldus de parlementaire geschiedenis – voorbijgaan aan het in art. 6.3.2.2 lid 3 (thans art. 6:170 lid 3 BW) opgenomen uitgangspunt dat een werkgever, wanneer die kwalitatief wordt aangesproken voor schade veroorzaakt door een werknemer bij een derde, pas regres kan nemen op de werknemer in geval van opzet of bewuste roekeloosheid:
“Zonder uitdrukkelijke bepaling te dier zake zou om verschillende redenen de gedachte kunnen postvatten dat in die gevallen wel degelijk een andere oplossing in aanmerking komt. In de eerste plaats moet erop worden gewezen dat, bij gebreke van een zodanige bepaling de aansprakelijkheidsvraag in beginsel moet worden beantwoord aan de hand van de hoofdregel van art. 6.1.8.2 [thans art. 6:74 BW, toev. auteur], waarin tot uitgangspunt wordt genomen dat er in geval van schuld van de schuldenaar ter zake van het tekortschieten in de nakoming van zijn verbintenis in principe steeds aansprakelijkheid is. Dit uitgangspunt duidt in een andere richting dan art. 6.3.2.2 lid 3, waar er in beginsel slechts aansprakelijkheid van de ondergeschikte is in geval van diens opzet of bewuste roekeloosheid.”12
De wetgever merkte daarbij op dat de rechter art. 6:74 BW weliswaar zo zou kunnen uitleggen dat wanneer het gaat om een arbeidsovereenkomst een andere benadering zou moeten worden gehanteerd, maar de wetgever wilde uitdrukkelijk niet het risico lopen dat de rechter een andere opvatting zou huldigen. In dat verband stelde de wetgever, onder verwijzing naar voormeld Debrot-arrest en naar een in 1987 gewezen arrest waarin de ernstigverwijtmaatstaf werd herhaald in het kader van de aansprakelijkheid van de werknemer jegens de werkgever,13 dat de jurisprudentie van de Hoge Raad weliswaar in dezelfde richting ging als art. 6.3.2.2 lid 3, maar dat de formulering ‘ernstig verwijt’ daar wel van afwijkt. De wetgever wilde daarom buiten twijfel stellen dat geen verschil bestaat tussen ‘ernstig verwijt’ (dat was gebaseerd op ‘grove schuld’) enerzijds en ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ anderzijds:
“Weliswaar kan men de hierin besloten liggende tegenstelling opheffen door te oordelen dat, wanneer het om een arbeidsovereenkomst gaat, de aard van de overeenkomst meebrengt dat een van art. 6.1.8.2 [thans art. 6:74 BW, toev. auteur] afwijkende benadering geldt (men zie ook art. 6.5.3.1 lid 1), maar dit oordeel zou dan toch aan de rechter zijn overgelaten, van wie niet bij voorbaat vaststaat dat hij inderdaad deze opvatting zal huldigen. Er moet immers rekening mee worden gehouden dat de huidige rechtspraak betreffende de onderhavige kwestie wel in dezelfde richting gaat als art. 6.3.2.2 lid 3 [thans art. 6:170 lid 3 BW, toev. auteur] voor het daar bedoelde geval bepaalt, maar daarvoor een van dat artikel afwijkende formulering gebruikt, die eist dat de werknemer een «ernstig verwijt» treft en dat wel in dier voege dat zijn gedragingen hem zo zeer kunnen worden verweten dat hij, alle omstandigheden in aanmerking genomen, door de werkgever voor de schade aansprakelijk kan worden gehouden (HR 3 april 1987, NJ 1987, 606; zie ook HR 4 februari 1983, NJ 1983, 543). Het verdient daarom aanbeveling buiten twijfel te stellen dat tussen beide formuleringen in wezen geen verschil bestaat. Daarbij moet worden bedacht dat de woorden «opzet en bewuste roekeloosheid» uit art. 6.3.2.2 lid 3 niet goed passen bij de gedragingen van administratief personeel waarom het in de gevallen van de voormelde twee arresten ging, terwijl de omschrijving «ernstig verwijt» voor die gevallen zeer wel als passend equivalent van «opzet of bewuste roekeloosheid» kan worden gebezigd.”14
De termen ‘grove schuld’ en ‘ernstig verwijt’ zijn door de wetgever in het arbeidsrecht dus losgelaten en vervangen voor de term ‘opzet of bewuste roekeloosheid’. De wetgever heeft echter benadrukt dat tussen de in de jurisprudentie ontwikkelde term ‘ernstig verwijt’ (gebaseerd op de wettelijke term ‘grove schuld’) enerzijds en de formulering ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ anderzijds in wezen geen verschil bestaat. Het voorgaande heeft geleid tot de invoering op 1 januari 1992 van art. 7A:1639da BW (oud, thans art. 7:661 BW).15 Later, in 1997, werd dit artikel vernummerd naar art. 7:661 BW.16 Bij diezelfde wet werd art. 7A:1638x vernummerd naar art. 7:658 BW en werd de daarin tot dan toe gehanteerde terminologie ‘grove schuld’ aangepast aan de terminologie ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ die vanaf 1992 werd gehanteerd in art. 6:170 lid 3 BW en art. 7A:1639da BW (oud, thans art. 7:661 BW).17 Art. 7A:1639da BW (oud, thans art. 7:661 BW) luidde:
De arbeider die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever of aan een derde jegens wie de werkgever tot vergoeding van die schade is gehouden, is te dier zake niet jegens de werkgever aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval kan, mede gelet op de aard van de betreffende overeenkomst, anders voortvloeien dan in de vorige zin is bepaald.
Afwijking van het vorige lid en van artikel 170 lid 3 van Boek 6 ten nadele van de arbeider is slechts mogelijk bij schriftelijke overeenkomst en slechts voor zover de arbeider te dier zake is verzekerd.”
