Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.2.7.3
5.2.7.3 Beletten en geheimhouden van antwoorden
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 8 februari 2011, appl.no. 35863/10 (dec.) (Judge/Verenigd Koninkrijk), § 27; EHRM 4 juli 2000, appl.no. 43149/98 (dec.) (Kok/Nederland), p. 20-21: ‘It is in the nature of things that only a domestic court can decide on the relevance of a particular question – or, as in the present case, the need to prevent a question being asked that might, if answered, jeopardise the safety of an anonymous witness.’
ECRM 14 januari 1998, appl.no. 33127/96 (T.D./Nederland).
In EHRM 4 juli 2000, appl.no. 43149/98 (dec.) (Kok/Nederland), p. 20-21 mocht de rechter het stellen van bepaalde vragen aan een anonieme getuige beletten om de anonimiteit van de getuige te waarborgen.
EHRM 23 oktober 2012, appl.no. 38623/03 (Pichugin/Rusland), § 204-205.
ECRM 19 oktober 1995, appl.no. 25206/94 (Hols/Nederland); ECRM 19 oktober 1995, appl.no. 25207/94 (Kremers/Nederland).
Spronken & Fernhout in Melai/Groenhuijsen e.a., art. 293 (aant. 6-7).
EHRM (GC) 16 februari 2000, appl.no. 27052/95 (Jasper/Verenigd Koninkrijk), § 52. Zie ook EHRM (GC) 16 februari 2000, appl.no. 28901/95 (Rowe & Davis/Verenigd Koninkrijk), § 61 en EHRM 22 juli 2003, appl.nos. 39647/98 & 40461/98 (Edwards & Lewis/Verenigd Koninkrijk), § 53. Zie uitvoeriger § 8.6.4 van hoofdstuk 1.
EHRM 25 september 2001, appl.no. 44787/98 (P.G. & J.H./Verenigd Koninkrijk), § 19 en 70-71.
Beletten van antwoorden
In beginsel zijn beslissingen over het beletten van antwoorden voorbehouden aan de nationale rechter.1 Deze moet echter wel een goede grond kunnen aanvoeren voor het beletten. Zo’n goede grond kan zijn dat beantwoording van vragen geen enkele bijdrage zou kunnen leveren aan de beoordeling van de strafzaak. In de zaak T.D. was een officier van justitie gehoord die het opsporingsonderzoek in de zaak tegen de verdachte had geleid. De verdediging stelde hem vragen over de gehanteerde opsporingsmethoden. Op de vraag of van bepaalde informanten nog gebruik was gemaakt nadat de zaak tegen de verdachte was gestart, weigerde hij antwoord te geven. De ecrm overwoog dat de nationale gerechten ‘have amargin of appreciation in controlling the accused’s questioning of such witnesses as are called’. In dit geval bleek uit de processtukken niet dat na de start van het opsporingsonderzoek in het procesdossier informatie terecht was gekomen die afkomstig was van informanten. Daarom mocht de rechter toestaan dat de getuige vragen over de inzet van informanten niet beantwoordde.2 De relevantie van de vragen voor de beoordeling van de strafzaak was niet gebleken.
Tot nu toe is het ontbreken van relevantie de enige grond voor het beletten van antwoorden waarover de Straatsburgse organen zich hebben uitgelaten in zaken met niet-anonieme getuigen.3 Zij hebben zich echter wel uitgelaten over andere goede redenen ten aanzien van zeer verwante, hierna te bespreken kwesties, namelijk of de antwoorden van de getuige geheimgehouden mogen worden en of de rechter een getuige toestemming mag geven om vragen onbeantwoord te laten terwijl deze geen verschoningsrecht heeft. Op grond daarvan mag worden aangenomen dat ook persoonlijke belangen van getuigen en het belang van het geheimhouden van door de politie gehanteerde opsporingsmethoden goede gronden zullen opleveren.
Toestaan om vraag niet te beantwoorden
In de zaak Pichugin had de zittingsrechter een getuige die geen verschoningsrecht had, toegestaan om niet te antwoorden op bepaalde vragen. Deze rechter had niet gemotiveerd op welke wettelijke bepaling zij zich daarbij baseerde en had deze beslissing evenmin gemotiveerd. Daarmee ging het ehrm niet akkoord.4 Voor het toestaan om vragen niet te beantwoorden had een goede reden moeten bestaan. Die kon in deze zaak niet worden aangenomen. In de zaak Hols had de nationale rechter overwogen dat het geven van antwoorden op bepaalde vragen te emotioneel belastend zou zijn voor het slachtoffer van een zedendelict en de getuige toegestaan die vragen niet te beantwoorden. Op grond van het belang het slachtoffer te beschermen achtte de ecrm dit gerechtvaardigd.5 In dit soort gevallen wordt wel gesproken van een incidenteel verschoningsrecht: hoewel een getuige geen echt verschoningsrecht heeft, mag hij de vraag toch onbeantwoord laten, hetgeen tot hetzelfde resultaat leidt.6
Geheimhouding van antwoorden
Het niet openbaar maken van bepaalde informatie kan het ondervragingsrecht aantasten wanneer deze informatie van wezenlijke betekenis is voor de positie van de verdediging. Daarnaast kan het van betekenis zijn voor de vraag of het recht op disclosure of evidence is gerespecteerd. Evenals het ondervragingsrecht is ook dit geen absoluut recht. In het arrest Jasper overwoog het ehrm onder meer:
‘(...) the entitlement to disclosure of relevant evidence is not an absolute right. In any criminal proceedings there may be competing interests, such as national security or the need to protect witnesses at risk of reprisals or keep secret police methods of investigation of crime, which must be weighed against the rights of the accused (...). In some cases it may be necessary to withhold certain evidence from the defence so as to preserve the fundamental rights of another individual or to safeguard an important public interest. However, only such measures restricting the rights of the defence which are strictly necessary are permissible under Article 6 § 1 (...).7
Het ehrm vervolgde met de overweging dat dergelijke beperkingen wel voldoende moeten worden gecompenseerd. In de zaak P.G. & J.H. was een deel van een proces-verbaal geheim gehouden voor de verdediging. In dat deel werd beschreven op welke manier afluisterapparatuur was geplaatst. De verdediging wilde een detective inspector hierover vragen stellen. Deze weigerde hierop te beantwoorden. Daarop verhoorde de rechter – met toestemming van de verdediging – de getuige in raadkamer onder ede, buiten aanwezigheid van de verdediging. Bij de hervatting van de zitting deelde de rechter mee dat de betekenis van de antwoorden voor de verdediging zeer gering was en dat het algemeen belang geschaad zou worden wanneer de antwoorden bekendgemaakt zouden worden. Daarom besloot hij dat de getuige gerechtigd was het beantwoorden van de vragen te weigeren. Het ehrm ging daarmee akkoord.8