De civielrechtelijke zorgplicht van de beleggingsdienstverlener jegens de niet-particuliere cliënt
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke zorgplicht van de beleggingsdienstverlener (O&R nr. 101) 2017/2.4.5.1:2.4.5.1 Wijzigingen MiFID II van het provisieverbod
De civielrechtelijke zorgplicht van de beleggingsdienstverlener (O&R nr. 101) 2017/2.4.5.1
2.4.5.1 Wijzigingen MiFID II van het provisieverbod
Documentgegevens:
I.P.M.J. Janssen, datum 01-03-2017
- Datum
01-03-2017
- Auteur
I.P.M.J. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS370277:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 24 lid 7 sub b en lid 8 MiFID II; artikel 168a Bgfo 2018. Zie voor een uitgebreide bespreking van het provisieverbod in MiFID II Silverentand, Sprecher, Simons 2017, p. 216-224.
Artikel 24 lid 9 MiFID II.
Artikel 168a Bgfo 2018. Wel wordt de opsomming van provisies die niet onder het provisieverbod vallen, in lijn gebracht met MiFID II.
Nota van Toelichting Bgfo 2018, p. 51.
Artikel 24 lid 12 MiFID II.
Artikel 168aa Bgfo 2018.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De plannen om het provisieverbod op Europees niveau aan te scherpen, zijn doorgevoerd in MiFID II. MiFID II maakt bij het vernieuwde provisieverbod een onderscheid naar het type dienstverlening. Indien sprake is van vermogensbeheer of advies op onafhankelijke basis, is een algeheel provisieverbod van toepassing. Enkel kleine niet-geldelijke tegemoetkomingen die de kwaliteit kunnen verhogen en waarvan de omvang en aard zodanig is dat zij geen afbreuk doen aan de plicht van de beleggingsdienstverlener om in het belang van de cliënt te handelen, zijn hiervan uitgesloten. Voorwaarde is wel dat de tegemoetkomingen duidelijk bekend gemaakt worden.1
In tegenstelling tot het nationale provisieverbod ten tijde van MiFID, is dit algehele verbod van overeenkomstige toepassing op professionele cliënten. Dit betekent dat de Nederlandse wetgever het nationaalrechtelijke provisieverbod moet aanpassen omdat de nationale wetgeving niet soepeler mag zijn dan MiFID II. Indien sprake is van afhankelijk beleggingsadvies of execution only-dienstverlening, blijft het bestaande provisieverbod uit MiFID van kracht. Het provisieverbod wordt slechts anders vormgegeven.2 Dit geldt zowel voor professionele als niet-professionele cliënten. In tegenstelling tot het provisieverbod in MiFID II, blijft op nationaal niveau in principe een algeheel provisieverbod van toepassing ten aanzien van niet-professionele cliënten.3 Daarmee blijft de nationaalrechtelijke regeling strenger dan het provisieverbod op Europees niveau. Evenals bij MiFID doet de nationale wetgever een beroep op de mogelijkheid om aanvullende eisen op te leggen ex artikel 24 lid 12 MIFID II omdat uit overweging 76 van MiFID II voortvloeit dat aanvullende eisen onder meer kunnen bestaan uit het verbieden of verder beperken van provisies.4 Omdat de Nederlandse wetgever de aanvullende eisen in het kader van het huidige provisieverbod vóór 2 juli 2014 heeft medegedeeld aan de Commissie, lijkt de aanvulling gehandhaafd te mogen worden onder MiFID II.5 De regeling ten aanzien van de professionele cliënt is wel in lijn met MiFID II.6