Net zoals in art. 6.3.2.2 lid 3 BW (thans art. 6:170 lid 3 BW, dat eveneens in 1992 werd ingevoerd) werd in de laatste zin van art. 7:661 lid 1 BW toegevoegd: “Uit de omstandigheden van het geval kan, mede gelet op de aard van de betreffende overeenkomst, anders voortvloeien dan in de vorige zin is bepaald” (zie de onderstreepte tekst in het citaat). In de wetsgeschiedenis van art. 6.3.2.2 lid 3 BW wordt in dit verband expliciet het voorbeeld genoemd:
“het geval dat het gaat om een ondergeschikte die als directeur in dienst was van de aangesproken N.V.”18
De wetgever bracht hiermee dus onder woorden dat de ondergeschikte- directeur (de bestuurder) al sneller aansprakelijk kon zijn jegens de werkgever-N.V. (de rechtspersoon) en dat daarvoor derhalve geen opzet of bewuste roekeloosheid was vereist. Die snellere aansprakelijkheid vloeit voort uit de omstandigheden van het geval en de aard van de overeenkomst. In dit geval een overeenkomst die mede door het vennootschapsrecht wordt gekleurd en die bovendien te vergelijken is met een vertegenwoordigings- en opdrachtrelatie zodat ook de artt. 6:171-172 BW iets zeggen over de relatie tussen de bestuurder en de rechtspersoon (zie par. 5.3.4, 5.3.5 en par. 10.2.3). De art. 6:171-172 BW bieden – anders dan art. 6:170 BW – de vertegenwoordiger en opdrachtnemer geen bescherming die erin bestaat dat alleen aansprakelijkheid ontstaat als sprake is van opzet en bewuste roekeloosheid. Uit het voorgaande kan het volgende geconcludeerd worden:
De regering heeft bij de totstandkoming van art. 6.3.3.2. (thans art. 6:170 lid 3) in 1975/1976 expliciet gemaakt dat wanneer het gaat om een ondergeschikte die als directeur in dienst was van de aangesproken N.V., een minder strenge toetssteen mogelijk was dan de toets van ‘opzet of bewuste roekeloosheid’, zoals thans is verwoord in art. 6:170 lid 3 BW;
De regering heeft bij totstandkoming van art. 2:138/248 BW in 1983/1984 uitdrukkelijk ervoor gekozen de term ‘grove schuld’ uit art. 49a WvK (die in wezen niet verschilt met de ernstigverwijtmaatstaf) en ‘grove nalatigheid’ los te laten, omdat deze criteria de grenzen waarbinnen aansprakelijkheid van de bestuurders bestaat, te eng stellen; en
De regering heeft bij de totstandkoming van art. 7:661 BW in 1987/1988 duidelijk gemaakt dat “in wezen geen verschil bestaat” tussen de in de jurisprudentie ontwikkelde formulering ‘ernstig verwijt’ (gebaseerd op de oude wettelijke term ‘grove schuld’) en de formulering ‘opzet of bewuste roekeloosheid’.
Uit het voorgaande zou kunnen worden geconcludeerd dat de term ‘ernstig verwijt’ een rationeel-grammaticale betekenis heeft die volgens de wetsgeschiedenis in wezen hetzelfde is als de term ‘grove schuld’ en de term ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ en die de wetgever expliciet niet wilde toepassen bij de beoordeling van aansprakelijkheid van bestuurders. Als we teruggaan naar mijn uiteenzetting over de betekenis van taal voor het recht in par. 2.2 dan zou het volgende gezegd kunnen worden. De wetgever omschreef de rechtstoestand ‘grove schuld’, althans ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ als de rechtstoestand ‘blauw’. Anders gezegd, de wetgever gebruikte daarvoor de term ‘blauw’. De wetgever heeft voorts expliciet bepaald dat de rechtstoestand ‘blauw’ moest worden losgelaten in het kader van art. 2:9 BW. Desondanks is de Hoge Raad, sinds Staleman/Van de Ven, de term ‘blauw’ gaan gebruiken in het kader van de rechtstoestand onbehoorlijk bestuur als bedoeld in art. 2:9 BW. Een grammaticaal-wetshistorische analyse leidt dan tot de conclusie dat het gebruik van deze term (dus de ernstigverwijtmaatstaf) niet te rechtvaardigen is bij de toepassing van art. 2:9 BW.
In de doctrine is al het voorgaande tot op heden niet uitvoerig onder de aandacht gebracht, althans tot een beïnvloeding van de doctrine heeft dat niet geleid. Dat Eykman en Van Schilfgaarde in 1986 en 1987 meenden dat de maatstaf van het ‘ernstig verwijt’ uit het arbeidsrecht ook kon worden toegepast bij bestuurdersaansprakelijkheidsrecht is, gelet op de intensieve ontwikkeling van het recht in die tijd, te begrijpen. Uit de hiervoor beschreven wetsgeschiedenis van art. 6:170 lid 3 BW (1975/1976) en art. 2:138/248 BW (1983/1984) was echter toch al een andere gevolgtrekking te maken. Ook daarna is de gevolgtrekking evenwel niet expliciet gemaakt (zo blijkt uit de literatuur die hiervoor in par 4.3 is uiteengezet), althans deze gevolgtrekking is daarna gerelativeerd. Zo werd in 1990 door Van der Grinten en Kortmann betoogd dat de bestuurder eenzelfde positie inneemt als de werknemer, dat art. 6:170 lid 3 BW naar analogie toepassing dient te vinden in de relatie tussen een vennootschap en diens bestuurder en dat er geen termen zijn om voor de directeur van de naamloze vennootschap de hoofdregel van 6.3.2.2 lid 3 BW niet te laten gelden.19 Dit dus in weerwil van de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis waarin toch vrij expliciet was bepaald dat voor de directeur juist een uitzondering op deze hoofdregel gold. De door een aantal schrijvers in het verleden ingenomen stelling dat bestuurders eerder aansprakelijk zouden moeten zijn dan werknemers, werd ook in 1998 nog afgedaan als een afwijking van de heersende opvatting.20
Nu zou men tegen de hiervoor genoemde conclusie kunnen inbrengen dat de betekenis van de termen ‘grove schuld’ en ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ in de wetsgeschiedenis van de verschillende hierboven genoemde wetsbepalingen niet noodzakelijkerwijs hetzelfde was en dat ik als het ware ‘appels’ met ‘peren’ vergelijk. Zo betoogde Wezeman in 2004:
“Het is te eenvoudig de zaak af te doen als een louter terminologische kwestie door er op te wijzen dat de uitdrukking opzet of bewuste roekeloosheid in het sociale zekerheidsrecht en in het arbeidsrecht wellicht gebruikelijker is dan in het vennootschapsrecht, maar overigens dezelfde betekenis heeft.”21
Daartoe zou men dan tevens stellen dat de term ‘ernstig verwijt’ een geheel eigen betekenis heeft gekregen die los moet worden gezien van de voornoemde termen.22 Daarvoor zou steun kunnen worden ontleend aan het feit dat de term nu al lang wordt gebruikt in de rechtspraak en literatuur en zelfs in 2013 is gecodificeerd. Blauw is geen blauw meer, maar is, bij wijze van spreken, rood geworden. Zoals ik in de inleiding reeds noteerde, kan anno 2017 inderdaad gesteld worden dat de term ‘ernstig verwijt’ bij de beoordeling van interne bestuurdersaansprakelijkheid (de ernstigverwijtmaatstaf) een volledig eigen betekenis lijkt te hebben die niet meer aansluit bij zijn ontstaansgeschiedenis. De betekenis die de term had in het arbeidsrecht lijkt niet dezelfde als die hij nu heeft in het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht.23 ‘Ernstig verwijt’ betekent niet (meer) hetzelfde als ‘opzet’ of bewuste roekeloosheid’ en het lijkt – mede gelet op de door de Hoge Raad in Staleman/Van de Ven genoemde omstandigheden – aannemelijk dat de Hoge Raad slechts duidelijk wilde maken dat de rechter het door de bestuurder gevoerde ondernemingsbeleid objectief dient te toetsen waarbij rekening wordt gehouden met het gevaar van hindsight bias (maar zeker is dat niet). Zo zag Wezeman dat kennelijk ook in 2004:
“Aannemelijker is dat de Hoge Raad met de woorden ernstige verwijtbaarheid in plaats van opzet en bewuste roekeloosheid enige ruimte voor de rechter heeft willen cre ë ren om de aansprakelijkheid van bestuurders zonodig iets genuanceerder te kunnen beoordelen dan die van werknemers in het algemeen.”24
Ik denk dat deze conclusie van Wezeman juist is, maar ik meen ook dat de benadering van de Hoge Raad rechtswetenschappelijk moeilijk verdedigbaar is omdat vanuit grammaticaal-wetshistorisch oogpunt geen rechtvaardiging bestaat om de term ‘ernstig verwijt’, met de (taalkundige en institutionele) betekenis die deze blijkens de wetsgeschiedenis heeft, toe te passen bij de beoordeling van aansprakelijkheid van een bestuurder jegens de rechtspersoon. Daar zijn ook nog de volgende argumenten voor te geven.
Het gaat hier om te beginnen niet om de uitleg van de betekenis van termen die in (de wetsgeschiedenis van) volstrekt verschillende wetboeken werden gehanteerd. Het gaat hier om de uitleg van termen die in (de wetsgeschiedenis van) hetzelfde Nederlandse Burgerlijk Wetboek worden gebruikt. De ene keer weliswaar in Boek 2 BW en de andere keer in Boek 6 en 7 BW, maar dat neemt niet weg dat sprake is van één Burgerlijk Wetboek dat bestaat uit een gelaagd systeem25 met talloze schakelbepalingen. Het ligt dan niet voor de hand om binnen dat systeem dezelfde termen te gebruiken voor verschillende betekenissen. Dit past ook niet bij de eerder in par. 2.3.4 aangehaalde parlementaire geschiedenis waarin is omschreven dat de cassatietaak van de Hoge Raad onder meer omvat de opdracht om in hoogste instantie de rechtseenheid te bewaken waarbij dit als volgt is omschreven:
“Bij het bewaken van de rechtseenheid gaat het om de eenvormige uitleg en toepassing van de rechter van rechtsregels en rechtsbegrippen, zowel binnen afzonderlijke rechtsgebieden als in samenhang tussen afzonderlijke rechtsgebieden.”26
Ook als men het arbeidsrecht en het ondernemingsrecht als afzonderlijke rechts gebieden zou beschouwen, zou het rechtsbegrip ‘ernstig verwijt’ dus alsnog eenvormig uitgelegd en toegepast moeten worden. Het recht is immers een samenhangend regelgebonden systeem.27
De hiervoor bedoelde eenvormige uitleg kan niet los worden gezien van het in par. 2.2 genoemde belang van taal voor het recht. De betekenis van woorden is, zoals gezegd, vaak zodanig discursief bepaald dat de taalgebruiker ze alleen maar kan gebruiken in de betekenis die zij hebben.28 Onze hedendaagse rechtscultuur is sterk gebonden aan geschreven en dus bedachte en gerationaliseerde vormen,29 hetgeen noopt tot een consequent gebruik van (de institutionele beroeps)taal. Dit heeft uiteraard ten doel het gevaar van verwarring te voorkomen. Dat gevaar is mijns inziens nog pregnanter aanwezig wanneer een term binnen eenzelfde rechtsgebied (het burgerlijk recht, maar dit is niet anders als men het arbeidsrecht en ondernemingsrecht – begrijpelijk – als verschillende rechtsgebieden zou beschouwen), in verschillende contexten een verschillende betekenis wordt toegedicht terwijl de verschillende betekenis in de te onderscheiden contexten niet wordt toegelicht.
De gangbare context van de term ‘ernstig verwijt’ was binnen het Burgerlijk Wetboek het arbeidsrecht. De gangbare betekenisgeving aan deze term was ‘grove schuld’. Toen de term ‘ernstig verwijt’ werd geïntroduceerd in de context van de bepaling in datzelfde Burgerlijk Wetboek die bestuurdersaansprakelijkheid betrof, werd – anders dan door Loth voorgeschreven in zijn hiervoor in par. 5.2.1 aangehaalde methodologische regels – in de rechtspraak en literatuur geen afwijkende betekenis gegeven aan deze term. Dit verklaart waarom na de introductie van de ernstigverwijtmaatstaf in de literatuur op grote schaal is stilgestaan bij de vraag hoe de term ‘ernstig verwijt’ zich verhoudt tot de termen ‘opzet’ en ‘bewuste roekeloosheid’ (waarover hierna in deze paragraaf meer). Het laat zien dat het niet consequent en onwenselijk is de in het kader van het arbeidsrecht gerationaliseerde vorm toe te passen in het ondernemingsrecht en deze thans een andere (taalkundig gerationaliseerde) betekenis te geven. Grammaticaal-wetshistorisch is dit niet te rechtvaardigen. Het leidt ook tot onduidelijkheid.
Daarnaast wordt in de literatuur reeds jarenlang gesproken over de verhouding tussen de arbeidsrechtelijke en de vennootschapsrechtelijke relatie van de bestuurder ten opzichte van de rechtspersoon. Ook een bestuurder, voor wie Boek 2 BW relevant is, is vaak een werknemer en ook voor de bestuurder gelden de bepalingen van Boek 6 en 7 BW (zie hierna in par. 5.3.5 meer over de derogerende werking van art. 2:9 BW). Als de term ‘ernstig verwijt’ een geheel eigen betekenis in het rechtspersonenrecht (Boek 2) zou hebben, die anders is dan in het arbeidsrecht (Boek 6 en 7 BW), dan zou de bestuurder die met beide rechtsgebieden te maken kan krijgen, beide termen dus verschillend moeten begrijpen afhankelijk van de aard van de eventuele aanspraken die jegens hem worden ingeroepen. In het rechtspersonenrecht wordt de kleur blauw gebruikt voor ‘onbehoorlijk bestuur’ en in het arbeidsrecht wordt de kleur blauw gebruikt voor ‘opzet of bewuste roekeloosheid’. Dat is niet wenselijk.
Sterker, het lijkt er juist op dat de dubbele rechtsbetrekking van de bestuurder heeft geleid tot de introductie van de term ‘ernstig verwijt’ (‘van de kleur en de rechtstoestand blauw’) in het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht. Daarbij werd zoals gezegd in 1986/1987 door Eykman30 en Van Schilfgaarde31 betoogd dat de aansprakelijkheid van een bestuurder niet anders moet worden beoordeeld dan die van een werknemer (par. 4.3). Van der Grinten en Kortmann betoogden, zoals eerder in deze paragraaf uiteengezet, voorts in 1990 dat de bestuurder eenzelfde positie inneemt als de werknemer. Zij stelden voorts dat art. 6:170 lid 3 BW naar analogie toepassing dient te vinden in de relatie tussen een vennootschap en diens bestuurder en dat er geen termen zijn om voor de directeur van de naamloze vennootschap de hoofdregel van 6.3.2.2 lid 3 BW niet te laten gelden.32 Welke bedoeling de Hoge Raad dan ook heeft gehad met de introductie van de term ‘ernstig verwijt’ in het arrest Staleman/Van de Ven, het hanteren van een verschillende betekenis voor een schuldgradatie-term die enerzijds wordt gehanteerd in (de wetsgeschiedenis van) Boek 6 en Boek 7 BW en anderzijds in (de wetsgeschiedenis van) Boek 2, is naar mijn mening met het voorgaande niet te rijmen.
Dat het belang van taal in dit verband zeker niet onderschat moet worden, blijkt ook uit het feit dat in de doctrine sinds Staleman/Van de Ven tot op heden nog steeds wordt stilgestaan bij de betekenis van de term ‘ernstig verwijt’, zowel bij interne als bij externe bestuurdersaansprakelijkheid. Daarbij wordt op consequente wijze aansluiting gezocht bij de schuldgradatie ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ of wordt de verhouding met deze schuldgradatie onderzocht. Dat laat zich naar mijn mening juist verklaren door de (taalkundige en institutionele) betekenis en oorsprong van de term ‘ernstig verwijt’ en de introductie daarvan in het interne bestuurdersaansprakelijkheidsrecht. Dat heeft tot onduidelijkheid geleid. Ook in de doctrine heeft men kennelijk veel moeite ermee om aan de term ‘blauw’ de kleur ‘rood’ te koppelen.
In het kader van interne bestuurdersaansprakelijkheid werd in 2000 door Asser/Maeijer bijvoorbeeld betoogd:
“Het criterium ‘ernstig verwijt’ sluit aan bij het criterium ‘(opzet of) bewuste roekeloosheid’ dat dient te worden gebezigd bij het handelen van de bestuurder als werknemer.”33
Ook Wezeman34 had zich toen in vergelijkbare zin uitgelaten. Klaassen stelde in 2000 dat het hiervoor geciteerde uitgangspunt van Maeijer ook door anderen wordt gehuldigd en dat veelal wordt aangenomen dat het criterium voor aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de rechtspersoon parallel loopt met het criterium voor aansprakelijkheid van de werknemer jegens zijn werkgever. Ook hij onderschreef die wenselijkheid. Klaassen noteerde evenwel dat het ‘gissen is’ of de Hoge Raad van oordeel is dat het criterium ‘ernstige verwijtbaarheid’ overeenkomt met het criterium ‘opzet of bewuste roekeloosheid’.35
Van Schilfgaarde en Winter meenden in 2003 echter dat het criterium ‘ernstig verwijt’ eerder tot bestuurdersaansprakelijkheid leidt dan ‘opzet of bewuste roekeloosheid’.36 Timmerman schreef voorts in 2003 dat bij het aansprakelijk stellen van een bestuurder (ex art. 2:9 BW) het accent zal liggen op de individuele verwijtbaarheid, dat het rechterlijk oordeel daarbij terughoudend zal moeten zijn en dat deze terughoudendheid gezocht moet worden in “het stellen van strenge eisen aan de mate van schuld van de aangesproken bestuurder”. Hij schreef voorts:
“Ik krijg de indruk dat ons hoogste rechtscollege bij toepassing van art. 2:9 BW de terughoudendheid van zijn oordeel meer zoekt in eisen van een hoge mate van schuld van de betrokkene dan in het hanteren van een zeer streng criterium voor onbehoorlijk bestuur.”37
Dit vereist stellen van een bepaalde schuldgradatie door Timmerman werd later in 2004 ook door Wezeman betoogd. Nadat Wezeman alsnog onder uitdrukkelijke verwijzing naar de wetsgeschiedenis van art. 7:661 BW constateerde dat “verdedigbaar is (…) dat er weinig tot geen verschil bestaat tussen ernstige verwijtbaarheid en opzet en bewuste roekeloosheid in de zin van art. 7:661 BW” (onderstreping toegevoegd) betoogde hij:
“Alles afwegend zou ik ten aanzien van de bestuurder willen pleiten voor een invulling van de “ernstige verwijtbaarheid” die zo dicht mogelijk aanligt tegen de voor gewone werknemers vereiste opzet of bewuste roekeloosheid als bedoeld in art. 7:661 BW.”38
Assink en Olden hebben in 2005 vervolgens getracht duiding te geven aan de term ‘ernstig verwijt’.39 Zij stonden daartoe eerst stil bij de zaak Staleman/ Van de Ven en stelden vast dat het gerechtshof in de zaak Staleman/Van de Ven zijn oordeel tot aansprakelijkheid van de bestuurders ex art. 2:9 BW kennelijk zou hebben gebaseerd op twee pijlers: ‘ernstig verwijt’ en ‘onbehoorlijke taakvervulling’. Zij schreven:
“Alleen de eerste pijler wordt door de Hoge Raad gesanctioneerd. Nu de Hoge Raad niet bepaalt dat de toets die het gerechtshof aanlegt ‘dubbelop’ is en op die grond onjuist, blijft in het midden wat nu de verhouding is tussen ‘ernstig verwijt’ en ‘onbehoorlijke taakvervulling’.”40
Vervolgens stonden zij kort stil bij de destijds in de literatuur bestaande uiteenlopende opvattingen over de verhouding tussen de term ‘ernstig verwijt’ en de schuldgradatie ‘opzet of bewuste roekeloosheid’. Zij stelden vervolgens:
“Of de bestuurder zich bewust is van het feit dat hij tekortschiet doet niet ter zake. Het helpt de bestuurder in die opvatting dus niet dat hij naar eer en geweten heeft gehandeld of nagelaten. Geobjectiveerde wetenschap, het beter kunnen en moeten weten, kan volstaan. Timmerman signaleert dat de door de Hoge Raad vereiste hoge – of: gekwalificeerde – mate van schuld (i.e. ‘ernstig verwijt’) een aparte pijler vormt n áá st ‘onbehoorlijk bestuur’ in de zin van onbehoorlijke taakvervulling. Uit de parlementaire geschiedenis bij art. 2:138/248 BW (die ook relevant is voor art. 2:9 BW) blijkt niet alleen dat de toetssteen van “grove schuld” oftewel ‘bewuste roekeloosheid’ een te beperkte is (hetgeen dan helemaal voor ‘opzet’ geldt), maar ook dat in de term ‘onbehoorlijk’ vooral het element van verwijtbaarheid moet worden gelezen. De opvatting die uit de parlementaire geschiedenis spreekt, laat zich lastig verenigen met het vereiste dat de bestuurder zich daadwerkelijk bewust moet zijn van het feit dat hij tekortschiet en de idee dat een dergelijk ‘ernstig verwijt’ een aparte pijler vormt naast de onbehoorlijkheid van de taakvervulling.”41
Assink en Olden hadden – zo lijkt het – dus moeite met de term ‘ernstig verwijt’, althans zij konden deze niet goed plaatsen.42 Zij stelden verder vast dat uit hun analyse van de rechtspraak op dat moment niet viel af te leiden dat de Hoge Raad voor aansprakelijkheid van de bestuurder ‘een hoge mate van schuld’ vereist (zoals Timmerman net had gesteld) en concludeerden dat de begrippen ‘ernstig verwijt’ en ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ elkaar niet dekken. Uit het voorgaande blijkt dat ook Assink en Olden aanleiding zagen om in te gaan op het bewustzijn van de bestuurder en op de vraag of aansprakelijkheid uitsluitend kan ontstaan in geval van grove schuld, opzet of bewuste roekeloosheid. Zij beantwoordden die vraag evenwel ontkennend. Om de ernstigverwijtmaatstaf toch een plaats te kunnen geven, onderbouwden zij dat de verwijtbaarheid dient te zien op een objectief ondermaatse wijze waarop een bestuurder zich heeft gedragen (daar ben ik het mee eens) en dat de rechter terughoudend moet zijn bij het toetsen van ondernemingsbeleid (daar ben ik het ook mee eens). Dit laatste zou volgens Assink en Olden ‘plaats geven’ aan de ‘kwalificatie ernstig’: “niet het verwijt dient ernstig te zijn (want dat is een digitaal begrip), maar het bestuurlijk te kortschieten”. Zij concludeerden: “Onbehoorlijke taakvervulling ex art. 2:9 BW laat zich vertalen als en staat dus gelijk aan ernstig verwijtbaar bestuurlijk gedrag”.43 Als ik het goed begrijp zeiden zij hiermee dat ‘onbehoorlijk’ dezelfde betekenis heeft als ‘ernstig verwijtbaar’. Op deze wijze kon de term ‘ernstig verwijt’ volgens Assink en Olden kennelijk als het ware ingepast worden in art. 2:9 BW. Een consequentie van deze benadering is dat ‘(gewoon) verwijtbaar bestuurlijk gedrag’ dus niet onbehoorlijk zou zijn in de zin van art. 2:9 BW. Taalkundig zie ik evenwel niet in waarom – in het kader van de negatief beantwoordde aansprakelijkheidsvraag van art. 2:9 BW – dan nog over ‘verwijtbaar’ gedrag zou moeten worden gesproken.44
De aandacht voor de termen ‘opzet’ en ‘bewuste roekeloosheid’ bij interne bestuurdersaansprakelijkheid is vervolgens – zo lijkt het – enige tijd afgenomen. Bij externe bestuurdersaansprakelijkheid werd die aandacht in 2005 juist weer erop gevestigd toen Van Schilfgaarde schreef: “persoonlijk verwijt, bewuste roekeloosheid, ernstig verwijt, voldoende ernstig verwijt. Het is niet zo makkelijk om een duidelijke lijn in de rechtspraak van de Hoge Raad te ontdekken.”
Toen een jaar later het op externe bestuurdersaansprakelijkheid betrekking hebbende arrest Ontvanger/Roelofsen werd gewezen (zie par. 9.4.1), waarin de Hoge Raad de ernstigverwijtmaatstaf voor externe bestuurdersaansprakelijkheid introduceerde, schreef Wezeman in zijn noot bij dat arrest weer: “De Hoge Raad heeft in de afgelopen tien jaren een aantal keren beslist dat ook de interne aansprakelijkheid van art. 2:9 BW alleen kan intreden indien de bestuurder een ernstig verwijt treft. (…) De Hoge Raad trekt daarmee als het ware een voor werknemers jegens hun werkgevers in het algemeen geldende aansprakelijkheidsregel (vgl. art. 7:661 BW) door naar bestuurders van rechtspersonen.”45
In 2010 werden de term ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ opnieuw gehanteerd in de literatuur over interne bestuurdersaansprakelijkheid. Strik stelde in haar proefschrift dat aan de taakvervulling van bestuurders weliswaar hogere eisen mogen worden gesteld dan aan die van gewone werknemers, maar dat dit niet zonder meer betekent dat “bestuurders ook aansprakelijk behoren te zijn indien opzet of bewuste roekeloosheid ontbreekt”. Zij concludeerde verder:
“Alles overziende, meen ik dat het begrip ernstig verwijt in het licht van art. 2:9 BW niet van andere inhoud – en zeker niet van andere aard – zou moeten zijn dan het begrip ernstig verwijt in het kader van het (oud) Burgerlijk Wetboek werd gebezigd in de context van werknemersaansprakelijkheid. Alleen al de historische achtergrond van de introductie van het begrip ernstig verwijt in de bestuurdersaansprakelijkheidszaken pleit tegen een divergerende inhoud van dit begrip.”46
Strik stelde verder dat het begrip ‘ernstig verwijt’, dat in het licht van art. 2:9 BW wordt gehanteerd, dezelfde inhoud heeft als het begrip ‘ernstig verwijt’ zoals bedoeld in jurisprudentie van vóór de invoering van Boek 7 BW.47 Los van de vraag waarom Strik deze mening was toegedaan, moet worden vastgesteld dat deze gedachte van Strik overeenkomt met de uitkomst van een correcte grammaticaal-wetshistorische analyse.48 Die grammaticaal-wetshistorische analyse laat namelijk zien dat zowel de grammaticale betekenis als de geschiedenis van de ernstigverwijtmaatstaf uit art. 2:9 BW zijn oorsprong heeft in de rechtspraak op het gebied van het arbeidsrecht (zie par. 4.2 en par 4.3). Toch komt de uitkomst van deze grammaticaal-wetshistorische analyse niet overeen met hoe men thans denkt over art. 2:9 BW (zoals hierna verder zal blijken).
In 2011 stond Huizink weer stil bij de term ‘opzet of bewuste roekeloosheid’.49 Onder de paragraaf met sprekende titel “Ernstige verwijtbaarheid vs. opzet of bewuste roekeloosheid” schreef hij:
“De problematiek is bekend. Het heeft bijna zestig (!) jaar geduurd voordat de Hoge Raad in 1997 in het arrest Staleman/Van de Ven aangeeft dat voor het intreden van bestuurdersaansprakelijkheid vereist is dat het bestuur een ernstig verwijt treft. Toch kwam die beslissing niet onverwacht. In het decennium dat voorafging aan het arrest kreeg de “dubbele” rechtsbetrekking – vennootschapsrechtelijk en arbeidsrechtelijk – van de vennootschap tot haar bestuurders steeds meer gestalte. Tegen die achtergrond is niet verbazingwekkend dat voor wat betreft de aansprakelijkheidsmaatstaf van bestuurders aansluiting is gezocht bij het arbeidsrecht en een parallel getrokken wordt met de werknemer. Zulks in eerste instantie naar aanleiding van HR 26 juni 1959, NJ 1959, 551, m.nt. L.E.H. Rutten (De Bont- Zuidooster) en uiteindelijk conform HR 4 februari 1983, NJ 1983, 543, m.nt. P.A. Stein (Debrot). In dat laatste arrest werd beslist, dat een werknemer voor de door hem in vervulling van zijn dienstbetrekking aan de werkgever toegebrachte schade eerst aansprakelijk kan zijn, indien hem ter zake, alle omstandigheden in aanmerking genomen, een ernstig verwijt te maken valt. Voor werknemers heeft voornoemde jurisprudentie wettelijke vorm gekregen in art. 7:661 BW, zij het dat in die bepaling wordt gesproken van opzet of bewuste roekeloosheid. Een andere toerekeningsmaatstaf werd daar blijkens de parlementaire geschiedenis niet mee beoogd. Op grond daarvan zou men kunnen betogen dat ernstige verwijtbaarheid in het arrest Staleman/Van de Ven op één lijn staat met ernstige verwijtbaarheid in genoemde twee arbeidsrechtelijke arresten en daarmee op één lijn met opzet of bewuste roekeloosheid in art. 7:661 BW. In die zin, als ik het goed zie, Strik. De maatstaf ‘ernstige verwijtbaarheid’ vindt men terug in HR 10 december 1999, NJ 2000, 6 in welk arrest de bestuurder tevens werd verweten dat hij als werknemer tekort was geschoten. Alsdan is betrokkene volgens de Hoge Raad in beginsel jegens de BV slechts aansprakelijk in geval van opzet of bewuste roekeloosheid, de norm van art. 7:661 BW dus. Betwijfeld mag worden of er veel licht zit tussen enerzijds de norm ernstige verwijtbaarheid en anderzijds de norm opzet of bewuste roekeloosheid. Gelet op het feit dat voor het intreden van beider vormen van aansprakelijkheid de omstandigheden van het geval een doorslaggevende rol spelen, ga ik er van uit dat niet erg aannemelijk is dat een bestuurder/werknemer wel jegens de vennootschap aansprakelijk kan zijn op grond van art. 9 en niet ex art. 7:661 BW en omgekeerd.50 Niettemin meen ik – en dat gevoel bestond ook bij veel deelnemers aan de debat-middag – dat voor de aansprakelijkheid van bestuurders het criterium ernstige verwijtbaarheid de voorkeur verdient boven de maatstaf opzet of bewuste roekeloosheid. Het begrip ernstige verwijtbaarheid heeft op het front van bestuurdersaansprakelijkheid school gemaakt en door (vooral lagere) jurisprudentie inkleuring gekregen. Denk bijvoorbeeld aan de objectivering van de norm. Zij biedt wellicht ook meer mogelijkheid tot nuancering. Daar komt bij dat ten aanzien van werknemers niet wordt uitgegaan van collegialiteit en de daarbij behorende hoofdelijke aansprakelijkheid.”51 Inmiddels was de ernstigverwijtmaatstaf een vanzelfsprekendheid geworden in het Nederlandse ondernemingsrecht en werd in de literatuur steeds breder gesteld dat van een ernstig verwijt eerder sprake zal zijn dan van opzet of bewuste roekeloosheid. Hiermee werd onderkend dat een bestuurder eerder aansprakelijk kan zijn dan een werknemer.52 De Jongh merkte bijvoorbeeld in 2011 op:
“Er zijn gevallen denkbaar waarin geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid, terwijl toch de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ik zou in die gevallen bestuurdersaansprakelijkheid niet willen uitsluiten. Daar komt bij dat de maatstaf van opzet of bewuste roekeloosheid naar zijn aard een subjectieve is. (…) Wanneer ernstige verwijtbaarheid als criterium wordt genomen, is objectivering eenvoudiger mogelijk.53Dit blijkt ook uit Staleman/Van de Ven, waarin de Hoge Raad als gezichtspunt hanteert “het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauw gezet vervult.” Een dergelijke objectivering acht ik passend bij de verplichting tot een behoorlijke taakvervulling van een bestuurder. De bijzondere positie van een bestuurder verschilt in dit opzicht van die van een werknemer.”54
Schild relativeerde in 2015 uiteindelijk het gegeven dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat geen verschil bestaat tussen enerzijds de term ‘ernstig verwijt’ en anderzijds de term ‘opzet of bewuste roekeloosheid’. Daartoe schreef hij:55
“Bijzonder is dat bij invoering van art. 7:661 BW – werknemersaansprakelijkheid onder nieuw BW – de wetgever ervoor heeft gekozen de maatstaf ‘ernstig verwijt’ te wijzigen in ‘opzet en bewuste roekeloosheid’. De wetsgeschiedenis vermeldt dat daarbij geen inhoudelijke wijziging is beoogd. Deze gedachte volgend zou men kunnen denken dat ook in het ondernemingsrecht voor ‘ernstig verwijt’ ‘opzet dan wel bewuste roekeloosheid’ mag worden gelezen. Dat lijkt mij echter niet zonder meer het geval. De norm ‘bewuste roekeloosheid’ heeft in het spraakgebruik een andere lading dan de norm ‘ernstig verwijt’. Daarbij komt dat bewuste roekeloosheid een connotatie heeft met fysieke gevaarzetting. Het lijkt nuttiger in het achterhoofd te houden dat de woorden ‘een ernstig verwijt’ net als de woorden ‘bewuste roekeloosheid’ een hoge mate van verwijtbaarheid uitdrukken, zonder beide normen geheel aan elkaar gelijk te stellen.”56
Hoewel Schild dat zelf niet zei, is uit zijn opmerkingen wel te herleiden dat de introductie van de ernstigverwijtmaatstaf vanuit grammaticaal-wetshistorisch perspectief lastig te rechtvaardigen is. Schild loste dit op door de term een nieuwe betekenis te geven die uitsluitend nog in het ondernemingsrecht relevantie heeft, waarbij hij stelde dat de term ‘bewuste roekeloosheid’ in het spraakgebruik een andere lading heeft dan de term ‘ernstig verwijt’. Dat die andere lading minst genomen niet vanzelfsprekend is, blijkt mijns inziens uit het feit dat in de literatuur zo veel is stilgestaan bij de vraag of de term ‘ernstig verwijt’ wel of niet gelijk te trekken is met de term ‘opzet of bewuste roekeloosheid’.
De hiervoor uiteengezette opmerkingen zijn allerminst slechts theoretisch. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een recente uitspraak uit 2016 van de Hoge Raad, waarin een bestuurder van een stichting werd aangesproken op grond van art. 2:9 BW.57 In cassatie bepleitte de bestuurder dat met ‘ernstig verwijt’ hetzelfde wordt bedoeld als met ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ in de zin van art. 7:661 BW en dat dus steeds nodig is dat de bestuurder zich bewust is geweest van de ernstige verwijtbaarheid van zijn handeling of gedraging. In zijn conclusie moet A-G Spier dit weerleggen, maar de literatuur, rechtspraak en wetsgeschiedenis waarnaar hij in dat verband verwijst, geven hem niet veel houvast, hoewel Spier anders doet voorkomen. Alvorens hij op deze literatuur, rechtspraak en wetsgeschiedenis ingaat, overweegt Spier – wellicht wegens het gebrek aan houvast? – dat er “geen goede grond is om aan te nemen dat de Hoge Raad met “ernstig verwijt” iets anders heeft bedoeld dan wat daarmee in bestendige jurisprudentie tot uitdrukking wordt gebracht. Zou de Hoge Raad voor het anker van opzet of bewuste roekeloosheid hebben willen gaan liggen dan zou dat ongetwijfeld in (recente) arresten zijn overwogen.”58 Het punt is echter juist dat die bestendige jurisprudentie niet duidelijk maakt wat de ernstigverwijtmaatstaf betekent. Omdat de Hoge Raad zelf spreekt van een ‘ernstig verwijt’ en van een ‘hoge drempel voor aansprakelijkheid’, is het niet onbegrijpelijk dat de aangesproken bestuurder heeft doorgeprocedeerd en zich op het standpunt heeft gesteld dat sprake moet zijn van opzet of bewuste roekeloosheid. Wat betekent die hoge drempel anders? Het punt is voorts dat de literatuur, zoals uit het al het voorgaande blijkt, ook sterk verdeeld is geweest en geen duidelijkheid biedt. Spier gaat vervolgens in op de parlementaire geschiedenis, waarnaar ik ook in dit proefschrift herhaaldelijk verwijs.59 Hij overweegt (r.o. 4.4.):
“4.4. In de MvAII Inv. bij (thans) art. 7:661 BW is te lezen dat tussen de formulering “ernstig verwijt” en “opzet of bewuste roekeloosheid zoals genoemd in art. 1639da BW” “in wezen geen verschil bestaat”. Helemaal duidelijk is het betoog niet. Niet alleen omdat niet uit de verf komt waarop deze “in wezen” gelijkschakeling is gebaseerd, maar ook omdat het betoog lijkt te leunen op twee met name genoemde arresten van de Hoge Raad. Deze bieden daarvoor evenwel geen steun. In de eerste plaats en vooral omdat daarin niets wordt overwogen in te trant van de MvAII. Maar ook omdat “een ernstig verwijt” bezwaarlijk opzet en tevens bewuste roekeloosheid kan inhouden.”
Deze redenering van Spier doet mijns inziens geen recht aan de rechtsgeschiedenis, zoals deze blijkt uit hoofdstuk 4, en de wetsgeschiedenis, zoals deze blijkt uit par. 5.2.2. Anders dan Spier, meen ik dat het betoog in de parlementaire geschiedenis glashelder is. De wetgever heeft daarin namelijk (letterlijk) opgemerkt (zie par. 5.2.2):
“Het verdient daarom aanbeveling buiten twijfel te stellen dat tussen beide formuleringen in wezen geen verschil bestaat.”
Toen de wetgever dit in 1987/1988 duidelijk maakte, bestond de term ‘ernstig verwijt’ nog helemaal niet in het kader van art. 2:9 BW en had deze dus geen betekenis buiten het arbeidsrecht. De enige betekenis die de term had, was de betekenis die de rechter daaraan had gegeven in het kader van de twee door Spier zelf bedoelde arresten van de Hoge Raad op het gebied van arbeidsrecht (Spier verwees naar het Debrot-arrest en HR 3 april 1987, NJ 1987, 606, aangehaald in par. 4.2 en 4.3). Die betekenis was gebaseerd op de term ‘grove schuld’ uit het toen reeds bestaande art. 7A:1638x BW (zie par. 4.2) en – blijkens de wil van de wetgever – gelijk aan de betekenis van de term ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ in het pas later in 1992 ingevoerde art. 6:170 lid 3 BW en art. 7A:1639da BW. Het is dus niet zo dat de gelijkschakeling van de term ‘ernstig verwijt’ met de door de wetgever gekozen term ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ leunt op de bedoelde arresten. Integendeel, de wetgever constateerde dat de rechter in de bedoelde arresten bepaalde terminologie had gehanteerd en de wetgever wilde buiten twijfel stellen dat de betekenis daarvan dezelfde was als de door de wetgever in 1992 in art. 6:170 lid 3 BW en art. 7A:1639da BW (thans art. 7:661 BW) geïntroduceerde terminologie, die later, in 1997,60 ook in art. 7:658 BW (voormalig 7A:1638x BW) werd overgenomen (zie hierover par. 5.2.2). Dat is het prerogatief van de wetgever, die immers de wet bepaalt en daarbij de taal van de wet kiest (zie par. 1.3 en 2.2). Bovendien hebben de bedoelde arresten juist aan de basis gelegen van het hernieuwde gebruik van de term ‘ernstig verwijt’ in het kader van art. 2:9 BW, zo blijkt uit (i) de literatuur van o.a. Eykman, Van Schilfgaarde, Huizink, Van der Grinten, Kortmann, Maeijer en Dortmond, die in par. 4.3 uitvoerig is behandeld, (ii) de conclusie van A-G Mok bij Staleman/Van de Ven en (iii) het arrest Staleman/Van de Ven van de Hoge Raad. De stelling van Spier dat een ‘ernstig verwijt’ bezwaarlijk ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ kan inhouden, is niet te rijmen met dit alles.
In zijn noot bij voormeld arrest doet Schild het nog korter af. Na te hebben geconstateerd dat de genoemde parlementaire geschiedenis “al sinds jaar en dag voor enige verwarring zorgt”,61 merkt Schild op – ogenschijnlijk om die verwarring te bagatelliseren – dat deze parlementaire geschiedenis reeds taalkundig gezien niet juist kan zijn, omdat taalkundig de maatstaf van ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ een hogere graad van verwijtbaarheid uitdrukt dan de maatstaf ‘ernstig verwijt’. Indien de ernstigverwijtmaatstaf inwisselbaar zou zijn met de maatstaf van ‘opzet of bewuste roekeloosheid’, zou de Hoge Raad bovendien, aldus Schild, daar in dit arrest ongetwijfeld een overweging aan gewijd hebben. Ook deze taalkundige analyse van Schild rijmt naar mijn mening niet met de totstandkomingsgeschiedenis van de ernstigverwijtmaatstaf zoals blijkt uit hoofdstuk 4 en de wetsgeschiedenis zoals deze blijkt uit par. 5.2.2. Bovendien zou ik menen dat de Hoge Raad in eerste instantie zich moet verlaten op de taal die de wetgever heeft gekozen en de betekenis die de wetgever daaraan heeft gegeven (zie par. 2.2 en 2.3.2). Het feit dat in 2016 (bijna twintig jaar na het arrest Staleman/Van de Ven) nog steeds onduidelijkheid bestond over de betekenis van de ernstigverwijtmaatstaf, geeft het belang aan van die taal en van de betekenis die de wetgever daaraan heeft gegeven.
Voormeld belang komt duidelijk naar voren als men de vraag stelt hoe nu moet worden verklaard dat in de afgelopen jaren tot op heden zo veel is stilgestaan bij de term ‘opzet of bewuste roekeloosheid’? De wetsgeschiedenis liet namelijk geen twijfel erover bestaan dat de term ‘grove schuld’ (vgl. ‘opzet of bewuste roekeloosheid’) een te zware toetssteen vormde voor de aansprakelijkheid van bestuurders. Daarnaast heeft ook de Hoge Raad nimmer het standpunt ingenomen dat pas van bestuurdersaansprakelijkheid sprake kan zijn als sprake is van ‘opzet of bewuste roekeloosheid’.62 Evenmin is de Hoge Raad ingegaan op de verhouding tussen al deze termen. Toch is zoveel erover geschreven en toch wordt zelfs in 2016 (dus bijna 20 jaar na het arrest Staleman/Van de Ven) nog in hoogste instantie – bij de Hoge Raad – erover geprocedeerd. Dit verhoudt zich toch niet met het reeds in 1960 zo goed door A-G Langemeijer bij HR 11 november 1960 verwoordde uitgangspunt dat “de burger moet kunnen vertrouwen op wetsvoorschriften die bij onbevangen lezing op zich zelf slechts één uitlegging toelaten” en dat in ieder geval wenselijk is dat “een jurist hem in de regel omtrent de strekking van de wet kan voorlichten zonder dat dit moeite en dus kosten behoeft mede te brengen van de orde van grootte van die welke met een geding in drie instanties gepaard gaan” (zie par. 2.2).
Om een antwoord te geven op vraag waarom de afgelopen jaren tot op heden zo veel is stilgestaan bij de termen ‘opzet’ en ‘bewuste roekeloosheid’, kom ik nu terug bij mijn eerdergenoemde conclusie dat de term ‘ernstig verwijt’ een rationeel-grammaticale betekenis heeft die volgens de wetsgeschiedenis van art. 6:170 lid 3 BW, art. 7:661 BW en art. 2:138/248 BW in wezen hetzelfde is als de termen ‘grove schuld’ en ‘opzet of bewuste roekeloosheid’. Terwijl de wetgever deze laatste termen expliciet niet wilde toepassen bij de beoordeling van aansprakelijkheid van bestuurders, is de Hoge Raad de daaruit afgeleide term ‘ernstig verwijt’ in 1997 opnieuw gaan gebruiken. De term is in 2008 door de Hoge Raad bovendien ook nog ‘een hoge drempel voor aansprakelijkheid’ genoemd. Het is niet verwonderlijk dat men in het kader van de ernstigverwijtmaatstaf dus zo lang heeft stilgestaan bij de termen ‘opzet’ en ‘bewuste roekeloosheid’. Vergelijk ik dan appels met peren door de wetsgeschiedenis van art. 6:170 lid 3 BW, art. 7:661 BW respectievelijk art. 2:138/248 BW in onderlinge samenhang te lezen? Ik meen van niet. De taal van het recht reikt verder dan de grenzen van een Boek uit ons Burgerlijk Wetboek. Uit de hiervoor weergegeven literatuur en rechtspraak blijkt dat gedurende lange tijd discussie heeft bestaan over de betekenis van de ernstigverwijtmaatstaf en dat deze discussie in 2016 nog werd gevoerd. Die discussie is gevoerd langs de lijnen van de schuldgradaties ‘opzet’ en ‘bewuste roekeloosheid’. Dat laat zich verklaren door de oorsprong van de term ‘ernstig verwijt’ uit het arbeidsrecht en het feit dat deze term in de juridische taalgemeenschap63 (de institutionele beroepstaal) nog steeds een betekenis wordt toegedicht die men kennelijk niet los kan zien van een bepaalde schuldgradatie, terwijl een schuldgradatie juist geen rol speelt bij art. 2:9 BW (zie par. 3.8). De discussie is ontstaan door een onnodig, onjuist en ten onrechte niet-toegelicht gebruik van de term ‘ernstig verwijt’, die door de Hoge Raad bovendien is omschreven als een hoge drempel voor aansprakelijkheid, terwijl die term geen plaats behoort te hebben in het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht. Deze discussie is volgens mij dan ook niet nodig geweest.
Nadat Bakels uiteenzette dat de Hoge Raad soms meer inzicht in zijn achterliggende overwegingen zou kunnen geven, schreef hij:
“Als zelfs de vleugelslag van een vlinder in het Amazonegebied ergens anders tot een orkaan kan leiden, al gebeurt dat meestal niet, geldt eens te meer binnen het recht als samenhangend, regelgebonden systeem dat een nieuwe regel of een nuancering van een bestaande regel grote, en niet steeds voorzienbare gevolgen kan hebben.”64
De niet nader toegelichte introductie van de term ‘ernstig verwijt’ heeft naar mijn mening in de rechtsontwikkeling geleid tot deze ‘grote, en niet steeds voorzienbare gevolgen’. De oorzaak daarvan is naar mijn mening gelegen in het feit dat voornoemde introductie op basis van een grammaticaal-wetshistorische analyse niet te rechtvaardigen is.